Er waart een spook door Europa, het spook van de melancholie. In de Europese
cultuurgeschiedenis was melancholie altijd een grondstroom, en ze is dat nog
steeds. Geen wonder dat Parijs en Berlijn onlangs te hoop liepen voor een grote
tentoonstelling als Mélancolie, génie et folie de lOccident,
waarin de vinger precies op de wonde werd gelegd. Hippocrates poogde destijds
al het begrip te vatten: Als droefenis en angst lang doorwerken, noemen
we deze toestand melancholisch.
Deus ex Machina onderzocht de weerslag van deze fascinerende gemoedsgesteldheid
in een aantal literaire teksten en laat een aantal essayisten een persoonlijke
blik in de droefgeestigheid werpen. Kris Lauwerys geeft de aftrap vanuit het
Oude Griekenland in zijn essay Een oud zeer, Melancholie doorheen de eeuwen.
Bruno Tritsmans schrijft over Zwarte nonnen, sfinxen en clowns. Agnes Verlet
bewandelt de dunne koord tussen depressie en melancholie in Schrijven tegen
het duister. Bjorn Schmelzer schrijft Over Paul van Nevels melancholische
klanklandschappen en Michiel Kroese over Herinneringen aan de eeuwigheid.
Enkele hedendaagse Vlaamse schrijvers (en één Nederlandse volbloed
melancholicus) werden verzocht om hun gedempte licht te laten schijnen over
het Oude Zeer. Erwin Mortier stond voor dit melancholienummer een exclusieve
voorpublicatie af uit zijn roman in wording. David Nolens ontkooit het lichaam
in zijn verhaal Freejazz van het eenzame lichaam. In Rue
Fontaine dAmour voert Jef Aerts ons mee naar de luwte in het rijk
der schaduwen. Annie van Keymeulen traceert in Troostloedertje Gentse
herinneringen aan haar vader én Karel van de Woestijne. Guido Van Heulendonk
zit dan weer gevangen in Buiten de wereld autobio, een monologue intérieur
waarin hij zijn grimmige variant van melancholie botviert. L.H.
Wiener, troostrijk schrijver in bange dagen, flaneert van woonplaats naar
woonplaats, verliest zich telkens weer in de warme mond van een meisje of een
heks, kan overal en nergens aarden, verliest en wordt keer op keer verlaten.
En Eriek Verpale wentelt zich in directe poëzie in oude klasfotos,
kleine meisjes en grote fabrieken.
Dit nummer is geen ode aan de melancholie. Het is eerder een bezwering én
een voorzichtige anatomie van de melancholie, om met Robert Burton
te spreken. Met essays en verhalen waar de lezer hopelijk een duister maar troostrijk
genoegen aan beleeft. Opgeluisterd werd dit nummer door de Parijse fotograaf
Hervé Baudat en de Zweedse schilder Christopher Rådlund.