Mijn naam is Victor van Gigch en ik wil dood!
Ik heb er genoeg van!
Vandaag of morgen zal ik verdwijnen, als een oude en eenzame soldaat, als de
moegestreden korporaal uit het commando van de auteur LHW, wiens naam ik niet
meer horen kan, die mooiprater, 'die nooit helemaal echt schrijver is geworden,
maar altijd leraar is gebleven', zoals de criticus Max Pam onlangs terecht opmerkte.
'Een leraarsbaantje is niet iets waardoor het aanzien van een schrijver stijgt.
Een leraarsbaantje is voor iemand die overdag zijn talent vergooit en 's avonds
of in de vakanties probeert in te halen wat hem werkelijk bezighoudt.'
En zo zit het precies!
Oh, hoe haat ik die zondagsschrijver, die rustig aan zijn pensioen verder
bouwt, jaarlijks tevreden zijn vakantiegeld opstrijkt, om daarna met de twintigjarige
Quirina Taselaar, een vroegere leerlinge van hem godbetert, weg te zeilen op
de Archimedes, zijn 'stalen sarcofaag', terwijl hij mij als katvanger achterlaat,
mij, ik, Victor van Gigch, de sukkel en de loser, de 'paranoïde zwartbloed-misantroop',
zogenaamd verslaafd aan het Koningswater en de Vrouw, jawel.
Maar nu is het genoeg, na veertig jaar vernedering!
In dit verhaal maak ik er een eind aan, dat is een verworven recht.
Ik zal hem nog eenmaal recht aankijken en dan de deur voor altijd dichtsmijten
in zijn gezicht!
Nu ik dit denk is het 10 november 2006, 03.07.
Ik ben zojuist uit bed gekomen, min of meer woedend, in ieder geval uit mijn
doen, in ieder geval kon ik niet meer slapen. Ik heb in de keuken een pot thee
gezet en ben de tuin ingelopen. Het is een heldere sterrennacht. Heerlijk fris
en windstil, met hier en daar een whisp of cloud. Excuus voor het Engels, maar
ik word ook zo vaak opgescheept met die rol van leraar 'aan het Lourens Coster
gymnasium te Haarlem' dat het vakidioom soms naar mijn eigen vocabulaire doorsijpelt.
Het natte gras lag bezaaid met dode bladeren, de meeste van de perenboom,
waartegen ik een dampende plas heb gedaan. Eerder op de avond stond die LH daar
ook, met een glas whisky in zijn hand, een bel Koningswater, Highland Mist,
zijn favoriete merk, dat ik niet meer door mijn strot kan krijgen. Hing is een
beter woord dan stond. Eerder op de avond hing die Lul Hannes daar tussen de
takken. Hij lalde een lied, een soort zelfgemaakte fado, waar werkelijk niets
van klopte. Je schaamde je voor de buren. De tuindeur van mevrouw Goudsmit ging
dan ook een moment open, maar ze zei verder niets. Ga naar binnen Lul, dacht
ik toen, ga naar binnen en slaap je roes uit. Het is toch niet meer dan natuurlijk
dat dat meissie weer weggelopen is. Ze kwam en ze ging. Wat wil je anders met
een leeftijdsverschil van tweeënveertig jaar!
Ik heb de pot thee met toebehoren op een dienblad mee naar boven genomen
en ben achter de tekstverwerker gaan zitten, zijn tekstverwerker. Ik start hem
op en zoek in Zijn Documenten naar het verhaal Habitare necesse est. Latijn,
weet je wel, omdat hijzelf maar 'een middelmatige HBS-er' was. Een 'epitheton',
geleend uit het werk van Gerard Kornelis van het Reve, waarmee hij in zijn eigen
werk nog koketteert ook, uit louter kift dat hij geen gymnasiumopleiding genoten
heeft. Vandaar dat hij er nu leraar is, want wraak is zijn drijfveer.
Ik begin te lezen, maar ditmaal met mijn eigen ogen, mijn blik helder en
mijn visie ontdaan van effectbejag en onwaarachtigheid. Ik zal aan dit verhaal
verbeteren wat fout is en toevoegen wat ontbreekt. Eindelijk niet meer alleen
het vuile werk doen. Ik lees dit als schrijver, niet als alter ego, ik lees
dit als de man die ik ben. Dit verhaal is naast het verhaal dat het vertelt,
tevens mijn wilsbeschikking. Het is het definitieve demasqué van een
literaire poseur. Ik lees:
De eerste keer dat ik buurvrouw Goudsmit hoorde huilen zat ik te werken in
mijn schrijfhok. Het was een gedempt en in toonhoogte variërend kermen,
dat onmiskenbaar voortkwam uit een diepschrijnend verdriet. De weduwe Goudsmit
is hier onlangs komen wonen, toen het grote praktijkhuis aan het Kenaupark,
na het overlijden van haar echtgenoot, moest worden verkocht. Dat was onvermijdelijk
en zo ging het nu eenmaal in het leven. Het leven was eindig en voor haar en
haar man was het een rijk en mooi leven geweest. Zo heeft zij mij zelf verteld,
met die montere lach van haar. Dr. Goudsmit was een vooraanstaand zenuwarts
hier ter stede, zoals bekend, met zelfs internationale vermaardheid, zoals ik
inmiddels van zijn weduwe heb begrepen. Vele honderden congressen hebben zij
samen bezocht, waaraan zij dan een korte vakantie vastknoopten. Zo hebben deze
twee echtelieden samen gedurende meer dan veertig jaar, op een nuttige en tegelijk
aangename wijze, de wereld bereisd. Dulce et utile. Men zou er jaloers
op kunnen worden.
Of het waar is dat uitersten elkaar aantrekken, weet ik niet, maar ik kon het
met mevrouw Goudsmit van stonde af aan goed vinden, in tegenstelling tot de
vorige bewoner, een ijdele eikel, met wie ik binnen twee weken na oplevering
van het huis al ruzie had. De man lag namelijk dagelijks urenlang naakt in zijn
tuin te zonnen, ook als de zon nauwelijks scheen en dat terwijl iedere afrastering
nog ontbrak. Ik heb aan mannen niet per se een grotere hekel dan aan vrouwen,
maar een naakte man, met zo'n wiebelend ventiel, wekt mijn weerzin op, om niet
te zeggen mijn agressie.
Na haar intrek hier op nummer 39 wisselden mevrouw Goudsmit en ik weldra huissleutels
uit, voor het geval wij onze buitendeur onvoorzien achter ons zouden dichttrekken,
of om elkaar bij langere afwezigheid van dienst te kunnen zijn met de post of
de planten. Bovendien heeft zij de papegaai Jet en ik de poes Lolita-poes, die
in mijn boedel is achtergebleven na het weglopen van Carina Wijnberg, de moeder
mijner kinderen, en sedertdien verdwenen in de mist der mensen, zoals alle vrouwen
uit mijn leven.
Mannen en vrouwen zijn niet voor elkaar geschapen, al zouden hun lichamelijke
kenmerken anders kunnen doen vermoeden. Evenmin zijn mannen en vrouwen tot elkaar
veroordeeld, zoals wel eens wordt beweerd. Een extremere propositie plaatst
mannen en vrouwen tegenover elkaar als natuurlijke vijanden en men kan zich
afvragen of de kern van de zaak, the heart of the matter, hier niet heel
dicht benaderd wordt, gezien de welhaast dwangmatige wijze waarop beide soorten
elkaar bejagen.
Ik heb in mijn leven inmiddels heel wat vrouwen gehad, of zij mij, daar ben
ik nog steeds niet uit, want de strijd tussen man en vrouw blijft menigmaal
onbeslist en eindigt soms zelfs in liefde. Meestal niet. Meestal is het een
kat-en-muisspel, waarbij de rollen niet vastliggen, of op willekeurige momenten
kunnen omkeren. In sommige verhoudingen vormt dit zelfs het overlevingsmechanisme.
Nu, 'in de herfst van mijn leven', is het grootste leed wel geleden, naar ik
meen, zeker nu ik Quirina Taselaar het huis heb uitgezet, inmiddels drie weken
geleden. Ik heb haar bij het afscheid verboden nogmaals contact met me op te
nemen en daar heeft zij zich bewonderenswaardig braaf aan gehouden. Het zou
mijn dood betekend hebben, als ik haar aanwezigheid nog langer had geduld. En
niet mijn geestelijke dood, zoals in de meeste verhoudingen, maar mijn lijfelijke
dood, die weliswaar minder erg is dan mijn geestelijke, maar toch niet zeer
verbeid. Zeker, dat kontje was wel lekker en ze paste fellatio op me toe tot
ik sterretjes zag, maar juist daarom. De laatste maal dat ik haar consumeerde,
of zij mij, voelde ik in cohabitatione een onbestemde, maar ronduit akelige
druk in mijn schedel ontstaan, waarmee ik niet geboren ben en die ik plotseling
als levensbedreigend ervoer en op dat moment besloot ik dat ik deze natuurlijke
tekens niet mocht negeren.
[Hier, dit bedoel ik nu! Zich er bewonderenswaardig aan gehouden? Jij haar
het huis uitgezet? Grootspreker! Zij is zelf weggelopen, oude viezerik. Verbaast
dat je soms? Een meisje van twintig met een man van over de zestig! Je hebt
vanavond nog staan janken onder de perenboom, leugenaar! ' Oh, Quirina absolve
me!' Zal ik die smartlap nog eens voor je herhalen, perverse huilebalk? Ze
is gewoon een vriend van haar eigen leeftijd tegengekomen, wat dacht je dan,
sentimentele brulaap!]
Buurvrouw Goudsmit is een vriendelijke vrouw, een sterke weduwe, met een onverzettelijk
vertrouwen in haar medemensen en een onblusbare levenslust, die uitbundig van
haar afstraalt en alles wat zij aanraakt doet bloeien. Nu raken wij elkaar niet
aan, waarom zouden we, maar ik merkte dat ik zo nu en dan graag een praatje
met haar maakte en dat vond ik toch wel bijzonder. Dit laat zich ook anders
formuleren. En wel zo: de rust en de stilte die ik zocht drongen zich zo af
en toe toch ook wurgend aan mij op. Wat ik na een mislukt leven als schrijver
schreef, was goed en waar en authentiek en ga zo maar door, maar het stelde
niet het leven voor dat anderen konden herkennen, niet echt, het stelde slechts
het leven voor zoals ik dat zag. Maar zoals ik de dingen zag bood geen perspectief
dat iemand anders dan ik kon herkennen, of wilde herkennen. Dat is altijd al
zo geweest. Gelijk hebben is niet hetzelfde als gelijk krijgen en gelijk krijgen
onderhoudt geen enkele relatie met de waarheid. Iedereen die gelijk heeft weet
dat dit zo is.
L.H. WIENER (°1945) debuteerde in 1967 met de verhalenbundel Seizoenarbeid.
Hij schreef twaalf boeken, waarvan de roman Nestor (2002) werd met bekroond
met de F. Bordewijkprijs en de roman De verering van Quirina T. (2006)
werd genomineerd voor de AKO-literatuurprijs. Hij is als docent Engels werkzaam
aan het Stedelijk Gymnasium te Haarlem.