Main Page > VERHALEN VAN VERVAL > ILSE LOGIE: Verbeeldingen van de Apocalyps in de hedendaagse Hispano-Am erikaanse literatuur



ILSE LOGIE: Verbeeldingen van de Apocalyps in de hedendaagse Hispano-Am erikaanse literatuur
DEUS EX MACHINA :: Ilse Logie

De mythe van de Apocalyps is, zowel in bijbelse als in afgeleide zin en onder allerlei gedaanten, steeds aanwezig geweest in de Hispano-Amerikaanse literatuur. Vooral in de literaire productie van de Zuidkegel (Zuidelijk Zuid-Amerika, dat Argentinië, Chili en Uruguay omvat) heeft de uitwerking ervan van meet af aan een uitgesproken Westers karakter, dat tot uiting komt in een lineaire structuur, gekenmerkt door genese en apocalyps, deze laatste zowel in de betekenis van ‘vernietiging van een bestaande orde’ als in de etymologische van ‘openbaring’. De verborgen werkelijkheid die aan de uitverkorenen wordt onthuld, is de uiteindelijke vestiging van Gods koninkrijk op aarde, nadat de mensheid eerst geteisterd is geworden door alle mogelijke rampen en plagen waarvoor Satan verantwoordelijkheid draagt. In nogal wat gevallen is er sprake van een expliciete aanwezigheid van doorwrochte apocalyptische symbologieën: motieven, structurele elementen en/of de cryptische beeldspraak die kenmerkend zijn voor de christelijke apocalyptische geschriften, in de eerste plaats het boek Openbaringen, toegeschreven aan Johannes (Nieuwe Testament), of anders uit voorlopers hiervan uit het Oude Testament, zoals het boek van de profeet Ezechiël of het boek Daniël.

Naarmate de Hispano-Amerikaanse maatschappijen echter complexer werden door politieke crisissen, industrialisering, migratie en verstedelijking, raakte de heilsboodschap steeds nadrukkelijker op de achtergrond, totdat die in onze tijd haast volledig is verdwenen ten voordele van de profetie over het einde der tijden. Parallel hiermee zijn ook de uitgesproken verwijzingen naar de bijbelse bron aanzienlijk afgenomen, zodat de Apocalyps steeds meer als metafoor optreedt, en steeds minder als zichtbare intertekst, zonder dat evenwel de urgentie van dit literaire patroon hierdoor is verminderd. Dat de mythe blijft aanspreken, valt mede te verklaren door de altijd kritische, vaak zelfs subversieve houding die de verteller van apocalyptische literatuur meestal aanneemt ten opzichte van de in zijn tijd heersende politieke of spirituele zeden en gebruiken, en zijn drang om daar verandering in te brengen.

De hele twintigste eeuw lang speelt deze problematiek met name in de Argentijnse literatuur een belangrijke rol. Dit is al het geval in de literatuur die voorafgaat aan de militaire dictatuur (1976-1983), bij auteurs als Leopoldo Marechal, Roberto Arlt, Eduardo Mallea of Ernesto Sábato, die visionaire of satanische figuren tot leven wekken en de grote stad als symbolische ruimte nu eens op een realistische, dan weer op een fantastische manier opvoeren. Hierbij valt op dat, alle doemscenario’s ten spijt, deze dystopische verbeeldingen nog vaak een utopische pendant hebben, zij het een minder vanzelfsprekende of minder geruststellende dan in de bijbelse voorbeelden : een of andere ontsnappingsroute die de vorm kon aannemen van een ‘locus amoenus’ in de natuur, een politieke verzetsbeweging zoals het anarchisme, grenzeloos vertrouwen in het wereldverbeterend vermogen van kunst, enz.

Ook auteurs als Gabriel García Márquez, Mario Vargas Llosa, Carlos Fuentes of Julio Cortázar, die tot de zogenaamde ‘boom’ behoren, de kosmopolitische vernieuwingsbeweging die de Hispano-Amerikaanse literatuur internationaal op de kaart plaatste, schreven opvallend veel proza met een hoog apocalyptisch gehalte. Zo wordt in García Márquez’ Honderd jaar eenzaamheid (1967) het fictieve Macondo op het eind door de toorn van de bijbelse orkaan weggevaagd, komt het in Vargas Llosa’s De oorlog van het einde van de wereld (1981) in Canudos tot een krachtmeting tussen de sympathisanten van de Messiaanse hoofdfiguur en de Braziliaanse Republiek, en confronteert Cortázar in het zich hoofdzakelijk in Nicaragua afspelende verhaal ‘Apocalyps in Solentiname’ (1976) uit de bundel Een man die hier rondhangt het geweld van dictator Somoza met de ontluikende droom van het Sandinisme. Over het algemeen wordt bij deze auteurs het geloof in een betere wereld nog niet helemaal losgelaten.

Zo geschetst, volgt de evolutie van de Hispano-Amerikaanse literatuur grosso modo het gestage seculariseringsproces dat Frank Kermode in The Sense of an Ending kenmerkend acht voor de hele westerse kunstproductie. Volgens hem ligt de cesuur in de 18e-eeuwse Verlichting, want van dan af aan houdt de crisis op als eenmalig en overwinbaar opgevat te worden, en wordt die integendeel beschouwd als een permanente aangelegenheid. De grote hoop die tijdens de negentiende eeuw op de wetenschap was gevestigd zorgt nog even voor respijt, maar vanaf de twintigste eeuw met zijn twee wereldoorlogen is er geen houden meer aan, en zijn de ondergangsvisioenen in de meerderheid, hoewel de jaren zestig wel voor een opleving van het utopische gedachtegoed zorgden.

In de laatste decennia van de twintigste eeuw neemt de benadering van de Apocalyps alweer een nieuwe wending. Naast belangrijke paradigmawissels in het denken, zoals de overgang naar het postmodernisme en de invloed hiervan op de kunst, vallen hiervoor allerlei feitelijke factoren aan te wijzen, die er globaal gesproken voor gezorgd hebben dat de Hispano-Amerikaanse maatschappijen steeds gewelddadiger zijn geworden, en dat het besef heeft postgevat dat het uit Europa geïmporteerde moderniserende beschavingsproject heeft gefaald. Allereerst krijgen vele van deze samenlevingen af te rekenen met genadeloze militaire dictaturen (denken we maar aan de niet te onderschatten rol die de Zuid-Amerikaanse elfde september heeft gespeeld in het aan diggelen slaan van de socialistische droom, namelijk 11/09/1973, de dag waarop Salvador Allende werd afgezet door Augusto Pinochet), met alle politieke en ethische gevolgen daarvan. Maar ook op andere vlakken is de Apocalyps steeds meer een dagelijkse werkelijkheid geworden, door de onleefbaarheid van de megasteden (zoals Mexico-City of São Paulo), de vervuiling en de ecologische catastrofes die daaruit voortvloeien, de georganiseerde misdaad en het oprukkende geweld (drugshandel en huurmoordenaars in Colombia), epidemieën als aids, de gevolgen van het brutaal ingeplante neoliberalisme en de globalisering (die bij voorbeeld in december 2001 in Argentinië voor een ongeziene economische ineenstorting zorgde) of de razendsnelle ontwikkeling van de technologie, waardoor het individu alle controle dreigt te verliezen. Deze situatie weerspiegelt zich in het bijzonder in de ontwikkeling die de stad heeft doorgemaakt: deze is niet langer een publieke ruimte die streeft naar een nobele invulling van begrippen als burgerschap, maar veeleer een dichtgeslibde, van geweld en nieuwe vormen van armoede doordrongen Hoer van Babylon.

In zijn artikelenreeks Los rituales del caos (1995) heeft de Mexicaanse essayist Carlos Monsiváis het concept ‘postapocalyptisch’ geïntroduceerd om deze hedendaagse, uit haar voegen barstende polis aan te duiden, waarmee hij wil zeggen dat de gevreesde Apocalyps inmiddels heeft plaatsgevonden. In die visie verandert de voorheen altijd in de toekomst gesitueerde ondergangsgedachte op een paradoxale manier in een soort flash back. Al deze ontwikkelingen hebben ook hun weerslag gevonden in de literatuur, al kan die natuurlijk nooit als een rechtstreekse, klakkeloze afgeleide van de socio-economische context fungeren.

Waar Lois Parkinson Zamora in haar studie Writing the Apocalypse: Historical Vision in Contemporary U.S. and Latin American Fiction (1989) nog gewag kon maken van grote verschillen tussen de Noord- en de Hispano-Amerikaanse manier van omgaan met de apocalyptische verbeelding, zien we hoe beide subcontinenten tijdens de laatste twee decennia naar elkaar toegroeien. Ook in de Hispano-Amerikaanse literatuur hebben de concepten uit de chaostheorie (zoals dat van de entropie, dat Parkinson Zamora bij Pynchon waarneemt, en dat een aantal basisgegevens uit de oorspronkelijke Apocalyps onderuithaalt) ingang gevonden, en zijn herschrijvingen van elementen uit de sciencefictiontraditie zoals gangbaar bij Philip K. Dick inmiddels schering en inslag. Terwijl schrijvers in de jaren ’70 en ’80 hoofdzakelijk een verklaring voor het dictatoriale geweld zochten in de geschiedenis – wanneer was het immers mis beginnen gaan met Latijns-Amerika? – , met een indrukwekkende opleving van de historische roman tot gevolg, wordt er sinds de jaren negentig druk geëxperimenteerd met SF en cyberpunk, vanuit de constatering dat die zo gevreesde toekomst al werkelijkheid is geworden en dat willekeur en barbarij troef zijn. Het hoeft dus geen verbazing te wekken dat procédés en thema’s uit de SF tot de kern van het literaire systeem zijn doorgedrongen (bijvoorbeeld bij nog niet in het Nederlands vertaalde Argentijnse auteurs als Ricardo Piglia of Marcelo Cohen), en dat het utopische element zeker in de klassieke zin van het woord er nagenoeg uit verdwenen is.

In zijn goed gedocumenteerde studie After the End. Representations of Post-Apocalypse uit 1999 (dus nog vóór 9-11) staat James Berger stil bij dit postapocalyptische klimaat, en bij de wijze waarop de Noord-Amerikaanse literatuur omgaat met deze wezenlijke paradox. Want hoewel of misschien juist omdat het einde niet kan worden gerepresenteerd, en er ná dat einde per definitie niets meer kan komen, is het gestalte geven aan wat zo’n ramp teweegbrengt en hoe er na een zwaar traumatische gebeurtenis kan worden voortgeleefd en voortgeschreven juist een bijzonder interessante oefening die alle gangbare en voorstelbare denkpatronen op de helling zet.

Als het ‘einde van de wereld’ staat te gebeuren of onder onze ogen plaatsvindt, heeft een dergelijke ingrijpende wijzing ook verregaande gevolgen voor onze hermeneutische categorieën. Sommige auteurs gaan zo ver te stellen dat elke stabiele betekenis ondermijnd is geraakt, wat de literaire communicatie als zodanig zwaar bemoeilijkt. Het creëren van personages, de discursieve structuren, de verhoudingen tussen auteur, tekst en lezer, de stijl… , alles moet eraan geloven in een recente stroming binnen hoofdzakelijk de Argentijnse literatuur die absurditeit centraal stelt, en de poging van lezers tot zingeving systematisch, en met veel gevoel voor ironie, onderuithaalt. Gangmaker van deze trend is César Aira, van wie recentelijk bij De Geus één boek in het Nederlands werd vertaald, De nachtelijke invallen van ambtenaar Varamo, maar wiens literaire project eigenlijk pas zichtbaar wordt als zijn vele voornamelijk dunne deeltjes proza na elkaar worden gelezen. Terwijl het in een totaalroman als De oorlog van het einde van de wereld van Vargas Llosa nog mogelijk was vanuit een bijbelse achtergrond de hele betekenisstructuur van het werk te doorgronden, worden bij Aira en de zijnen mythes als de Apocalyps volledig getrivialiseerd, en herleid tot een radertje in een vertelmechaniek.

Zoals gezegd heeft de door Monsiváis vooropgestelde post-Apocalyps zich niet enkel in Mexico voltrokken, maar ook in andere delen van Latijns-Amerika, denken we maar aan het door geweld geteisterde Colombia of het Chili en Argentinië van na de militaire dictaturen. Twee figuren, van wie in dit themanummer een fragment is opgenomen, hebben een voortrekkersrol gespeeld in deze overgang van overwegend apocalyptische naar overwegend postapocalyptische verbeeldingen, namelijk de al meer dan dertig jaar in Mexico wonende Colombiaan Fernando Vallejo (°1942) en de jonggestorven Chileen Roberto Bolaño (1953-2003). Allebei hebben ze een krachtig en zeer persoonlijk oeuvre gebouwd op de ruïnes van de westerse beschaving. Hun werk stelt ook belangrijke ethische en kunstfilosofische kwesties aan de orde, zoals de zin van literatuur en kunst in een postapocalyptische samenleving, of de relatie tussen avant-garde en geweld.

Fernando Vallejo had al de vijfdelige autobiografische romancyclus El río del tiempo op zijn actief toen hij internationale erkenning kreeg met zijn roman La virgen de los sicarios uit 1994 (Nederlandse vertaling: De Madonna van de moordenaars bij De Geus). De doorbraak kwam er vooral onder impuls van de in 2000 uitgebrachte verfilming door Barbet Schroeder onder de titel Our Lady of the Assasins. Het verhaal speelt zich af in Medellín, de thuishaven van Colombia’s grootste drugsbaas Pablo Escobar, in een samenleving die ook na diens dood wordt beheerst door het geweld van jonge huurmoordenaars die schieten op al wat beweegt. Ironisch genoeg wordt de verteller en hoofdpersoon, die oud, hoogopgeleid, homoseksueel en verbitterd is en helemaal gemodelleerd naar Vallejo zelf, verliefd op zo’n huurmoordenaar of ‘sicario’, de zestienjarige Alexis. Om zijn minnaar te plezieren begint Alexis een kruistocht tegen alles wat in Colombia fout loopt, gaande van de politiek over de katholieke kerk die voorplanting predikt tot de vrouw die de misdaad begaat kinderen te baren zodat de nachtmerrie nooit ophoudt. Alexis treedt hier op als het uitvoerende verlengstuk van de verteller, die het huidige Colombia vergelijkt met dat uit zijn kinderjaren, en het zo verloederd vindt dat het alleen nog maar aan de schandpaal kan worden genageld. Zelf voelt hij zich overigens een levende dode, die met bijtende spot uiting geeft aan zijn onverholen woede. De kracht van De Madonna van de moordenaars is geheel gelegen in Vallejo’s persoonlijke stijl en kolkende, provocerende verteltrant die op onnavolgbare wijze de Colombiaanse ontsporing tot uitdrukking brengt.

Voor dit nummer viel de keuze op het openingsfragment uit de roman La Rambla paralela (2002), het hilarische verslag van het bezoek dat een oudere Colombiaanse schrijver (alweer een alter ego van de auteur) brengt aan een boekenbeurs in Barcelona waarop hij is uitgenodigd. Elke dag loopt de schrijver van zijn hotel naar de plek waar de boekenbeurs wordt gehouden, of liever: hij laat zich meevoeren door de mensenmassa die zich niet aflatend over de Barcelonese Rambla voortbeweegt, en die tegelijk in zijn hoofd een associatieve, chaotische stroom van herinneringen op gang brengt aan het Arcadië uit zijn prille jeugd. Ook deze verteller voelt zich meer een overlevende dan een levende: de dagelijkse gang over de Rambla rijt zijn wonden open en maakt hem scherp bewust van het feit dat hij al zijn dierbaren kwijt is geraakt, en veranderd in een ontheemde die geen uitstaans meer heeft met de hel van deze wereld.

Een tweede ‘apocalyptisch’ fragment is een voorpublicatie uit de volgend jaar bij Meulenhoff te verschijnen postuum gepubliceerde en meer dan duizend pagina’s tellende roman 2666 van de Chileen Roberto Bolaño, die in 2003 aan een leverziekte stierf en inmiddels in snel tempo tot een cultauteur is uitgegroeid. Als heuse wereldburger (hij woonde achtereenvolgens in Chili, Mexico en Catalonië) zocht hij aansluiting bij de historische avant-garde, en trachtte hij met zijn ambitieuze radicaliteit en zijn verfrissende denkbeelden de Latijns-Amerikaanse literatuur uit het slop van angstvallige kleinschaligheid en nivellerende commercialisering te halen.

Behalve de al eerder, eveneens bij Meulenhoff, in het Nederlands verschenen romans De woeste zoekers, Het lichtende kwaad en Chileense nocturne heeft Bolaño verhalen, essays, gedichten en artikelen geschreven. In Chileense nocturne stelt hij een thema aan de orde dat hem niet losliet, namelijk het verontrustende samengaan van esthetische schoonheid en ethische perversiteit. Dit vaak voorkomende monsterverbond deed hem huiveren voor een te ver doorgedreven autonomie van kunst, en bracht hem ertoe te onderzoeken welke houdingen intellectuelen zoal aannemen tegenover de macht. Sommigen, zoals de personages uit De woeste zoekers, storten zich vol overgave in een irrationeel avontuur zonder hun idealen te verloochenen. Carlos Wieder, de antiheld uit Het lichtende kwaad, kiest resoluut voor geweld en wreedheid. De hoofdfiguur uit Chileense nocturne, de priester Sebastián Urrutia Lacroix, tevens dichter en door het establishment gesteund criticus, mist dan weer elke grootheid, en collaboreert op een passieve, lafhartige manier met de militaire junta in zijn land. Op zijn sterfbed maakt hij de weinig fraaie balans van zijn leven op. Nu eens ijlend, dan weer helder van geest, laat hij herinneringen aan zijn contacten met de literaire wereld enmet de kopstukken van het Pinochet-regime de revue passeren. Een van de meest schrijnende scènes is die waarin schrijfster María Canales literaire soirees houdt in haar huis in Santiago boven de kelder waar haar man overdag politieke gevangenen foltert. Een zwarte bladzijde uit de Chileense geschiedenis groeit onder Bolaño’s pen uit tot een parabel over totalitarisme in het algemeen, en de beklemmende, visionaire sfeer die ermee samenhangt.

In 2666 – het cijfer 666 in de titel bevat een niet mis te verstane verwijzing naar de Apocalyps – breidt het kwaad zich uit over de hele Westerse wereld en de hele twintigste eeuw om tenslotte uit te monden in de monsterlijke stad Santa Teresa (in werkelijkheid Ciudad Juárez), die de grens vormt tussen Mexico en de V.S..Via een ingewikkelde structuur, die in de inleiding bij het hierna gepubliceerde fragment wordt toegelicht, slaagt Bolaño erin alle verhaalsdraden te laten samenvloeien in dit Santa Teresa, waar dag na dag onschuldige vrouwen om onachterhaalbare en nog steeds niet opgehelderde redenen worden vermoord. Alle hoofdrolspelers uit de roman komen er terecht, ook de verzonnen Duitse schrijver Benno von Archimboldi, die betrokken is geweest bij de gruwelen van nazi-Duitsland. Santa Teresa groeit hierdoor uit tot de apotheose in de orgie van geweld waar de twintigste eeuw bij nader inzien op neerkwam, van Duitsland tot Mexico. Een van de technieken die Bolaño gebruikt, en die in het vierde deel van de roman zijn hoogtepunt bereikt, is een soort hyperrealisme, het tot in de kleinste details beschrijven van de verminkte lichamen van de tientallen vermoorde jonge vrouwen waarmee de politie in aanraking komt. Het ontregelende effect dat de auteur hiermee bereikt is cumulatief en hyperbolisch: de lezer moet de roman op gezette tijden wegleggen omdat zijn weerzin te groot is geworden en hij gewoon niet verder kan. De niets ontziende opsomming verleent de roman de kracht van een bezwerende litanie: deze onschuldige jonge vrouwen belichamen in de letterlijke zin van het woord alle slachtoffers van om het even welk soort geweld uit de voorbije eeuw. Bij Bolaño is de Apocalyps definitief ontdaan van elke magische of allegorische connotatie, en afgegleden naar een rauwe werkelijkheid. Met de summa die 2666 is, wordt een triest orgelpunt bereikt, en lijkt een cyclus voorgoed afgesloten.

Lees Verbeeldingen van de Apocalyps in de hedendaagse Hispano-Amerikaanse literatuur nog eens na op papier: koop hier Verhalen van verval.


Lees ook:
FERNANDO VALLEJO: De evenwijdige Rambla
ROBERTO BOLAņO: 2066 – Het deel van de doden


Print deze pagina  Email deze pagina  Download deze pagina 
Reacties  E-mail updates



UITGEBREID ZOEKEN

KAFKA!
KOERDISCHE LITERATUUR
VERHALEN VAN VERVAL
OPEN SOURCE EN SAMPLING
ROMANIAN RHAPSODY