Kris Lauwerys Een oud zeer
Melancholie door de eeuwen heen
Toi, le coude au genou, le menton dans la main,
Tu rêves tristement au pauvre sort humain :
Que pour durer si peu la vie est bien amère,
Que la science est vaine et que l'art est chimère.
Zo beschrijft Théophile Gautier in zijn lange gedicht 'Melancholia'
(1838) de mijmerende figuur die dankzij Dürers gravure uit 1510 het icoon
bij uitstek werd van de melancholie. Dürer plaatst zichzelf ook in een
lange traditie. Al uit de oudheid dateren sculpturen en afbeeldingen waar de
melancholicus zijn typische houding aanneemt: elleboog op de knie, kin in de
hand, in zichzelf gekeerde blik.
Zo onveranderlijk de iconografie van de melancholie is, zo onderhevig aan betekenisverschuivingen
is het begrip zelf: een pathologie, een vaag en dromerig gevoel, een temperament,
een existentiële wereldvreemdheid of zelfs een bron van scheppende kracht
- de lijst van interpretaties is eindeloos en vaak tegenstrijdig. Eén
ding is duidelijk: al vanaf het begin is de melancholie aanwezig in onze westerse
cultuurgeschiedenis. Een - al te beknopt - overzicht van de melancholie door
de eeuwen heen.
Homerus
Een korte passage in de Ilias is de vroegste vindplaats. In gezang VI lezen
we het verhaal van Bellerophon, die onterecht de toorn van de goden op zich
heeft geladen en zijn laatste levensjaren als een vervloekte, blinde en menselijke
contacten schuwende zwerver moet slijten.
Maar Bellerophon
Berokkende zich aller goden haat
En dwaalde eenzaam over de aarde rond,
Verteerd van smart en mijdend elk verkeer
Met mensen [ 1 ]
In zijn richtinggevende Histoire du traitement de la mélancholie
(1960) ziet Jean Starobinski Bellerophon als een man die veroordeeld is
tot eenzaamheid en een alles verterend verdriet, 'ver van de goden, ver van
de mens, in een grenzeloze woestijn'.[ 2 ] Kortom, als iemand die nu depressief zou
worden genoemd.
Vier lichaamssappen
'Als droefenis en angst lang doorwerken, noemen we deze toestand melancholisch',[ 3 ]
staat er in een aforisme dat wordt toegeschreven aan Hippocrates. Volgens de
Griekse medicus staat deze toestand rechtstreeks in verband met een lichamelijke
oorzaak: de zwarte gal. Voor de Grieken is de zwarte gal een van
de vier natuurlijke sappen van het menselijk lichaam, naast het bloed, de gele
gal en het flegma. En in die viersappentheorie zien ze een analogie met de vier
eigenschappen (droog, nat, koud, warm), de vier elementen (water, lucht, aarde,
vuur) en de vier jaargetijden - het menselijk lichaam als spiegel van de kosmologische
eenheid dus. De melancholie koppelen ze dan aan de zwarte gal, aan de droge,
kille aarde en aan de herfst. Daarnaast is melancholie een zaak van mannen in
de herfst van hun leven. Het is een systeem dat ongeveer tweeduizend jaar lang
bijna niet zal worden aangevochten.
Hippocrates zelf beschouwt de melancholie als een pathologie, die met een Helleborus-aftreksel
als purgeermiddel kan worden bestreden - ook die pathologische duiding zullen
we nog terug zien keren. De belangrijkste medicus uit de Romeinse keizertijd,
Galenus, bouwt voort op de Hippocrates-geschriften. Zijn definiëring van
de melancholie en zijn behandeling worden bijna letterlijk overgenomen in de
middeleeuwen, de renaissance en de barok. Ook hij wijt melancholie dus aan een
onevenwichtigheid van de sappenhuishouding en met name aan een overdaad aan
zwarte gal, die zich op verschillende plaatsen in het lichaam kan manifesteren.
Robert Burtons beroemde encyclopedische werk, The Anatomy of Melancholy.
What it is (1621), is in hoofdzaak een samenvoegsel van de basisteksten
van Hippocrates, Galenus en Aristoteles, aangevuld met voorbeelden, anekdotes
en beschouwingen over het onderwerp die zich van eeuw tot eeuw hebben opgestapeld.
We komen op hem nog terug.
De middeleeuwen
Ook na de richtinggevende geschriften uit de oudheid wordt er, zoals blijkt
uit Burtons encyclopedie, namelijk onverminderd nagedacht over de melancholie.
In de middeleeuwse christelijke wereld wordt de ziekte van de ziel onderscheiden
van de ziekte van het lichaam. Deze laatste wordt beschouwd als een beproeving,
terwijl de ziekten van de ziel als zondig worden beschouwd. Acedia noemt men
deze zonde, een zwaarmoedigheid, een gebrek aan initiatief, een vertwijfeling
over de mogelijkheid van de verlossing. Als de zieke zich in deze toestand laat
gaan, is dat een hoofdzonde. De acedia treft vooral kluizenaars of monniken
die voelen dat ze het spirituele niet kunnen bereiken. Melancholia balnuem Diaboli
heet het, de duivel die in de melancholische droefheid bij zijn toekomstige
slachtoffers een lekker warm badje vindt - het is een visie die tot in de 17e
eeuw opgang maakt.
De meeste middeleeuwse auteurs vinden de melancholie verdacht en associëren
haar dus met Satan. Maar ook Saturnus, de hoogste en daarom droogste, kilste
en donkerste planeet, wordt heer der melancholie. De astrologische Saturnus
wordt opgeladen met eigenschappen van de Saturnus (Grieks: Kronos) uit de mythologie:
heerser over de leeftijd van negenenzestig en ouder, schepper en vernietiger
van de tijd, verslinder van zijn kinderen. Een onheilspellende gestalte dus,
deze meester der fysiek en moreel onttakelden, maar ook de incarnatie van cultuur
en intellect.
De melancholicus als genie?
Op Dürers Melencolia I zie je de personificatie van de melancholie
de houding aannemen die door Saturnus in de antieke kunst al wordt aangenomen.
Dürer vermengt op zijn beroemde ets de personificatie van een bepaalde
geestestoestand met de incarnatie van een intellectuele scheppingskracht: Dürers
Melencolia is voorzien van enkele attributen die bij Saturnus horen en
die verwijzen naar de kennis om de wereld more geometrico te denken.
Die creatieve en intellectuele kracht is een aspect dat ook al in de oudheid
onlosmakelijk verbonden was met de melancholie en kernachtig wordt verwoord
in het aan Aristoteles toegeschreven probleem XXX, 1: 'Waardoor komt het dat
alle mannen die uitzonderlijk zijn geweest in de wijsbegeerte of de politiek
of de literatuur of de kunsten, melancholici blijken te zijn?'[ 4 ]
Dit ad nauseum geciteerde zinnetje is niet alleen een leuke adellijke
titel voor eenieder die zichzelf tot de melancholische soort rekent. De stelling
zal ook een aanzienlijke invloed gaan uitoefenen op de westerse cultuur. Het
wezenlijkste element en de krachttoer van deze zin is de idee dat de scheppende
kracht in het wezen van de mens zelf wordt gesitueerd. Ze ontspruit dus niet
langer, zoals in de platonische visie, aan goddelijke inspiratie. De zwarte
gal stelt de mens in staat zich buiten zichzelf te plaatsen, een ander te zijn,
en juist in die verplaatsing schuilt de scheppende kracht.[ 5 ]
Terwijl in de middeleeuwen de bedenkelijke en zelfs verdachte kanten van de
melancholie overheersen, gaan de Italiaanse humanisten, Marsillio Ficino voorop,
het begrip herwaarderen. Een artistieke geniecultus komt op. Saturnus is daarbij
de bondgenoot van de intellectueel, maar tevens zijn vijand. Wanneer namelijk
de speculerende en mediterende intellectueel zijn bijna goddelijke macht ontdekt,
loert er ook een gevaar om de hoek: zoals we weten uit de middeleeuwen, gaan
meditatie en onbehagen vaak samen. De 'geniale' mens ontdekt dat hij een duaal
wezen is. Daarenboven eist het genie het recht voor zich op om zich boven morele
wetten en kunstregels te verheffen. Hij reikt naar boven, staat eenzaam bovenaan,
net als de hoogste der planeten, Saturnus.
Marsilio Ficino legt in 1489 dit beeld van de geniale melancholicus vast in
zijn De vita triplici, zijn driedelige werk over therapie en symptomen
van de melancholische aard. De zelfverklaarde melancholicus ziet zijn temperament
als iets 'uiterst bitters, dat ik enkel kan verzachten door herhaaldelijk luit
te spelen'.[ 6 ] Tegelijk is het voor hem een unieke en goddelijke gave.
Ficino's invloed op die andere zelfverklaarde melancholicus, Robert Burton,
is niet gering.[ 7 ] Ook in zijn encyclopedie is de melancholie in wezen een ziekte,
waartegen allerhande remedies bestaan. Vanuit die opvatting verzet Burton zich
ook tegen de uitbreiding van het begrip van een 'disease' en 'habit' naar een
melancholische stemming.[ 8 ]
Nu was deze begripsuitbreiding zich allang aan het voltrekken. Naast het eigenlijke
natuurwetenschappelijk-medische gebruik zie je zelfs bij bijvoorbeeld Boccaccio
al een 'poëtische' opvatting van het begrip melancholie als gemoedstoestand.
Evengoed is het voor Burton echter een maatschappelijk kwaad, dat alleen maar
bestreden kan worden door een verandering van de maatschappij.[ 9 ] Ironisch
is het dan dat de 17e eeuw werd gekenmerkt door een mode van melancholische
gedragingen, zozeer dat men ging spreken van een 'English malady'.
In elk geval: met deze renaissancistische geniecultus treedt een melancholiebegrip
aan het daglicht, dat zich onderscheidt van het antieke en middeleeuwse. Weltschmerz,
een vaag onbehagen, een traan om dat 'niets dat pijn doet' (Pessoa), een verlangen
naar iets onbestemds: het zijn allemaal (romantische) sentimenten die nauw aansluiten
bij ons moderne melancholiebegrip.
De moderne tijd
Ook de eeuw van de verlichting, de eeuw van de rede, overleeft de melancholie
makkelijk. De Encyclopédie van Diderot en D'Alembert neemt een
ambivalente houding aan: ziekte of weldaad? In een brief vertrouwt Diderot zijn
minnares wel het volgende toe: 'De melancholie trof mijn ziel open aan; ze is
er binnengetreden en ik geloof niet dat ze er volledig uit kan worden verdreven.
Ze mishaagt me niet helemaal '[ 10 ] Als de melancholie onder het religieuze
dogma van schuld en boete valt is haar werking vernietigend, als ze vrij van
dogma's is, is ze een weldaad en een stimulans voor inventiviteit, nog steeds
volgens Diderot.[ 11 ] In de 18e eeuw wordt er als vanouds ruim aandacht besteed
aan vermeend tastbare oorzaken van de welbekende droefenis: leeftijd, klimaat,
geslacht. Vrouwen zijn van nature gevoeliger voor overrompeling door de verveling,
die het psychologische en fysiologische mechanisme stillegt: ze hebben vapeurs.
En in 1753 smokkelt een zekere Feutry in een gedicht het Engelse woord voor
deze 'vapeurs' - spleen - de Franse literatuur binnen. Feutry rapporteert
dat die vapeurs volgens de Engelsen samenhingen met een miltziekte (het Engelse
woord voor 'milt' is spleen).
Melancholie iets voor vrouwen en Engelsen? Nee, want een nieuwe melancholische
epidemie waart door de late 18e eeuw. In Duitsland gaan de vroegromantici op
zoek naar het oneindige, het absolute, naar de Blaue Blume van Novalis. De Sehnsucht
ontstaat daar waar de dichters tot het tragische besef komen dat ze dat oneindige
niet in deze beperkte werkelijkheid kunnen vinden. Het leidt tot rusteloosheid.
De Oostenrijker Nikolaus Lenau schrijft vlak voor hij ten onder gaat in de waanzin
nog dit in een brief: 'Ik ben melancholisch; het kompas van mijn ziel trilt
de hele tijd en oriënteert zich op het lijden van het leven. Religie noch
liefde is, naar het mij toeschijnt, in staat dit lijden te verzachten of zelfs
maar te verklaren.'[ 12 ]
Ongeveer in dezelfde periode, begin 19e eeuw, geeft Chateaubriand met zijn
René (1805) literair gestalte aan 'le mal du siècle'. René
wordt de bijbel voor volgende romantische generaties. Het personage René
is hervormingsgezind, maar wordt verjaagd door de revolutie. De teleurstelling
van de naar Engeland verbannen René slaat om in melancholie. De melancholie
van de banneling, het is - alweer - niets nieuws, denk maar aan die hartverscheurende
afscheidsbrief van de verbannen Ovidius aan zijn vrouw. Chateaubriand geeft
aan Renés melancholie een extra dimensie: die van sommige jonge mensen
die met een vol hart leven in een lege wereld; de onherstelbare breuk tussen
de wereld der dromen en verlangens en de werkelijke wereld. Maar René
vermeit zich niet in een melancholische stemming, hij bezit nog iets levenskrachtigs.
Na René wordt le mal du siècle een zielentoestand die verregaand
wordt uitgediept. Het mes in de wond wordt zo een subtiel en bitter genot. Hugo:
'Melancholie is het geluk droevig te zijn.'[ 13 ] Baudelaire bouwt op deze paradox
voort. Leven in het teken van de spleen is pijnlijker dan de dood, maar
er is afleiding in esthetisch genot, in de extase van de verliefdheid, in kunstmatige
paradijzen, in dronkenschap.[ 14 ] Tegenstrijdige gemoedsbewegingen wisselen elkaar
af.
Tegelijkertijd, halverwege de 19e eeuw, verschijnen de eerste modern-wetenschappelijke
publicaties over het fenomeen, dat nu stilaan ook depressie gaat heten. Het
medische discours, sinds Hippocrates een constante in de geschiedenis van het
begrip, evolueert mee met de ontwikkeling van de moderne geneeskunde. De melancholie
wordt een zenuwaandoening of, sinds Freud, een narcistisch avontuur of niet
verwerkte rouw.[ 15 ] Zenuwaandoeningen of psychische stoornissen worden nu resoluut
via de medische weg benaderd, of de patiënt dat nu wil of niet.[ 16 ] De vooruitgang,
het positivisme zal korte metten maken met deze in zichzelf gekeerde, onproductieve
negatievelingen. Maar hoeveel pogingen de psychologie, de psychoanalyse en de
psychiatrie ook ondernemen om melancholie (depressie, hypochondrie) uit te bannen
of toch minstens onder controle te krijgen, steeds zal ze in een of andere vorm
terugkeren, omdat ze ten slotte diepmenselijk is. De 'vader van het existentialisme',
Søren Kierkegaard - die over de melancholie spreekt als 'mijn trouwe
minnares' -, plaatst de melancholie in het centrum van de menselijke ervaring
die de diepere betekenis van het mens-zijn blootlegt. De melancholicus als iemand
die een problematische verhouding heeft met de hem omgevende werkelijkheid -
ook dat is een constante in de geschiedenis van de melancholie.[ 17 ]
Ik begon mijn verhaal met de engel van Dürer, de versmelting van de ars
geometrica met de homo melancholicus. Het is een engel die het probleem
begrepen heeft, maar het niet kan oplossen, vandaar ook de droefgeestig in de
verte gerichte, intense blik. Aan het begin van de 20e eeuw plaatst Walter Benjamin
een andere engel, zoals Jean Clair opmerkt in zijn essay 'Une mélancolie
faustienne'.[ 18 ] Het is de Angelus novus, geschilderd door Paul Klee, die
door Walter Benjamin aldus wordt geduid: 'Zo moet de engel van de geschiedenis
eruitzien. Hij heeft zijn gezicht naar het verleden gekeerd. Waar voor ons
een aaneenschakeling van gebeurtenissen verschijnt, ziet hij één
grote catastrofe, die onafgebroken puinhoop op puinhoop stapelt en ze hem voor
de voeten smijt. Hij zou willen blijven stilstaan, de doden wekken en het verpletterde
samenvoegen. Maar een storm waait uit het paradijs die in zijn vleugels blijft
hangen en zo sterk is dat de engel ze niet meer kan sluiten. Deze storm drijft
hem onstuitbaar de toekomst in, die hij de rug naartoe toekeert, terwijl de
puinhpop vóór hem tot de hemel rijst. Wat wij vooruitgang noemen,
is die storm.'[ 19 ]
Volstrekt machteloos en vleugellam, maar lucide is deze moderne engel. Hij
meet de wereld, de schade niet meer op, zeker niet om er een creatief nieuw
geheel van te maken. Hij wordt naar de toekomst toe gedreven, maar wendt zich
ervan af. Vooruitgang is een reeks catastrofes. In Benjamins visionaire tekst
is de condition humaine van de 20e eeuw door en door, ja zelfs reddeloos
melancholisch. Van dit nieuwe oude zeer is geen genezing mogelijk.
Kris LAUWERYS (°1972) is docent Nederlands aan de Université de
Mons-Hainaut en literair vertaler. Vertalingen uit het Frans en het Duits werden
opgenomen in Yang, Parmentier, Armada
en Deus ex Machina, waarvan hij ook redactielid is.
[ 1 ] Homerus, Ilias, Zesde
gezang, vers 200-203, vertaling van Schwartz
[ 2 ] Starobinski, Histoire du traitement
de la mélancholie, geciteerd uit Le magazine littéraire,
hors série nr. 8, p. 39
[ 3 ] Hippocrates, Aphorismata VI, 23,
geciteerd en vertaald uit Hersant, Yves, Mélancolie, p. 512
[ 4 ] Zie hiervoor ook het interessante werkje
van Aristoteles: Over melancholie, Historische Uitgeverij
[ 12 ] Geciteerd naar Richard, Lionel, 'Les
écrivains allemands en quête de d'absolu', Magazine littéraire,
hors-série nr. 8, pp. 58-62
[ 13 ] Hugo, Victor, Les travailleurs de
la mer, p. 98
[ 14 ] Cf. Verlet, Agnès, in: Magazine
littéraire, hors-série nr. 8, p. 67. Lees verder over de Franse
19e eeuw het essay van Bruno Tritsmans: 'Over zwarte zonnen, sfinxen en clowns',
verderop in dit nummer.
[ 16 ] Zie hiervoor ook William Styrons problematische
verhouding met de medische wereld, aangehaald in het essay van Agnès Verlet:
‘Schrijven tegen het duister’, verderop in dit nummer.
[ 17 ] Meer daarover in '"Over de brug
der zuchten de eeuwigheid in". Søren Kierkegaard en de melancholie'
van Karel Verstrynge, http://users.skynet.be/streven/artikels/VerstryngeKierkegaard.htm
[ 18 ] Opgenomen in de prachtig geïllustreerde
catalogus bij de tentoonstelling 'Mélancolie. Folie et génie et
folie en Occident', pp. 52- 61
[ 19 ] Benjamin, Walter, Maar een storm
waait uit het paradijs. Filosofische essays over taal en geschiedenis, 1996