Toen wij aankwamen, gekromd onder de vracht van onze schuld en de schande van
onze bezittingen, bleek dat enkelen ons al waren voorgegaan. Op hoge staken,
gemaakt uit de vele palen die we in ons vorige leven overal in het landschap
hadden neergepoot, of uit de minder zieltogende bomen, verhieven zich hun kelken
al, waaruit hun gejammer zwak tot ons doorklonk.
In hun schaduw wierpen we alles op de grond en pakten ieder een grote, nog
juist hanteerbare steen. Daarmee beukten we op onze eigendommen in tot er niets
van over was dan een vlakke, grauwe koek, opvallend klein van omtrek maar stevig
en samenhangend genoeg om ons verdere leven te dragen. Die vouwden we tot onze
eigen kelken. Vervolgens zochten we voor onszelf een van de staken uit en klommen
met kelk en al naar boven, vastbesloten de grond nooit meer met onze voetzolen
te schenden.
In de dagen daarna begonnen zich de contouren van ons nieuwe leven af te tekenen.
We lieten onze steeds kariger uitwerpselen drogen en stookten daarmee kleine
vuurtjes. We wreven onze huid schoon met de kristallen waarin onze urine stolde.
We voedden ons met de enkele bladeren die onze kelk binnendwarrelden, of met
de insecten die op het vuil neerstreken. Ons schuldbesef had niet veel nodig
om op te teren.
Met hun laatste krachten kaatsten sommigen van ons hun kreten over de kelkranden
en maakten hun gedachten aan de anderen kenbaar. We moesten ook de lucht sparen.
We moesten ook het afval zijn plek gunnen. Voordat ze hun argumenten uiteen
konden zetten, waren hun verschillen in filosofie al gereduceerd tot een uitstel
van uren of dagen. We hielden vol.
De zon verhitte het metaal in onze kelken, waaraan wij onze huid brandden,
deed het plastic smelten en weglekken. De kou vroor onze huid aan hun oppervlak
vast. Stilte en afzondering ondermijnden ons aanvankelijke vertrouwen in elkaar.
De geluiden die we opvingen schenen ons de doodskreten van verschalkte dieren
toe, het kermen van plantaardig leven, of de laatste reutel van onze metgezellen.
De beknelling van onze kelken belemmerde ons denken. Twijfel en waan overwoekerden
onze waarneming. Maar we hielden vol.
Onze huid teerde in. Velen van ons hadden het gevoel dat ons lichaam zich aan
onze nieuwe overtuigingen aanpaste. We kwamen makkelijker toe met het beschikbare
voedsel. Onze stofwisseling belastte de omgeving minder. En hoeveel konden er
nog over zijn van ons getal? Was het niet raadzaam te zorgen dat onze moeizaam
verworven kennis niet verloren zou gaan? Om te voorkomen dat andere diersoorten
dezelfde fouten zouden maken als wij? In het diepst van de nacht, zonder geluid
te maken, klommen de eersten van ons hun kelken uit en klauterden naar beneden.
Het gras sneed aan onze voeten.
Lees
De kelken nog eens na op papier: bestel hier Verhalen van verval.