Er wordt gezegd dat de mens bang is van zijn eigen schaduw. Dat is een vergissing,
geloof me. Ik zit op het dak van een rijtjeshuis in de Rue Fontaine d'Amour.
Het is nog nauwelijks ochtend. Brussel ligt puffend op de heuvels. Straks rolt
de stad zich op haar zij. Als een oud wijf met doorligwonden schudt ze de bewoners
van haar rug.
Ik zeg je: de mens is niet bang van het donker dat hem volgt, hem gezelschap
houdt, hem wiegt, zich aanpast aan zijn vormen. Integendeel. De menselijke duisternis
is een schuilplaats met vele kamers. Het is er goed wonen voor wie zichzelf
schuwt - een leven lang als het moet.
Het is zeven uur. Schaarbeek rekt zich uit. Kijk met me mee over de rand van
het dak naar de Rue Fontaine d'Amour. Zie je die man op de hoek? Een uitgezakte
vijftiger met een hoed en een veel te grote tas. Dat is mijn vader. Hij kijkt
omhoog, likt zijn lippen, zoekt het begin van wat een dag kan worden. Hij loopt
de straat door, stopt bij de nachtwinkel op de hoek. De Pakistaan zwaait al
van achter het glas. De deur schuurt open. De man buigt zich voorover tussen
de vliegenvangers die aan de rekken kleven. Voor hem op de toonbank liggen een
lottobiljet en een pen.
Ik vraag je: wil hij gered worden? En wie anders dan hijzelf houdt hem tegen?
Ik ben zeventien jaar. Mijn vader is een lul. En dat bedoel ik letterlijk.
Als hij 's ochtends opstaat ruikt zijn adem naar angst. Ik weet dat dat door
mij komt. Hij is bang dat ik in zijn hoofd kan kijken.
Ik heb het geprobeerd. Ik wilde het leren. Ik wilde weten wat hem 's nachts
zo onrustig maakt. Iedere avond verstop ik me onder zijn bed en probeer om de
hoek van een droom binnen te dringen. Stofpluisjes. Een hard geworden zakdoek.
Muntjes.
Stapels vergeelde tijdschriften. Soms een boek. En ik op mijn zij, mijn knieën
opgetrokken, mijn oor zo goed ik kan tegen de matras gedrukt.
Droom van een lichaam. Ik ben de weg kwijt. Iemand die me lief is wijst
me een opening aan in de grond. Ik verdwijn in een netwerk van tunnels onder
de stad. Het is er donker. De mensen dragen geweren. Bij het station kom ik
weer boven. Er is politie op straat. De perrons liggen vol bedelaars. Ik begin
te rennen, een stuk braakland in. Er ligt een meisje half vergaan in het gras.
De stukken vel als blubber uitgesmeerd. Het stink vreselijk. Ik ren verder en
zie nog meer stukken van een vrouwenlichaam liggen. Wat verderop staan bomen.
Ik zie een gat tussen de takken. Ik trek me omhoog, probeerme uit de stad te
wrikken.
2.
In zijn schaduw vindt de mens de veiligheid die hij zichzelf niet kan geven.
Het is niet zijn schaduw, maar zijn eigen gloed die hij zo schuwt. Natuurlijk
droomt hij van de zomer, van warme dagen op het strand of van de neonlichten
van bordelen. Hij brandt kaarsjes voor een ander en hoopt dat men hetzelfde
voor hem zal doen. Zo hevig verlangt hij naar vreugde en tegelijk zo weinig.
In het hunkeren loopt de mens zichzelf voorbij. Niets maakt hem zo bang als
de wetenschap dat het vuur waarnaar hij verlangt eigenlijk in hemzelf sluimert.
Beneden in de Rue Fontaine d'Amour sluipt een meisje het huis uit, sleurt een
driewieler achter zich aan. Algauw scheurt ze over de stoep - wat een snelheid
maakt het fietsje! Het kind schatert van plezier, strekt de armpjes in de lucht.
Kraaien stuiven op. Een tweede keer slaat de deur open. Een blonde vrouw loopt
de straat op, zwijgt, grijpt de kleuter bij haar armpje en kwakt haar op de
grond. Het kind houdt zich in. De moeder verdwijnt met het fietsje in het huis.
Vader, te laf om in te grijpen, zoekt wat koper in zijn zak en geeft het aan
het meisje. Hij wijst onbeholpen naar de winkel van de Pakistaan. Om snoep te
kopen.
Ik ben Lena. Mijn mond is een aars. En dat bedoel ik letterlijk. Ik vloek de
hele dag. Leg mijn woorden te stinken op vaders bord. Hij kocht een kettinkje
met een zwaan voor me om me het zwijgen op te leggen.
Nacht na nacht kruip ik onder zijn bed. Soms zoekt zijn hand achteloos naar
een tijdschrift of trapt hij een pantoffel in mijn gezicht. Dan volgt het draaien,
het zoeken van zijn lichaam in de matras. Ik tel de pauzes in zijn ademhaling.
Ik volg hem. Ik adem in
zijn ritme, maar waak ervoor zelf niet te slapen. Eén keer is het me
overkomen. Ik werd wakker van de voordeur die beneden in het slot sloeg. Nu
doe ik het anders: ik adem twee keer zo snel. Ik adem in met hem, uit met hem,
maar vul de leegte ertussen met een extra ademtocht.
Droom van vingers. Het is oktober. Een herfstige middag met open luchten.
Ik sta mijn dochter op te wachten aan de schoolpoort. De enige man in de rij
jonge moeders. Er wordt met het hoofd geknikt, iemand begint te praten. De schoolbel
rinkelt. Gesprekken vallen stil, deuren zwaaien open. Nog even en de kinderstemmen
klateren over de speelplaats. Ik hoor Lena al van verre roepen. Een hoog gilletje,
een schriele lach. Ze is populair bij haar klasgenoten. Ze kan als enige erg
hard op haar vingers fluiten. Zodra ze me ziet, propt ze haar vingers tussen
aar tanden en blaast zo hard ze kan. Iedereen heeft het gezien. Ze doet het
een tweede keer. Applaus. En nog eens en nog eens. De jonge moeders kijken me
boos aan, proppen hun vingers in hun oren. Zodra Lena de schoolpoort heeft bereikt,
grijp ik haar arm. Enkele korte woorden. Ik geef haar een tik in haar gezicht.
Sinds haar zevende heeft ze nooit meer naar me gefloten.
3.
Kijk, ginds in het park. Op een bank tussen de rododendrons zit een liefdespaar.
De man met das en een aktetas naast hem op de grond. De vrouw in mantelpakje
en een bril op het haar geschoven. Het is niet man en vrouw. Daarvoor is de
plek te spannend, zijn de aanrakingen te onstuimig, de lippen te gulzig om de
ander te verkennen. Het is een afscheid. Hoe kort ook, ik herken het meteen.
Het zit verborgen in ingehouden gebaren. Een hoofd nog even in de hals van de
ander gelegd. Twee vingers die loshangende haren achter een oor duwen. De ene
geliefde strijkt de kleren van de ander glad, staat op en slaat zonder om te
kijken de hoek om.
Ik ben een meisje. Mijn moeder is een kut. En dat bedoel ik letterlijk. Zeven
jaar geleden opende ze zich voor een Friese zeevaarder. Zijn schip is nog steeds
niet terug aan wal.
Sindsdien is vader onuitstaanbaar. De eerste weken was hij opgewekt, stofte
iedere dag de meubels af, at asperges als ontbijt, wat zij altijd verfoeide.
Vervolgens nam zijn innerlijke weekdier de overhand. Hij hing dagenlang op de
bank, kwijlde de kussens vol, dronk zoveel bier dat hij vergat waar de pilsjes
stonden. Geleidelijk aan kreeg de kwal weer pootjes. Voorzichtig trippelde hij
naar het raam, keek naar de stad, zocht herkenningspunten voor zijn nieuwe leven.
Geleidelijk drong het tot hem door: alles werd anders. Hij hoefde niet zo nodig
in gestreken hemd de deur uit. De vaat kon best dagen blijven staan. En er was
niemand meer die hem in het oor zeek dat hij het licht in het toilet niet had
uitgedaan.
Sinds haar vertrek staart hij me langdurig aan, zingt over Lena en de zwaan.
De snavel om haar borst. Zijn blik als een tepelklem.
Droom van melk. Ik zit in een stationsbar, drink een glas melk, koester
meer dan gewone aandacht voor de vrouw achter de bar. Het café is verder
verlaten. Af en toe lopen er mensen binnen, maar ze verdwijnen meteen weer als
ze me zien. Ik knik naar de vrouw, maar ze kijkt de andere kant op. Ik zeg wat
over haar kapsel; er komt geen reactie. Als ik wil betalen, zie ik dat het Lena
is. Ze trekt de knoopjes van haar blouse los en werpt haar borstjes op de toonbank.
Ik buig voorover. De geur van badolie. Het zacht van lamsvlees. Ze sluit haar
ogen. 'Ik zal niet toegeven!' roep ik, strooi het geld over haar melkwitte boezem.
4.
Er zit een gat in de stad. Vanaf het dak in de Rue Fontaine d'Amour kijk ik
uit over een park. Ik zie het rood van beuken, een hond pist tegen de taxus,
jongeren slaan een bejaarde in elkaar. Tussen de bomen zit een gat. Ik ben de
enige die het weet. Af en toe zie ik mensen zich langs de takken omhoog hijsen.
Kruip erin en je bent voorgoed verdwenen. Soms stel ik me voor hoe op een ochtend
alle straten van Schaarbeek dubbel klappen en met een enorm gedonder in dat
gat verdwijnen. In hun vaart sleuren ze de huizen mee, de flatgebouwen, kantoren
en theaters. Alleen de Rue Fontaine d'Amour blijft
bestaan. Eromheen is niets. Ik zou van het dak kunnen klimmen en dat niets binnengaan.
Ik ben een vrouw. Mijn broek zit vol bloed. Als het kon, zou ik elke dag menstrueren.
Dat zuivert het lichaam. Het lokt wolven naar de Rue Fontaine d'Amour.
Onder de dekens broeit de menselijkheid in haar meest pure vorm, geloof me.
De buik zakt uit. Een opgerekte glimlach springt terug in zijn natuurlijke,
vormeloze plooi. Zorgen borrelen op. Verlangens botsen met elkaar. Op mijn rug
onder vaders bed leerde ik hem kennen als een broos en kwetsbaar dier. Handen
die verkrampen in de lakens. Spartelende benen. Het klingelen van zijn huig.
In de nacht wordt de mens teruggeworpen op zichzelf. En dat is voor velen een
verschrikking.
Droom van een engel. Ik sta op het dak van het justitiepaleis. Mijn benen
zijn gebogen en mijn armen horizontaal naast mijn lichaam gestrekt. Een grand
plié bijna. Het plein voor het gebouw staat vol volk. Lange rijen mensen
wachten tot er recht zal worden gesproken. Ongeduldige stemmen roepen naar me.
Er wordt geduwd. En dan zie ik mezelf van een afstand. Ik ben goudkleurig geverfd
en heb witte vleugeltjes die veel te klein lijken om me echt te kunnen dragen.
Honderden monden sperren zich open. 'Spring!' roepen ze. 'Spring!' Ik weiger,
buig nog verder door de benen. De massa komt in beweging. Ze bestormen het gerechtsgebouw.
Lichamen raken vertrapt onder opstandige voeten.
5.
Sluit je ogen, luister: er wordt gebeden in de Rue Fontaine d'Amour. Klaagliederen
stijgen ten hemel, vragen verlossing in dit laatste uur. De Pakistaan smeekt
om geld, de moeder om een stil kind, het meisje om nog één keer
keihard door de straat te mogen racen. Ze vergeten wie ze zijn, smachten naar
een ver en stralend licht, dat eigenlijk al de hele tijd in henzelf verborgen
zit. Moeder bidt voor mij, dat zou ik graag geloven. En vader
Dit is wat ik zag: in dit huis slaapt niemand bij zichzelf. De bedden liggen
vol, maar de lichamen blijven onbeslapen.
Ik ben zeventien jaar. Ik ben Lena. Mijn vader is een lul. Mijn moeder is een
kut. Mijn mond is een aars. Mijn broek zit vol bloed. En ik droom over niets.
In het niets heeft de mens geen schaduw, wist je dat?
Op het einde van de straat is het park. Achter het grasveld staat de taxusstruik.
Krulhazelaar. De rododendrons van het liefdespaar. En dan de rode beuk. Ik kijk
omhoog en zie het gat. Ik denk: hoe lang zal het duren voor de stad in elkaar
is geklapt? Waarom zou ik op het niets wachten, als het daar tussen de takken
hangt?
Ik doe mijn schoenen uit. Het gras kriebelt tussen mijn tenen. Het streelt
me. Hoe lang is het geleden dat iemand me streelde? Echt, bedoel ik dan. Niet
zoals vader, met zijn adem door de matras.
Droom van water. Ik sta op de rug van een vis. Een pijlstaartrog. De schubben
prikken in mijn voeten. De staart zwiept tegen mijn kuiten. Ik probeer me overeind
te houden, zwaai met mijn armen, balanceer op bloedende tenen. Het rood vermengt
zich langzaam met de zee. Waar eerst land was is nu water. Ik denk dat ik op
het water loop, maar het blijkt een meisjesrug te zijn. Ik kijk naar mijn voeten
en val in de purperrode golven.
Ik trek mijn jas uit. Ik wurm me uit mijn hemdje, zonder de knoopjes los te
maken. Mijn broek, mijn sokjes en sandalen. Er zitten schrammen op mijn knieën,
ik zie splinters van het parket.
Dan draai ik me naar mijn schaduw. De zon brandt op mijn rug. Ik schuif mijn
slipje naar beneden en leg het voor me op de grond. Mijn broek eroverheen, de
gesp en de sokjes. Ik kleed mijn schaduw aan met hemd en blouse. Het kettinkje
met de zwaan drapeer ik als een aura rond het zwarte hoofd. Wat is de essentie
van een mens? vraag ik je nog. Is het zijn zwakheid? Zijn angst om groots te
zijn? De liefde die hij zichzelf niet gunt, maar aan zijn schaduw geeft?
Ik hijs me omhoog in de takken. Je hoeft het niet te weten. Sommige vragen
beantwoorden zichzelf. Langzaam, als een stoppelig vogeljong naderen ze hun
voltooiing, om pas als je alles bent vergeten op je schouder neer te strijken,
precies op het juiste moment.
Jef AERTS (°1972) is auteur, docent en muzikant. Hij schreef jarenlang
over podiumkunsten voor dagkrant De Tijd en werkt momenteel als deeltijds
redacteur bij het Vlaams Theater Instituut te Brussel. Verhalen van hem werden
gepubliceerd in DW&B, Yang, De Vlaamse Gids en De
Brakke Hond. Als toneelauteur werd hij betrokken in producties van De Roovers,
Toneelgroep Amsterdam en ZTHollandia. Na Haeren Majesteit (1999) en Vertezucht
(2001) is De nadagen zijn derde roman. In april 2006 verscheen zijn debuut
als dichter, Voor je er bent.