Melancholie,
een oud zeer

nr. 119 - December 2006

 

Kris Lauwerys
Een oud zeer
Melancholie door de eeuwen heen

 

Toi, le coude au genou, le menton dans la main,
Tu rêves tristement au pauvre sort humain :
Que pour durer si peu la vie est bien amère,
Que la science est vaine et que l'art est chimère.

Zo beschrijft Théophile Gautier in zijn lange gedicht 'Melancholia' (1838) de mijmerende figuur die dankzij Dürers gravure uit 1510 het icoon bij uitstek werd van de melancholie. Dürer plaatst zichzelf ook in een lange traditie. Al uit de oudheid dateren sculpturen en afbeeldingen waar de melancholicus zijn typische houding aanneemt: elleboog op de knie, kin in de hand, in zichzelf gekeerde blik.
Zo onveranderlijk de iconografie van de melancholie is, zo onderhevig aan betekenisverschuivingen is het begrip zelf: een pathologie, een vaag en dromerig gevoel, een temperament, een existentiële wereldvreemdheid of zelfs een bron van scheppende kracht - de lijst van interpretaties is eindeloos en vaak tegenstrijdig. Eén ding is duidelijk: al vanaf het begin is de melancholie aanwezig in onze westerse cultuurgeschiedenis. Een - al te beknopt - overzicht van de melancholie door de eeuwen heen.

Homerus

Een korte passage in de Ilias is de vroegste vindplaats. In gezang VI lezen we het verhaal van Bellerophon, die onterecht de toorn van de goden op zich heeft geladen en zijn laatste levensjaren als een vervloekte, blinde en menselijke contacten schuwende zwerver moet slijten.

Maar Bellerophon
Berokkende zich aller goden haat
En dwaalde eenzaam over de aarde rond,
Verteerd van smart en mijdend elk verkeer
Met mensen [ 1 ]

In zijn richtinggevende Histoire du traitement de la mélancholie (1960) ziet Jean Starobinski Bellerophon als een man die veroordeeld is tot eenzaamheid en een alles verterend verdriet, 'ver van de goden, ver van de mens, in een grenzeloze woestijn'.[ 2 ] Kortom, als iemand die nu depressief zou worden genoemd.

Vier lichaamssappen

'Als droefenis en angst lang doorwerken, noemen we deze toestand melancholisch',[ 3 ] staat er in een aforisme dat wordt toegeschreven aan Hippocrates. Volgens de Griekse medicus staat deze toestand rechtstreeks in verband met een lichamelijke oorzaak: de zwarte gal. Voor de Grieken is de zwarte gal een van de vier natuurlijke sappen van het menselijk lichaam, naast het bloed, de gele gal en het flegma. En in die viersappentheorie zien ze een analogie met de vier eigenschappen (droog, nat, koud, warm), de vier elementen (water, lucht, aarde, vuur) en de vier jaargetijden - het menselijk lichaam als spiegel van de kosmologische eenheid dus. De melancholie koppelen ze dan aan de zwarte gal, aan de droge, kille aarde en aan de herfst. Daarnaast is melancholie een zaak van mannen in de herfst van hun leven. Het is een systeem dat ongeveer tweeduizend jaar lang bijna niet zal worden aangevochten.

Hippocrates zelf beschouwt de melancholie als een pathologie, die met een Helleborus-aftreksel als purgeermiddel kan worden bestreden - ook die pathologische duiding zullen we nog terug zien keren. De belangrijkste medicus uit de Romeinse keizertijd, Galenus, bouwt voort op de Hippocrates-geschriften. Zijn definiëring van de melancholie en zijn behandeling worden bijna letterlijk overgenomen in de middeleeuwen, de renaissance en de barok. Ook hij wijt melancholie dus aan een onevenwichtigheid van de sappenhuishouding en met name aan een overdaad aan zwarte gal, die zich op verschillende plaatsen in het lichaam kan manifesteren. Robert Burtons beroemde encyclopedische werk, The Anatomy of Melancholy. What it is (1621), is in hoofdzaak een samenvoegsel van de basisteksten van Hippocrates, Galenus en Aristoteles, aangevuld met voorbeelden, anekdotes en beschouwingen over het onderwerp die zich van eeuw tot eeuw hebben opgestapeld. We komen op hem nog terug.


De middeleeuwen

Ook na de richtinggevende geschriften uit de oudheid wordt er, zoals blijkt uit Burtons encyclopedie, namelijk onverminderd nagedacht over de melancholie. In de middeleeuwse christelijke wereld wordt de ziekte van de ziel onderscheiden van de ziekte van het lichaam. Deze laatste wordt beschouwd als een beproeving, terwijl de ziekten van de ziel als zondig worden beschouwd. Acedia noemt men deze zonde, een zwaarmoedigheid, een gebrek aan initiatief, een vertwijfeling over de mogelijkheid van de verlossing. Als de zieke zich in deze toestand laat gaan, is dat een hoofdzonde. De acedia treft vooral kluizenaars of monniken die voelen dat ze het spirituele niet kunnen bereiken. Melancholia balnuem Diaboli heet het, de duivel die in de melancholische droefheid bij zijn toekomstige slachtoffers een lekker warm badje vindt - het is een visie die tot in de 17e eeuw opgang maakt.

De meeste middeleeuwse auteurs vinden de melancholie verdacht en associëren haar dus met Satan. Maar ook Saturnus, de hoogste en daarom droogste, kilste en donkerste planeet, wordt heer der melancholie. De astrologische Saturnus wordt opgeladen met eigenschappen van de Saturnus (Grieks: Kronos) uit de mythologie: heerser over de leeftijd van negenenzestig en ouder, schepper en vernietiger van de tijd, verslinder van zijn kinderen. Een onheilspellende gestalte dus, deze meester der fysiek en moreel onttakelden, maar ook de incarnatie van cultuur en intellect.


De melancholicus als genie?

Op Dürers Melencolia I zie je de personificatie van de melancholie de houding aannemen die door Saturnus in de antieke kunst al wordt aangenomen. Dürer vermengt op zijn beroemde ets de personificatie van een bepaalde geestestoestand met de incarnatie van een intellectuele scheppingskracht: Dürers Melencolia is voorzien van enkele attributen die bij Saturnus horen en die verwijzen naar de kennis om de wereld more geometrico te denken. Die creatieve en intellectuele kracht is een aspect dat ook al in de oudheid onlosmakelijk verbonden was met de melancholie en kernachtig wordt verwoord in het aan Aristoteles toegeschreven probleem XXX, 1: 'Waardoor komt het dat alle mannen die uitzonderlijk zijn geweest in de wijsbegeerte of de politiek of de literatuur of de kunsten, melancholici blijken te zijn?'[ 4 ]

Dit ad nauseum geciteerde zinnetje is niet alleen een leuke adellijke titel voor eenieder die zichzelf tot de melancholische soort rekent. De stelling zal ook een aanzienlijke invloed gaan uitoefenen op de westerse cultuur. Het wezenlijkste element en de krachttoer van deze zin is de idee dat de scheppende kracht in het wezen van de mens zelf wordt gesitueerd. Ze ontspruit dus niet langer, zoals in de platonische visie, aan goddelijke inspiratie. De zwarte gal stelt de mens in staat zich buiten zichzelf te plaatsen, een ander te zijn, en juist in die verplaatsing schuilt de scheppende kracht.[ 5 ]

Terwijl in de middeleeuwen de bedenkelijke en zelfs verdachte kanten van de melancholie overheersen, gaan de Italiaanse humanisten, Marsillio Ficino voorop, het begrip herwaarderen. Een artistieke geniecultus komt op. Saturnus is daarbij de bondgenoot van de intellectueel, maar tevens zijn vijand. Wanneer namelijk de speculerende en mediterende intellectueel zijn bijna goddelijke macht ontdekt, loert er ook een gevaar om de hoek: zoals we weten uit de middeleeuwen, gaan meditatie en onbehagen vaak samen. De 'geniale' mens ontdekt dat hij een duaal wezen is. Daarenboven eist het genie het recht voor zich op om zich boven morele wetten en kunstregels te verheffen. Hij reikt naar boven, staat eenzaam bovenaan, net als de hoogste der planeten, Saturnus.

Marsilio Ficino legt in 1489 dit beeld van de geniale melancholicus vast in zijn De vita triplici, zijn driedelige werk over therapie en symptomen van de melancholische aard. De zelfverklaarde melancholicus ziet zijn temperament als iets 'uiterst bitters, dat ik enkel kan verzachten door herhaaldelijk luit te spelen'.[ 6 ] Tegelijk is het voor hem een unieke en goddelijke gave.

Ficino's invloed op die andere zelfverklaarde melancholicus, Robert Burton, is niet gering.[ 7 ] Ook in zijn encyclopedie is de melancholie in wezen een ziekte, waartegen allerhande remedies bestaan. Vanuit die opvatting verzet Burton zich ook tegen de uitbreiding van het begrip van een 'disease' en 'habit' naar een melancholische stemming.[ 8 ]

Nu was deze begripsuitbreiding zich allang aan het voltrekken. Naast het eigenlijke natuurwetenschappelijk-medische gebruik zie je zelfs bij bijvoorbeeld Boccaccio al een 'poëtische' opvatting van het begrip melancholie als gemoedstoestand.

Evengoed is het voor Burton echter een maatschappelijk kwaad, dat alleen maar bestreden kan worden door een verandering van de maatschappij.[ 9 ] Ironisch is het dan dat de 17e eeuw werd gekenmerkt door een mode van melancholische gedragingen, zozeer dat men ging spreken van een 'English malady'.

In elk geval: met deze renaissancistische geniecultus treedt een melancholiebegrip aan het daglicht, dat zich onderscheidt van het antieke en middeleeuwse. Weltschmerz, een vaag onbehagen, een traan om dat 'niets dat pijn doet' (Pessoa), een verlangen naar iets onbestemds: het zijn allemaal (romantische) sentimenten die nauw aansluiten bij ons moderne melancholiebegrip.


De moderne tijd

Ook de eeuw van de verlichting, de eeuw van de rede, overleeft de melancholie makkelijk. De Encyclopédie van Diderot en D'Alembert neemt een ambivalente houding aan: ziekte of weldaad? In een brief vertrouwt Diderot zijn minnares wel het volgende toe: 'De melancholie trof mijn ziel open aan; ze is er binnengetreden en ik geloof niet dat ze er volledig uit kan worden verdreven. Ze mishaagt me niet helemaal…'[ 10 ] Als de melancholie onder het religieuze dogma van schuld en boete valt is haar werking vernietigend, als ze vrij van dogma's is, is ze een weldaad en een stimulans voor inventiviteit, nog steeds volgens Diderot.[ 11 ] In de 18e eeuw wordt er als vanouds ruim aandacht besteed aan vermeend tastbare oorzaken van de welbekende droefenis: leeftijd, klimaat, geslacht. Vrouwen zijn van nature gevoeliger voor overrompeling door de verveling, die het psychologische en fysiologische mechanisme stillegt: ze hebben vapeurs. En in 1753 smokkelt een zekere Feutry in een gedicht het Engelse woord voor deze 'vapeurs' - spleen - de Franse literatuur binnen. Feutry rapporteert dat die vapeurs volgens de Engelsen samenhingen met een miltziekte (het Engelse woord voor 'milt' is spleen).

Melancholie iets voor vrouwen en Engelsen? Nee, want een nieuwe melancholische epidemie waart door de late 18e eeuw. In Duitsland gaan de vroegromantici op zoek naar het oneindige, het absolute, naar de Blaue Blume van Novalis. De Sehnsucht ontstaat daar waar de dichters tot het tragische besef komen dat ze dat oneindige niet in deze beperkte werkelijkheid kunnen vinden. Het leidt tot rusteloosheid. De Oostenrijker Nikolaus Lenau schrijft vlak voor hij ten onder gaat in de waanzin nog dit in een brief: 'Ik ben melancholisch; het kompas van mijn ziel trilt de hele tijd en oriënteert zich op het lijden van het leven. Religie noch liefde is, naar het mij toeschijnt, in staat dit lijden te verzachten of zelfs maar te verklaren.'[ 12 ]

Ongeveer in dezelfde periode, begin 19e eeuw, geeft Chateaubriand met zijn René (1805) literair gestalte aan 'le mal du siècle'. René wordt de bijbel voor volgende romantische generaties. Het personage René is hervormingsgezind, maar wordt verjaagd door de revolutie. De teleurstelling van de naar Engeland verbannen René slaat om in melancholie. De melancholie van de banneling, het is - alweer - niets nieuws, denk maar aan die hartverscheurende afscheidsbrief van de verbannen Ovidius aan zijn vrouw. Chateaubriand geeft aan Renés melancholie een extra dimensie: die van sommige jonge mensen die met een vol hart leven in een lege wereld; de onherstelbare breuk tussen de wereld der dromen en verlangens en de werkelijke wereld. Maar René vermeit zich niet in een melancholische stemming, hij bezit nog iets levenskrachtigs. Na René wordt le mal du siècle een zielentoestand die verregaand wordt uitgediept. Het mes in de wond wordt zo een subtiel en bitter genot. Hugo: 'Melancholie is het geluk droevig te zijn.'[ 13 ] Baudelaire bouwt op deze paradox voort. Leven in het teken van de spleen is pijnlijker dan de dood, maar er is afleiding in esthetisch genot, in de extase van de verliefdheid, in kunstmatige paradijzen, in dronkenschap.[ 14 ] Tegenstrijdige gemoedsbewegingen wisselen elkaar af.

Tegelijkertijd, halverwege de 19e eeuw, verschijnen de eerste modern-wetenschappelijke publicaties over het fenomeen, dat nu stilaan ook depressie gaat heten. Het medische discours, sinds Hippocrates een constante in de geschiedenis van het begrip, evolueert mee met de ontwikkeling van de moderne geneeskunde. De melancholie wordt een zenuwaandoening of, sinds Freud, een narcistisch avontuur of niet verwerkte rouw.[ 15 ] Zenuwaandoeningen of psychische stoornissen worden nu resoluut via de medische weg benaderd, of de patiënt dat nu wil of niet.[ 16 ] De vooruitgang, het positivisme zal korte metten maken met deze in zichzelf gekeerde, onproductieve negatievelingen. Maar hoeveel pogingen de psychologie, de psychoanalyse en de psychiatrie ook ondernemen om melancholie (depressie, hypochondrie) uit te bannen of toch minstens onder controle te krijgen, steeds zal ze in een of andere vorm terugkeren, omdat ze ten slotte diepmenselijk is. De 'vader van het existentialisme', Søren Kierkegaard - die over de melancholie spreekt als 'mijn trouwe minnares' -, plaatst de melancholie in het centrum van de menselijke ervaring die de diepere betekenis van het mens-zijn blootlegt. De melancholicus als iemand die een problematische verhouding heeft met de hem omgevende werkelijkheid - ook dat is een constante in de geschiedenis van de melancholie.[ 17 ]

Ik begon mijn verhaal met de engel van Dürer, de versmelting van de ars geometrica met de homo melancholicus. Het is een engel die het probleem begrepen heeft, maar het niet kan oplossen, vandaar ook de droefgeestig in de verte gerichte, intense blik. Aan het begin van de 20e eeuw plaatst Walter Benjamin een andere engel, zoals Jean Clair opmerkt in zijn essay 'Une mélancolie faustienne'.[ 18 ] Het is de Angelus novus, geschilderd door Paul Klee, die door Walter Benjamin aldus wordt geduid: 'Zo moet de engel van de geschiedenis eruitzien. Hij heeft zijn gezicht naar het verleden gekeerd. Waar voor ons een aaneenschakeling van gebeurtenissen verschijnt, ziet hij één grote catastrofe, die onafgebroken puinhoop op puinhoop stapelt en ze hem voor de voeten smijt. Hij zou willen blijven stilstaan, de doden wekken en het verpletterde samenvoegen. Maar een storm waait uit het paradijs die in zijn vleugels blijft hangen en zo sterk is dat de engel ze niet meer kan sluiten. Deze storm drijft hem onstuitbaar de toekomst in, die hij de rug naartoe toekeert, terwijl de puinhpop vóór hem tot de hemel rijst. Wat wij vooruitgang noemen, is die storm.'[ 19 ]

Volstrekt machteloos en vleugellam, maar lucide is deze moderne engel. Hij meet de wereld, de schade niet meer op, zeker niet om er een creatief nieuw geheel van te maken. Hij wordt naar de toekomst toe gedreven, maar wendt zich ervan af. Vooruitgang is een reeks catastrofes. In Benjamins visionaire tekst is de condition humaine van de 20e eeuw door en door, ja zelfs reddeloos melancholisch. Van dit nieuwe oude zeer is geen genezing mogelijk.

Kris LAUWERYS (°1972) is docent Nederlands aan de Université de Mons-Hainaut en literair vertaler. Vertalingen uit het Frans en het Duits werden opgenomen in Yang, Parmentier, Armada
en Deus ex Machina, waarvan hij ook redactielid is.

 

[ 1 ] Homerus, Ilias, Zesde gezang, vers 200-203, vertaling van Schwartz

[ 2 ] Starobinski, Histoire du traitement de la mélancholie, geciteerd uit Le magazine littéraire, hors série nr. 8, p. 39

[ 3 ] Hippocrates, Aphorismata VI, 23, geciteerd en vertaald uit Hersant, Yves, Mélancolie, p. 512

[ 4 ] Zie hiervoor ook het interessante werkje van Aristoteles: Over melancholie, Historische Uitgeverij

[ 5 ] Cf. Hersant, Yves, Mélancolie, p. 517

[ 6 ] Geciteerd en vertaald uit Klibansky, Panofsky, Saxl, Saturn und Melancholie, p. 372

[ 7 ] Ook Dürers ets is aan Ficino verplicht, zie daarvoor Klibansky, Panofsky, Saxl, Saturn und Melancholie, p. 406ff

[ 8 ] ibid., p. 319f

[ 9 ] ibid., p. 29

[ 10 ] Delon, Michel, 'Les ombres du Siècles des Lumières', in: Magazine littéraire, hors-série nr. 8, p. 55

[ 11 ] ibid.

[ 12 ] Geciteerd naar Richard, Lionel, 'Les écrivains allemands en quête de d'absolu', Magazine littéraire, hors-série nr. 8, pp. 58-62

[ 13 ] Hugo, Victor, Les travailleurs de la mer, p. 98

[ 14 ] Cf. Verlet, Agnès, in: Magazine littéraire, hors-série nr. 8, p. 67. Lees verder over de Franse 19e eeuw het essay van Bruno Tritsmans: 'Over zwarte zonnen, sfinxen en clowns', verderop in dit nummer.

[ 15 ] Hersant, Yves, Mélancolie, p. XV

[ 16 ] Zie hiervoor ook William Styrons problematische verhouding met de medische wereld, aangehaald in het essay van Agnès Verlet: ‘Schrijven tegen het duister’, verderop in dit nummer.

[ 17 ] Meer daarover in '"Over de brug der zuchten de eeuwigheid in". Søren Kierkegaard en de melancholie' van Karel Verstrynge, http://users.skynet.be/streven/artikels/VerstryngeKierkegaard.htm

[ 18 ] Opgenomen in de prachtig geïllustreerde catalogus bij de tentoonstelling 'Mélancolie. Folie et génie et folie en Occident', pp. 52- 61

[ 19 ] Benjamin, Walter, Maar een storm waait uit het paradijs. Filosofische essays over taal en geschiedenis, 1996

terug