JAN BETTENS: Vlaamse profeten, Dystopie en Apocalyps in de Zuid -Nederlandse roman
Er bestaat een rijke anderstalige en vooral Angelsaksische dystopische en apocalyptische
literaire traditie, maar ook in de Lage Landen hebben een paar schrijvers zich
de voorbije decennia gewaagd aan allerhande doemdenkscenarios, (post)apocalyptische
toekomstvisioenen of cultuurpessimistische grotesken. De bekendste Noord-Nederlandse
vaandeldrager blijft ongetwijfeld Bordewijks Blokken, generaties lang al een
verplicht leeslijstnummertje. Met zijn gewapend-beton-stijl beschrijft
Bordewijk in deze korte roman een totalitaire staat die elk individualisme genadeloos
onderdrukt. Het kan onder andere gelezen worden als een satirische en pessimistische
reactie op de toenmalige communistische en stalinistische ontwikkelingen in
de Sovjet-Unie. Blokken verscheen al in 1931, één jaar voor het
Angelsaksische dystopische icoon Brave New World van Aldous Huxley het interbellumse
daglicht zag. Bordewijk was trouwens niet mals voor de roman die zijn Britse
confrater uiteindelijk wereldberoemd zou maken. Het boek is ondoorleefd,
valsch, onaanvaardbaar en een enorm prul is jaren later zijn weinig complimenteus
commentaar op deze klassieke evocatie van een technocratische dystopie.
De jaren dertig zijn ook in Vlaanderen vruchtbare doemdenkende jaren. Zo liet
Victor J. Brunclair zich in de visionaire roman De monnik in het
Westen (1930) net als Bordewijk inspireren door de Russische revolutie die met
Stalins totalitaire regime de hoop van menig idealist op een socialistische
heilsstaat definitief de grond in boorde.
Theo Huet schreef rond 1933 met De Vredemensch in t Jaar 3000 een heuse
antikapitalistische toekomstroman. Anderzijds anticipeerde het boek op de installatie
van een paar opkomende totalitaire regimes in het Europa van tussen de twee
wereldoorlogen (Hitler, Mussolini, Stalin).
Paul Kenis maakte tussen 1907 en 1909 dan weer daadwerkelijk deel uit van een
idealistische anarchistische kolonie in de Franse Ardennen. De mislukking van
dat maatschappelijke experiment fictionaliseerde hij in 1930 tot de roman De
Apostels van het Nieuwe rijk. Van een echte dystopie is hier echter geen sprake.
Luk De Vos en Ludo Stynen rekenen Paul Kenis in hun interessante opstel Maatschappij
tussen hervorming en nachtmerrie in het Zuidnederlandse utopische schrijven
(Ons Erfdeel, 1981) tot de gedesillusioneerde illusionisten. Walschap, met zijn
profetische romandebuut Waldo (1929), en Boon, met de doodlopende
utopie Vergeten straat (1947), zijn iets bekendere voorbeelden.
De ondergangsliteratuur die vanaf de jaren 30 ontstond onder invloed
van de sociaal-economische, wetenschappelijke en cultuurfilosofische veranderingen
was echter niet het alleenrecht van de zogenaamde cultuurpessimistische progressieven.
Een paar Vlaamse, bijbels geïnspireerde schrijvers zochten letterlijk hun
heil in de apocalyptische variant. De titels van die romans spreken in elk geval
tot de verbeelding: Het Einde der Wereld (Jef Schreirs, 1930), Morgen. De verdelging
van Antwerpen (Maurits Peeters, 1933), God en de Wormen (Anton Van de Velde
1948), God in de strop (Cor Ria Leeman, 1955).
De grauwe gruwel en verschrikking die de mensheid er soms in te verduren kreeg
was niet min. Maar zoals dat paste bij de Bijbelse ondergangsromans van die
jaren moest de eschatologische epiloog de arme gelovige drommels toch nog snel
een blik op het paradijs gunnen. Van enige zelfbestemming mocht dan geen sprake
zijn, de verlossing lag altijd wel op de loer. De filosoof van Haaghem, zoals
Schreirs wel eens wordt genoemd, heeft zijn bekeringsdrang dan ook nooit onder
stoelen of banken gestoken: Ik heb nooit geschreven voor de kunst, voor
de literatuur, voor de vorm of de techniek... Ik schreef voor mijn volk, om
dat schoon, goed, beter, zedelijk gaver en christelijker te maken...
Met dat nobele streven voor ogen combineerde Schreirs in Het Einde der Wereld
gezwind zowel sacrale als wereldlijke profetieën, die anno 2007 geamuseerd
de wenkbrauwen doen fronsen. Dat kan ook haast niet anders als er naast de natuurrampen
en Brave New World-achtige toestanden letterlijk voorspellingen
in staan zoals de opknooping van Boudewijn Belgisch en laatsten koning
der aarde in 1979.
Het curieuze boekje Morgen, De verdelging van Antwerpen van de verder
vergeten Maurits Peeters is beslist ook een aanrader voor wie houdt van laat-expressionistisch
proza en apocalyptische
taferelen in het Antwerpen van de jaren 30. Adam en Eva overleven als
bij wonder een bommen- en gascatastrofe. In hun flat op de 23ste verdieping
van het Antwerpse Torengebouw rouwen ze om hun omgekomen zoontje Kaïn,
ontfermen ze zich over het weesmeisje Nelleke en proberen ze voorts de barre
winter te overleven in de dodenstad: En op de 23e verdieping van het Torengebouw,
met jagenden en hijgenden ontblootten boezem, happend, snakkend naar lucht,
met dorstige, schroeiende keel, angstig verwilderde oogen en krampachtig getrokken
wezen, lijk twee opgesloten razende beesten, hopeloos en radeloos en waanzinnig,
liepen Adam en Eva heen en weer hun vertrek
terwijl op den grond, t
aangezicht tegen den vloer, darmtjes wijd open en de beenen alsof hij
aan t zwemmen was, t gestikte lijk lag van hun eenigen zoon Kaïn.
Zoals dat hoort in een Bijbelse parabel varen ze in de lente de Schelde af en
bereiken uiteindelijk een sprookjesachtige Kempense boerenwoning. Een zoon wordt
geboren: Abel. En het nieuwe leven kan beginnen. Geloof, Hoop, Liefde.
Drie lichten in de duisternis is dan ook het niet mis te verstane motto
van dit eigenaardige en soms onbedoeld vermakelijke kleinood. Peeters
roman is in al zijn ernst nochtans geïnspireerd op de nauwelijks verteerde
nachtmerrie van WOI en de daaropvolgende escalerende bewapeningswedloop.
Minder goddelijk en vergeten zijn de dystopische romans van de jaren 60
en later. De eschatologie ruimt plaats voor geëngageerd en maatschappijkritisch
doemdenken. Jos Vandeloo voorspelde in Het gevaar (1960) de nefaste effecten
van kernenergie, terwijl Het reservaat (1968) van Ward Ruyslinck laat zien waar
de aberraties van een absolutistische Nut- en Winststaat toe kunnen leiden.
Hugo Raes is een ander prozaschrijvend relict uit een niet zo ver verleden die
zich thuis voelde in de antiutopie (De Lotgevallen, 1968/Reizigers in de Anti-Tijd,
1970/De Verwoesting van Hyperion, 1978). In al die werken staan de ontmenselijking
van de maatschappij door de wetenschappelijke vooruitgang en het verval van
de morele waarden centraal.
Stijnen en De Vos die in hun essay de inventaris opmaken van dikwijls
vergeten utopieën en hun meestal intrigerende tegendelen, en tegelijkertijd
de historische en maatschappelijke mechanismen blootleggen die er aan ten grondslag
liggen onderscheiden in hun overzicht naast de theoretische en volksopvoedende
utopie, de apocalyptiek en de moderne dystopie ook nog de fantapolitica. Daarin
wordt een niet zoverre toekomst geportretteerd die kan gelezen worden als een
satire of kritische groteske op de toen actuele maatschappelijke of politieke
toestand. De politiethriller en intussen door de tijd ingehaalde
toekomstroman De coltmoorden (1980) van Jef Geeraerts wordt als beste
Vlaamse voorbeeld geciteerd. Geeraerts roman speelt zich af in 1990. België
wordt gecontroleerd door de rijkswacht en het efficiënte politieapparaat
maakt van privacy en democratie loze begrippen. Binnen die paranoïde politieke
context probeert kapitein-commandant Willy Velge een onverkwikkelijke moordzaak
op te lossen. In deze politieke thriller is de maatschappijkritiek dan ook niet
van de lucht.
De Vlaamse literaire onheilsprofeten van deze tijd zijn al evenmin lichtgewichten.
O.a. Peter Verhelst, Elvis Peeters en Yves Petry hebben aan het begin van het
nieuwe millennium met een paar heel diverse maar stuk voor stuk eigenzinnige
romans de dystopische toon alvast gezet.
Van een klassiek engagement à la jaren 70 vind je in een roman
als Tongkat (1999) niets meer terug, daarvoor ontbreekt een boodschap
of enige kritische reflectie. En toch gaat Verhelsts gelauwerde apocalyptische
roman over de suïcidale neigingen van het vooruitgangsideaal van wetenschap
en technologie, over hoe idealen leiden tot dictaturen, over terrorisme en revolutie,
over hoe orde en chaos elkaar voeden en in stand houden. In het van bloed doordrenkte
Niemandsland waarin de vertellingen van Tongkat zichzelf om zeep helpen, slaat
de wil tot perfectie onherroepelijk om in falen, in destructie. Alles wordt
tegendeel. De afstandelijkheid en abstractie van Tongkat verdwijnt in de dystopische
krachttoer Zwerm (2005). Komt het met de sinds 9/11 en 7/7 door angst en paranoia
besmette samenleving nog wel goed? Geen mythes en sprookjes deze keer. In de
plaats daarvan een splinterbom van fragmenten uit de moderne wereldgeschiedenis.
De ondertitel, Geschiedenis van de wereld, is in al zijn pretentie dan ook absoluut
toepasselijk. Verhelst heeft in dit boek zijn afkeer voor engagement overwonnen.
Als eerste in ons taalgebied waagt hij zich aan een groot en gedurfd eigentijds
portret van een samenleving op een scharniermoment. De perfide beeldenstroom
in dit veeleisende en complexe boek ontspruit deze keer maar voor een klein
deel uit de verbeelding van de schrijver. Ze is hoofdzakelijk geënt op
de werkelijkheid zelf, ontwricht als die is. Het besef vooral dat vele van de
waanzinnige gebeurtenissen ook echt, buiten de literatuur, hebben plaatsgevonden
of nog altijd plaatsvinden, maakt de lezing van de roman dubbel confronterend
en ontredderend.
Veel bescheidener van opzet en stilistische uitwerking maar minstens zo doeltreffend
is De ontelbaren (2005). De migratierealiteit aan het begin van dit millennium
is de aanleiding voor Elvis Peeters om een asgrauw toekomstvisioen te bedenken.
De nachtmerrie van Fort Europa en het schrikbeeld van vele Vlaamse stemmers
wordt in deze roman bewaarheid. Het rijke Westen krijgt in de roman plotseling
letterlijk af te rekenen met miljoenen vluchtelingen. Elvis Peeters slaagt er
via deze fictieve, bijna apocalyptische uitvergroting van de realiteit in, de
zere plekken van onze huidige Westerse maatschappij bloot te leggen. Die gedurfde
dissectie en de genadeloze confrontatie met de harde realiteit maken van deze
dystopie ook een geëngageerde en allesbehalve vrijblijvende roman.
Evenmin vrijblijvend maar van een totaal andere soort is de onheilstijding
die Yves Petry je voorschotelt in zijn laatste roman De achterblijver
(2006). Voor de verteller Gram Goetleven is het technologische doemdenkscenario
waarin de mens uiteindelijk tot machine wordt herleid, het beloofde land: Niet
langer een mens onder de mensen te moeten zijn, maar wel een machine onder de
machines, het leek me een hoogst aangename transformatie. Een uiterst gesofisticeerd
functioneren zonder ziel zou me geen moment vervelen. Als ICT-specialist
werkt hij mee aan zon verknipte supercomputer die de mens moet reduceren
tot achterblijvers: Wij zien het nog een tikkeltje grondiger en streven
ernaar om de hele onpraktische mens achter ons te laten en te vervangen door
een praktisch onfeilbaar systeem. Als blijkt dat zijn kwalijke machinale
Übermenschfantasie wordt stukgeslagen is s mans crisis compleet.
Maar precies omdat Yves Petry zijn fundamentalistische en nihilistische romanheld
onzacht laat kennismaken met het menselijke en het eigen on-menselijke falen,
is de boodschap van dit boosaardige boek niet helemaal zonder hoop. Het huiveringwekkende
toekomstvisioen overtreft weliswaar makkelijk de hedendaagse excessen, maar
het is niet vrijblijvend en is opvallend verankerd in onze 21ste-eeuwse realiteit.
Het dystopische gefantaseer over de toekomst was, is en blijft een goudmijn
voor schrijvers en andere door de werkelijkheid gealarmeerde profeten, in Vlaanderen
en ver daarbuiten. In vele gevallen mogen we hen daar dankbaar voor zijn. Al
mag Gram Goetleven daar dan graag anders over denken:
Dat krijg je ervan als je artiesten, cineasten, scenaristen laat fantaseren
over de toekomst. Wellicht met het oog op de verkoop blijft het allemaal zo
onverbeterlijk menselijk. Het is net als met Bitschkowkas cyborg. Wat
is nu overbodiger dan een technologie die van de mens alleen maar een nóg
rumoeriger en nóg zelfingenomener wezen maakt? Laten we liever een technologie
bedenken die de mens de mond snoert.
Lees
Vlaamse profeten. Dystopie en Apocalyps in de Zuid-Nederlandse roman
nog eens na op papier: koop hier Verhalen van verval.
Print deze pagina
Terug