Zie mij hier nu staan met die vellen oud papier gelijk een stapel vuile borden
in mijn handen, denkend dat daar echt iets op staat, dat het zou kunnen: wind
zeggen en we voelen het waaien, je naam noemen en je staat er, vader, op een
zondagmorgen vol klokgelui en hagelbuien, in het flagrante licht van april dat
vrouwenenkels laat schetteren als waren ze van melkglas zo wit, tussen het wapperend
zeildoek van de tentenkramen op het plein voor de kathedraal, waar ik naar de
wielewalen kijk in hun kooien, de appelvinken, de beo's. Hier en daar rijzen
andere gevels op, hogere kantoorgebouwen. Winkels zijn verdwenen of hebben nieuwe
uitstalramen gekregen, cafés werden gesloten, maar je zou de straten
wel herkennen. Een stad verlegt zelden zijn gewoontes. Zijn gedachtegangen wijken
nooit ver af van de eerste groeven die zich meer dan duizend jaar geleden in
de getuigenheuvels boven de rivier hebben afgetekend en sindsdien door ik weet
niet hoeveel voeten steeds breder uitgesleten werden, een door de generaties
volgehouden dagdroom.
Er zijn nog altijd julidagen riekend naar asfalt en stof in de goten. Nakend
onweer blijft als vroeger de lucht in de straten samenballen tot hij amper in
te ademen valt. De eerste druppels brengen de lijzigheid op de terrasjes, waar
als vanouds obers zwierig tussen de tafels laveren, aan het schrikken. Nog altijd
veranderen de goten in kolkende beken, de helling af naar de rivier, en voeren
ze dode bladeren, oude peuken, krantenpapier en schroefdoppen mee. Onveranderlijk
zie ik, die nooit ouder word, alleen maar langer, er schepen of ijsschotsen
in, het gespartel van mannetjes in maatpak, onverhoeds meegesleurd, klauwend
naar paraplu of aktetas. Alles spoelt weg, het rooster van het riool in.
Al dat genadige water.
In portieken onder druipende luifels brengt het schooljongens de liefde bij,
de lucht van nat haar in een neus die achter een oorschelp de lippen naar nog
onberoerde plekken voert, waar de tong voor het eerst het zilt van een andere
huid proeft. Er is de drukte 's middags en 's avonds, wanneer de scholen uitgaan
en de kantoren sluiten, het gewemel op het plein, het gefluit van trams, het
janken van halt houdende trolleys, het gejoel van uitgelaten kinderen, bevrijd
uit hun banken, de wenkbrauwfronsende ergernis der ouderen, de blik van de gauwdief,
de hand van de bedelaar.
Elke dag zou een dag in een andere tijd kunnen zijn, onder een ander licht,
gevangen door een andere emulsie dan deze woorden, alsof wij, jij en ik, wij
allen, altijd weer die straten en pleinen hebben bevolkt, in kanten kragen,
wambuizen, crinolines, in boernoes, wij, gehelmd, besnord, bebaard, donkerogend,
blond, bepoederd, hongerig, ziek of triomfant poserend op linnen, op paneel
of papier, in marmer, in brons, bladstil als bomen, de modes als wisselende
bladerdrachten om ons heen geslagen.
Ik denk aan mijn moeder, aan het constante applaus dat haar gangen vergezelde,
de elegantie van wapperende boa's en de luchtige rokken waar ze zo dol op was.
De minste zucht wind kon er plooien in trekken die ei zo na het fatsoenlijke
overschreden wanneer ze aan jouw arm op warme zaterdagen door het park flaneerde,
voorbij de restanten van de oude citadel. Ik denk ook aan de droom die ik als
puber had, begeesterd door de lessen van Pater Rafaël Bekijks, die ons
weliswaar geen geschiedenis moest onderwijzen maar zich daar weinig van aantrok
- alles hangt met alles samen, zei hij, lucht water aarde vuur. Als ik de stad
binnenkwam, via de brug over de oude haven, en uitkeek over de torens van de
binnenstad, dacht ik klokken te horen luiden en de paniek in de straten te voelen.
Ik zag het glas in de spitsboogramen van de oude abdij naast de rivier aan diggelen
vallen en de boekwerken uit het scriptorium als dode motten uit de venstergaten
in het water storten tot het geel zag van het perkament, en een mens over de
incunabelen van de ene oever naar de andere kon wandelen zonder zijn voeten
nat te maken. Het is 22 augustus 1566, om elf uur in de voormiddag. Men wikkelt
zilver in doeken, draagt schilderijen in haast trappen op trappen af. Of het
is september 1942 en er worden er duizend weggevoerd naar de ovens. En soms,
op grijze dagen, dacht ik, dit is de rook uit de schoorstenen van de eerste
fabrieken, van de spinnerijen en de mechanische weefgetouwen: een hemel weggedreven
uit een antiek panorama dat ergens op zolder staat te beschimmelen tot op een
dag een voet er onverhoeds een gat in trapt. Maar wij moeten aan de doden denken,
zei Pater Bekijks, anders wordt het verleden een ondraaglijk carnaval, en wij
kunnen geen geschiedenissen schrijven zonder als een sjamaan hun omtrekken af
te lijnen en de handen als een schelp voor onze mond te vouwen om ze de
goddelijke asem in te blazen, zodat zij opstaan.
Erwin MORTIER (°1965) debuteerde met de roman Marcel, bekroond met
o.a. de Gerard Walschapprijs, het Gouden Ezelsoor en de Van der Hoogtprijs.
Vergeten Licht, zijn debuut als dichter, werd onderscheiden met de Cees
Buddinghprijs 2001. Naast de romans Mijn Tweede Huid en Sluitertijd
verschenen nog de essaybundel Pleidooi voor de Zonde, de novelle
Alle Dagen Samen, en de dichtbundels Uit één vinger
valt men niet en Voor de Stad en de Wereld.