Melancholie,
een oud zeer

nr. 119 - December 2006

 

David Nolens
Freejazz van het eenzame lichaam

'Elle dort, nue, à sa place dans le lit.' (Marguerite Duras)

Anne veranderde om de zeven jaar van relatie. Dat had ook gevolgen voor Fabian die nu moest uitkijken naar iemand anders, want alleen leven kon hij niet. Dat ze hem de bons gaf, had hij niet voorzien. Eigenlijk was het heel eenvoudig en bijna zakelijk. Op een dag kwam hij thuis. Anne zat aan de tafel in een tijdschrift te bladeren. Ze keek op naar Fabian die in het trapgat stond. En hij zag meteen dat ze iemand anders was geworden. Ze sprak niet meer met hem, en als ze sprak, was het met een onbekende stem, die van een vreemde. Zeven dagen leefden ze langs elkaar heen. Toen vroeg Anne aan Fabian of hij het huis wilde verlaten, voorgoed. Met Anne had hij in een dorp gewoond. Gelukkig had hij nog het huis van Julia. Dat huis stond vlak bij het Centraal Station van Antwerpen.

Voor Fabian was het geen toeval dat Anne hem na zeven jaar verliet. Hij had zelf altijd relaties gehad die ofwel zeven dagen, weken, maanden en sinds kort ook jaren duurden. Zo had hij in het laatste jaar van de universiteit precies zeven weken met Jacob gevreeën, een slimme, mooie jongen die hem in de Griekse beginselen had ingewijd. Jacob kon hem als persoon niet echt bekoren. Ook dat ene lichaamsdeel waar het toen om ging, de penis als spiegelbeeld van zijn toenmalige identiteit, was bij Jacob onvolmaakt. Die penis, en hij zag het geslacht nog heel precies voor zich, was krom als een kleine, zoete, Afrikaanse banaan - en het duurde dus zeven weken voordat hij besefte dat hij met zo een penis geen gelijkwaardig gesprek, laat staan een langdurige, eerlijke liefde kon hebben. De penis waar hij naar verlangde was een penis die heel erg op die van hemzelf geleek, zodat hij als het ware zichzelf in de mond kon nemen, als een manier om wel heel diep thuis te komen, om door het spiegelglas in het beeld te stappen en zich definitief te omhelzen. Na zeven weken gaf hij Jacob de bons.

Iets later zat Fabian in de majestueuze bibliotheek aan het Ladeuzeplein te Leuven, terwijl hij werkte aan zijn eindverhandeling die ging over Confucius, belicht vanuit het Amerikaanse pragmatisme. Confucius bekoorde hem toen omdat de oude Chinees model stond voor een leven waarin elk gebaar, elk woord, elke houding werd afgestemd op een gepaste manier van samenleven met de anderen. Leven in een gemeenschap was voor Confucius bijna een kunstwerk dat van binnenuit in de mens langzaam tot voltooiing kwam. Fabian zag zichzelf graag als iemand die aan zijn voltooiing werkte. Hij keek bedachtzaam op naar de duizenden boeken die alle wanden bedekten en zag toen het meisje staan dat hem uitnodigde om samen te lunchen. Het meisje, dat Patrice heette, bleek al een jaar lang samen met hem college te volgen. Ze was eerder klein, slank, met zwarte krullen en een zenuwachtige bovenlip die trachtte de woorden af te blokken die onophoudelijk uit haar keel naar boven kwamen. Die woorden bleken, eenmaal in zinsverband geplaatst, erg intelligent, bijna van een betoverende intelligentie die hem deed duizelen van verstandelijk genot. Hij keek naar haar op. Nog diezelfde dag ging hij mee naar haar studentenkamer, onder het voorwendsel dat hij notities van haar zou inkijken. Ze zaten tegenover elkaar. Zij had haar benen gekruist en schoof wel erg opzichtig haar rok naar boven, zodat hij haar slanke dijen kon bewonderen. Eigenlijk vond hij haar, zo in haar geheel bekeken, niet erg aantrekkelijk. Hij vond haar te ruw, te hoekig, en op een of andere manier onecht. Er ontbrak aan haar iets wat hij koesterde in het beeld van de vrouw, als een zacht, ontvangend wezen, een soort zak van troost met de perfecte verhoudingen. Toen boog ze zich naar voren, kuste hem en nog geen tien minuten later zat hij in haar. Ze was erg wild, te wild voor hem en zijn gewoonten, zodat hij erg snel klaarkwam. En dat vond zij maar niks. Ze zei het hem ook: 'Nu al?' Vervolgens, en dat stuitte hem heel hard tegen de borst, ging ze iets verder van hem vandaan liggen, ze opende haar benen wijd, en ze bevingerde zich met een gedrevenheid, met kreetjes, met waanzin, zo leek het hem, tot ze, en dat had hij nooit eerder gezien, ejaculeerde als een man, in een perfect boogje tot op zijn rechterknie. Ze vroeg hem of hij het niet erg vond dat ze zichzelf bediende, want ook zij had recht op een orgasme. In dat studentenhuis woonde ze samen met een ander meisje, met wie ze ook dikwijls het bed deelde. Hij stelde zich voor hoe ze naast elkaar op het bed likten en vingerden en zich verheugden over de afwezigheid van de man en zijn geslacht. Die relatie duurde ook precies zeven weken. En altijd kwam hij bij Patrice te vroeg klaar, terwijl hij daar voordien nooit last van had gehad. En altijd vingerde zij zich tot ze ejaculeerde. En hij lag er bij als voor niks. Hij staarde naar het plafond, voelde zich overbodig als nooit tevoren, klein als een kleuter, mislukt als de penis van Jacob. Hij schreef haar brieven. Zij las die brieven voor aan haar vriendin. Vervolgens kreeg hij hun beider commentaar. Die meiden leken vergroeid met elkaar. Ze woonden al jaren samen. Ook later gingen ze samen eerst in Gent wonen en vervolgens in Antwerpen, vlak bij zijn huis. De laatste keer kwam hij Patrice, samen met haar vriendin, tegen op het terras van café De Kroon in de Kerkstraat. Hij schoof bij aan haar tafeltje en zei iets over 'een blauwe hemel' terwijl hij naar boven keek. En zij antwoordde: 'Waarom zeg je hemel? Er is toch geen hemel. Waarom zeg je niet: de lucht is blauw?' Dat was voor hem de druppel. Haar jongenshoofdje, haar rattenkopje, veranderde plots in die afschuwelijk grote, al te vlezige…. Hij stond op en ging naar huis.

Fabian was seksueel, en hij had er lang over gedaan om dit te leren over zichzelf, dat de penis, de huidporiën, de haartjes, de bevende, gepassioneerde hand, allemaal dezelfde richting uit wezen: de troost van het lichaam van een ander. Hij was ook niet biseksueel, dat afschuwelijke woord, dat een mens opsplijt in twee personen, dat niet streeft naar één mens onder één vlag, maar dat altijd en tegelijkertijd een andere kant opkijkt, de schele blik van een januskop. Hij had eenvoudig een immense behoefte aan huid, temperatuur 37 graden Celsius, en aan het spelen met een ander, steeds weer. Hij was ook altijd geil, op iedereen en op elke gedachte over iedereen, en verlangde ernaar om in iedereen te gaan liggen, om iedereen aan zijn mond en geslacht te drukken. Hij kende wel de verbeelding van de exclusieve liefde, waarin twee mensen samen voor altijd, enzovoort, maar zijn eigenlijke drijfveer was de inclusieve liefde waarbij hij iedereen aan zijn lichaam drukte; ook u.

Zijn eerste grote liefde kwam op zijn negentiende en was die liefde blijven duren, dan was ze exclusief geweest. Ze duurde precies zeven maanden. Maar nadien, tot lang nadat Anneleen het had uitgemaakt, had hij van de breuk last gehad. En dat had niet zozeer te maken met de ogenschijnlijk bijzondere persoonlijkheid die hij in haar had ontdekt, maar alles met het gemis van haar prachtige lichaam. Het was meer dan prachtig, maar Fabian was geen dichter die een lichaam van woorden
wist te bouwen. Hij was een lichaam dat op andere lichamen voortborduurde, in een queeste die een honger verried die onverzadigbaar was, die het lichaam van die ander wilde worden, misschien zelfs totdat hijzelf verdwenen zou zijn. Anneleen was iets kleiner dan hijzelf, dus groot en ook slank, met lang donkerbruin haar, ogen die twinkelden en borsten die er stonden. Als hij door de jaren heen aan Anneleen dacht, waren het haar borsten die hij zag. Daarmee is meteen het belangrijkste gezegd: Fabian had een grenzeloze fascinatie voor borsten en penissen.

Nadien had hij ook nooit meer zulke borsten gevonden. Anneleen en Fabian zaten samen in het studentencafé, ieder aan een ander tafeltje, met andere vrienden, en ze hoefden elkaar maar aan te kijken en ze wisten: nu, nu meteen moeten wij op elkaar kruipen. En nog het liefst op Fabians favoriete manier. Hij op zijn rug, en zij boven op hem, zodat hij zijn penis in haar zag verdwijnen en verschijnen, en hij haar borsten zag leven, dansen, zwellen. En dat beeld werd hij dan. Ze was een waterval. Ze rook naar muskus. Ze had donkere ogen. Haar lichaam was zijn lichaam.

Dat verklaart meteen waarom Fabian op sommige nachten, nadat hij twee gram Noorderlicht had opgerookt, zich uitkleedde, een groene zijden sjaal van Anneleen om zijn middel sloeg, en voor de spiegel danste, en zich inleefde in haar lichaam, en haar lichaam werd, en zo twee lichamen in één te zijn, wond hem op tot een vrij geslaagd surrogaat voor de liefde die hij dagelijks met Anneleen bedreef. Er was veel eenzaamheid in de wereld, en een groot deel daarvan bevond zich in Fabian, die in Anneleen en haar borsten een karrenvracht aan troost vond. Met haar kon hij, anders dan met Patrice jaren later, eindeloos lang vrijen, omdat het hem niet zozeer te doen was om het orgasme dat wel zou volgen, maar om de dans van twee lichamen om elkaars middelpunt. Ze was zo verdomd mooi en lief, zo warm en zacht, dat ze meteen in zijn lichaam zat, voor altijd. En al die mensen, jongens en meisjes, mannen en vrouwen, met wie Fabian in een knoop had gelegen, zaten allen in hem, ergens daar in zijn lijf. En hij was ze altijd al dankbaar omdat ze in hem gekropen kwamen, en voelde ze ook altijd al als een gemis, een droeve wonde, als de bekentenis van een clown.

Enkele jaren voor Anneleen, toen hij zestien was geworden, wandelde hij vroeg in de ochtend naar huis, nadat hij heel de nacht zich de pleuris had gezopen in een café dat De Kader heette en heel populair was. Daar had hij, enigszins wanhopig, zijn lichaam aangeboden aan twee oudere heren in maatpak, met wie hij een afspraak had gemaakt voor de volgende dag. Fabian bezat het talent om van het gelaat van eenieder diens seksuele wens af te lezen. En zo had hij gezien dat deze heren, zakenmannen uit een ver land, hielden van jonge kereltjes, met het gelaat van een engel en met een lichaam dat brandt. Die mannen zou hij de volgende
dag om acht uur 's avonds in hotel Hilton ontmoeten. En ze zouden hem gul betalen voor bewezen diensten. Fabian had het vooruitzicht op die financiële transactie aanvaard, vanuit de redenering dat hij liever als een hoerenjong werd beschouwd, dan dat ze zouden weten dat hij ook echt, met elke vezel van zijn opgespannen lijf, verlangde naar de intimiteit van elk lichaam, ook dat van twee heren ver op leeftijd.

De hall van het Hilton was oogverblindend mooi. Veel spiegels, veel goud, een kristallen luchter, potsierlijke mannetjes in lakeienkostuum, een lederen bank waarop hij ging zitten. Hij droeg een zwarte broek en een wit hemd met das. Maar als schoeisel had hij witte sneakers aangedaan en die vormden een vreugdevol contrast met de dood daarboven, zodat heel de betekenis van zijn verschijning op de helling kwam te staan, iets mysterieus verleende aan het hoe en waarom van zijn komst in het duurste hotel van Antwerpen, stad van diamant. Heel de dag had hij gedroomd van het feest van twee oude lijven die in een vreemde taal, Arabisch dacht hij, zouden spreken met zijn ongetemde jeugd. Hij droeg een heel strakke slip die zijn chronische erectie moest verbergen, maar die, zo besefte hij nu, ook zijn erectie veroorzaakte. In deze hall hoorde hij voor het eerst de cellosuites van Bach, die hij pas veel later zou kunnen traceren als de cellosuites van Bach, dit dankzij Patrice, die hem daarmee het enige goed gaf dat ze ooit had kunnen geven. Hij bleef een halfuur luisteren naar de steeds uitgestelde extase van deze muziek, die als vloeibaar goud vermengd met adrenaline in zijn oren druppelde. Toen stond hij op en liet aan de receptie weten dat hij een afspraak had met de heren van kamer 607. De receptionist bekeek hem met een schuin oog, en hij genoot daarvan, hij genoot daarvan en wist meteen dat hij een subversief personage was in een uitermate opwindend verhaal, dat hijzelf seconde na seconde schreef, en dat zijn leven, zo bedacht hij, een opeenstapeling van lichamen zou worden, en dat dit zijn bestemming was, iemand die iedereen toegang zou verlenen tot zijn eenzaamheid.

De beide heren openden hun kamer tezamen, als met één hand. Ze droegen een witte badjas en lieten hem plaatsnemen op een stoel. Ze roken naar een oud en raadselachtig parfum. De man met het grijze haar heette Ibrahim. De man met het kale hoofd luisterde naar de naam Aaron. Ze bleken een jood en een Arabier te zijn, in Antwerpen om zaken te doen met de diamantbeurs. Ibrahim opende een fles champagne. Ze dronken elk twee glazen en rookten Davidoff. Toen kleedde Fabian zich routineus uit, tot hij in zijn zestienjarige naaktheid stond. De mannen sloegen hun badjas open. Fabian lag tussen hen beiden in. En eigenlijk was het heel onschuldig wat ze deden. De mannen waren verrukt, behandelden hem met het allergrootste respect. Ze zogen om beurten aan hem, likten zijn aars schoon en wreven hem in met notenolie. Ibrahim vroeg beleefd of hij hem mocht penetreren. Maar Fabian vertelde hem dat hij nog maagd wilde blijven en ook dat respecteerden ze. Wilde hij hen dan penetreren? Ja, en met het allergrootste plezier ging hij om beurten in de spelonken van twee schijnbaar onverenigbare culturen, deed hen kiemen in hetzelfde zaad. Het was zo mooi en eerlijk, vond Fabian, en ook die oude getekende lijven vond hij een weldaad voor het oog. Die mooie mannen hadden hem ingewijd in de herenliefde, letterlijk, en ze spraken met elkaar als gelijken, als mannen die er plezier aan beleefden om in de duurste suite van het Hilton een jeugdig en tegelijk heel oud spel te spelen. Ze betaalden hem rijkelijk, maar zelfs nadat hij het geld in ontvangst had genomen, besloot hij de nacht bij hen door te brengen, omdat hij niet alleen wilde slapen, omdat hij heel de nacht lang deze geborgenheid wilde bewaren, hun exotische geur wilde ruiken, hun geslachten wilde voelen spinnen, hun borsten wilde horen ronken, en die mannen waren zo dankbaar, maar het was Fabian die het dankbaarst was, omdat hij zijn eenzaamheid in tezamen honderd levensjaren kon begraven, in twee culturen tegelijk.

Zijn lichaam en dat te voelen door middel van anderen, was eenvoudig zijn hele wereld. De daad tussen twee of meerdere mensen, het gesprek tussen de lichamen, was wat hij verkoos boven het woord. Omdat zijn lichaam op zich beschouwd een vreemde was - en pas een bekende werd in de handen van iemand anders. Met Anne had hij zeven jaar het bed gedeeld, en die jaren waren voorbij gevlogen, maar ze hadden ook iets betekenisloos gehad, zoals in een roes, iets gelijkmakends dat alles plat en glad wreef, zodat er weinig was om je tegenaan te schuren, om je wakker te schudden. Het probleem van hun relatie, zo bedacht hij nu, was dat Anne en hij elkaar waren geworden. Hij keek naar Anne en hij zag zichzelf, soms zelfs echt letterlijk: zijn gelaat, zijn oogopslag, zijn lach, zijn woorden. En omgekeerd was dat ook zo. Ze lagen op de bank als één persoon. Op de dag dat hij thuiskwam en Anne naar hem opkeek, ze een vreemde was geworden, werden ze weer elk op zichzelf betrokken. En toen verlangde hij het meest naar haar, maar ook toen was ze er niet meer voor hem. Later hoorde hij dat ze verliefd was op iemand anders, dat ze zich had weten open te breken, voor iemand anders - en dat ze dit, uiteraard, niet met hem kon delen. Daarom moest hij weg. En hij vertrok naar zijn huis, met zijn inmiddels bekende geilheid, die als een storm uit een glas water losbrak. Die geilheid was, om het wat zakelijk te houden, tergend zwaar om te dragen, en eenvoudig het symptoom van zijn hernieuwde eenzaamheid. Zijn lichaam waaierde alle kanten uit, zijn poriën sloten en openden zich als duizenden kieuwen, zijn handen reikten naar alle onbekende handen. Met zijn rechterhand, zijn passiehand, zocht hij.

Fabian leerde Caroline kennen, een lerares Frans, met de uitstraling van een Parijs' madeliefje. Zij was getrouwd met een neger, een man met een geweldig postuur die ze had leren kennen op een multiculturele avond in zaal De Roma, een plek waar zulke avonden geregeld werden georganiseerd. Ze was meteen verliefd geworden op zijn fonkelende lichaam. En omdat de man illegaal in het land verbleef, waren ze vervolgens getrouwd, nadat ze hem alles over de Vlaamse identiteit had uitgelegd, alsook alles over haar voorgeschiedenis en familie. Na een onderzoek besloot de ambtenaar dat dit geen schijnhuwelijk was en zeiden ze het
jawoord in het stadhuis. De neger kwam uit een land waar polygamie werd toegestaan. Steeds vaker zocht hij liefjes op in de Afrikaanse buurt van de stad. Dus werd het Caroline erg makkelijk gemaakt om op haar beurt met Fabian te zijn. Maar haar man mocht dit nooit te weten komen, omdat zij als vrouw slechts plichten had, en niet de rechten die hij genoot.

'Heeft hij een grote penis?' vroeg Fabian.

'Ja,' gniffelde ze, 'die is wel twintig centimeter lang en dik als een… Eigenlijk is hij te dik en te lang voor me. Die van jou past beter.'

'Eigen penis eerst dus,' lachte Fabian. Ze dronken sake en Fabian begon te huilen. Maar dat was niet erg. Caroline kende inmiddels de weemoed van Fabian, die als hij sterkedrank had gedronken, eerst begon te druppelen als een verdwaald regenwolkje, en vervolgens als een heuse stortbui naar beneden viel. In die weemoed jankte hij dan over het grote gemis in zijn leven. En dan moest zij vragen: 'Welk gemis?' En dan antwoordde hij: 'Dat ik niet alle mensen en overal kan zijn.' Met dat citaat, van de grote Fernando Pessoa, droogde zijn weemoed op en lachte hij weer.

Fabian luisterde naar de 24 Caprices van Paganini, gebracht door Itzhak Perlman, huilde bij de schoonheid van die muziek, om alle tragiek van de mensen en tussen de mensen, om zichzelf ook - want soms twijfelde hij: wat had hem gemaakt tot zo'n behoeftig wezen? Hij werd geboren en vervolgens gevonden, gewikkeld in een blauw met wit dekentje, op de trappen voor het stadhuis van Antwerpen. Daar werd hij opgeraapt door de liberale politica, een mooie jonge vrouw die nog maar net haar ambt bekleedde. Zij adopteerde hem. Zij hield van hem. En hij hield van haar. Ze nam nooit een man in huis. Ze leek voldoende te hebben aan Fabian. Zijn jaren bij haar waren de mooiste van zijn leven, zonder twijfel. Op zijn zesde vertelde ze hem van de adoptie, en dat vond hij toen al een prachtig wonder, dat twee mensen elkaar zomaar kunnen tegenkomen en dat de één besluit voor de ander te zullen zorgen. Hij had nog steeds een foto van zichzelf als pasgeborene onder de zomerse zon op de trappen voor het stadhuis. En zijn moeder had er een gewoonte van gemaakt om hem jaarlijks, op zijn verjaardag, dat was de dag waarop hij werd gevonden, op dezelfde trede te leggen en een foto te maken. Dat deed ze tot ze verdween, toen hij net achttien was geworden. Maar ook al de andere jaren liet hij zich door iemand op de trappen fotograferen. De laatste keer, toen hij tweeëndertig was geworden, deed Caroline dat voor hem.

Soms placht hij de foto's in zijn hand tot een boekje te bundelen en ze dan versneld door te bladeren totdat de beelden zich verzamelden tot de film van zijn wording.

Hij miste zijn moeder dagelijks. Ze was eigenlijk nooit een moeder voor hem geweest, maar een vrouw die echt voor hem had kunnen kiezen. En hij wist dat ze met de jaren, met elk jaar dat hij ouder werd, op hem verliefd was geworden. Die platonische vrouw-kind-relatie werd maatschappelijk niet aanvaard. Misschien dat Julia, zijn moeder, daarom vluchtte toen hij op zijn mooist was, toen hij meerderjarig was geworden en er als een rijpe jongen in al zijn pracht en praal stond. Ze kende hem vanbinnen en vanbuiten - en het leek haar dikwijls dat ze destijds haar prins had gevonden op de trappen van het stadhuis, en dat ze hem eigenhandig tot wasdom had gekneed. Dit alles had ze hem geschreven in een lange afscheidsbrief, maar hij had ook zelf kunnen raden dat hun achttien jaren tezamen zo hecht waren geweest dat ze, logischerwijze, hadden moeten uitmonden in een verbod. Hij had heel zijn jeugd, tot aan zijn meerderjarigheid, meerdere keren per week bij haar in bed geslapen, kende haar zoals geen kind zijn moeder kent. Hij bleef dit altijd, ook na haar dood, koesteren als een geschenk en had nooit toegegeven aan de verleiding om dit als iets abnormaals te beschouwen. Misschien, maar zelf beweerde ze in haar brief het tegendeel, had zijn voorkeur voor beide geslachten haar vlucht mede veroorzaakt, omdat ze zich bedrogen voelde, of omdat ze zich niet kon voorstellen dat haar jongen naar iemand anders, en dan nog van het mannelijke geslacht, zou verlangen. Fabian zou het nooit weten. Hij aanbad Julia zoals hij zich voorstelde dat sommigen Maria vereerden.

Na haar verdwijning sloot hij zich op in het moederlijk huis, lag zeven dagen en zeven nachten in het moederlijk bed. Op de zevende dag had zijn geur haar geur overwoekerd en kon hij zich niet langer inbeelden dat ze nog aanwezig was. Toen begon hij te huilen en nog iets later werd hij koud, ijskoud. Zijn lichaam kon vervolgens nooit wennen aan zijn eenzaamheid.

Op een donkere nacht, in de vroege ochtend, wandelde hij naar het stadhuis, zette zich op de treden en mompelde haar naam. Iets later leerde hij Anneleen kennen, en zij had precies de borsten van Julia. Hij durfde dit uiteraard nooit aan haar te vertellen.

Ook Anne was een soort Julia geweest. Dat zij na verloop van tijd als broer en zus gingen leven, had veel te maken met de wijze waarop hij als kind met zijn moeder had samengeleefd. Anne, die bijna even mooi was als Julia, versmolt met het beeld dat hij
van Julia had, en werd daarom een godsbeeld gelijk; hij aanbad Anne. Terwijl Anne uiteraard bemind wilde worden. En Fabian, die verstandig was en veel zelfinzicht had, doorzag dit mechanisme, wist inmiddels goed waar heel zijn hunkering naar de mens vandaan kwam, maar hij kon er niets aan veranderen, wilde er ook niets aan veranderen, omdat hij met zijn koude onmogelijk alleen kon blijven. Het was dit leven of verstenen.

Toch wilde hij graag iets aan zijn leven veranderd zien. Want de hunkering putte hem uit en hij wist dat het ideaal van Pessoa, alle mensen te zijn, niet bereikt kon worden door zoveel mogelijk mensen te neuken. Want elk mens verliet hem weer, en elke huid was maar een tijdelijk onderkomen, en altijd weer moest hij naar zijn huis waar hij ook zichzelf vond. Hij hield niet zo van zijn harde zelf als hij alleen was. Maar hij was ook bang voor een nieuwe vaste relatie, uit schrik dat hij van de vrouw - want met een man zou hij nooit een vaste relatie kunnen hebben, omdat de man er was om mee te spelen - dat hij van de vrouw opnieuw een Julia zou maken.

Een jaar na de scheiding van Anne lag Fabian erg vermagerd op een groezelig bed in een huis aan de Lange Beeldekensstraat, terwijl een dik en pokdalig wijf aan zijn krampachtig-stijve pik zoog. Zo waren de laatste maanden geweest. Hij had door de stad gezworven op zoek naar steeds meer, en vond nymfomane vrouwen, oude geilaards en heel soms een jong, fris meisje dat hem aan Julia deed denken. Zijn lijf was verteerd door deze nachtelijke speurtocht naar lichamen die hij aanvankelijk zelf trachtte te verslinden, maar waarvan hij steeds meer de prooi werd. Hij draaide het wijf op haar buik en boorde zich in haar kont, waaruit een verschrikkelijke reuk opsteeg. Toen hij was klaargekomen, stond hij op en verliet het vervallen pand.

Thuisgekomen nam hij een heet bad. Zijn huis was sinds de verdwijning van Julia nooit anders ingericht. Het was nog steeds haar smaak waarin hij zich voortbewoog als een slak. Hij sliep nog steeds in haar bed met haar hoofdkussen naast het zijne. En op haar nachtkastje lag nog steeds het boek La maladie de la mort van Marguerite Duras, een flinterdun boekje waarin Julia toch uren kon blijven lezen. Zelf had hij de lectuur nooit aangedurfd. Eén keer had hij het willekeurig opengeslagen en las hij de zin: 'Elle dort, nue, à sa place dans le lit.'

Het grote huis had vele kamers en een ruime stadstuin die inmiddels was overwoekerd met onkruid en planten waarvan hij de namen niet kende. Hij voelde heel sterk de behoefte zich op te sluiten, de rolluiken te laten zakken, en een vreemde te worden, voor zichzelf en voor alles wat buiten hem bestond. Op een dag kwam Caroline naar het huis. Hij bespiedde haar door het raam nadat ze had aangebeld en liet haar uiteindelijk binnen. Ze maakte zich zorgen om Fabian en liet dat blijken door heel het huis schoon te maken. 's Avonds lagen ze samen in het bed, zonder een woord te spreken, en ze streelden elkaar wat, zonder tot de daad over te gaan. Vervolgens viel hij in een diepe slaap, en toen hij 's morgens wakker werd, zag hij Caroline in het boekje lezen, zoals hij Julia dat honderden keren had zien doen. Hij huilde, viel weer in slaap en werd een uur later wakker. Caroline was enkele maanden geleden gescheiden van de neger en ze vertelde Fabian hoe blij die man was geweest met het nieuws dat ze wilde scheiden, blij als een kind. Hij had haar ook opgebiecht dat hij in het begin echt van haar had gehouden, maar dan in de eerste plaats van het wit van haar huid, dat hij als een sieraad op zijn zwarte lijf droeg. Maar dat het wit hem al snel niet meer kon bekoren. Het deed pijn aan zijn ogen. De neger was nu een Belg en hij was vrij.

Caroline bleef steeds vaker bij hem overnachten. Ze vertelde hem dat ze graag bij hem was, gewoon, als een verlengstuk, dat ze zijn droefheid en zijn eeuwige rouw om Julia zacht vond, een makkelijk, begrijpelijk verdriet waar ze tegenaan kon gaan liggen. 'Het is goed,' zei ze, 'als mensen worstelen met iets wat verklaard kan worden, iets wat een duidelijke oorsprong heeft, zoals de vlucht van Julia. Dat is beter,' benadrukte ze, 'dan het vage gevoel van onbehagen waar zovelen aan lijden en waar ze nooit van verlost raken, omdat het nu eenmaal onbenoembaar is. En hoe kun je iets verwijderen als je het niet kunt benoemen?'

David NOLENS (°1973) woont in Antwerpen. Hij debuteerde in 2002 met de roman Vrint (Nijgh & Van Ditmar). In 2005 volgde de novelle Het Kind (Meulenhoff/Manteau). Hij publiceerde verhalen
in diverse literaire tijdschriften en verhalenbundels.

terug