Generatie Ground Zero.
Amerikaanse schrijvers over 9/11

nr.118 - september 2006

Marie-Hélène Poitras
De dood van Mignonne & Het huis,
twee verhalen, vertaald door Katelijne de Vuyst

Marie Hélène Poitras werd in 1975 geboren in Canada. Ze woonde achtereenvolgens in Aylmer en Saint-Jean-sur-Richelieu, waarna ze zich in Montréal vestigde. Daar studeerde ze Création littéraire aan de Université de Québec à Montréal (UQAM). Na haar studie werkte ze als literair recensente voor verschillende tijdschriften. Tegenwoordig is ze als hoofdredactrice muziek verbonden aan het culturele weekblad Voir. In 2003 publiceerde ze haar eerste roman, Soudain le Minotaure, een boek dat niet zozeer met mythologie te maken heeft, als wel met introspectie. Mino Torrès is een serieverkrachter, die met zijn vrouw van Guatemala naar Canada verhuist en daar in de gevangenis belandt na de mislukte aanranding van Ariane, een universiteitsstudente. Poitras beschrijft op een indringende manier wat zich in het hoofd van haar personages afspeelt. In het eerste deel vertelt Mino zijn verhaal vanuit de gevangenis, waar hij elke psychologische hulp of hereducatie weigert. Hij evolueert niet, leeft in het verleden en probeert de gedachten aan zijn proces, de aanval, zijn vorige slachtoffers en verkrachtingen (33) levendig te houden. Ariane, het hoofdpersonage uit het tweede deel van het boek, probeert na de aanranding de draad van haar leven weer op te nemen. Ze weigert zichzelf als een slachtoffer te beschouwen, maar ziet zichzelf als een heldin, vastbesloten haar demonen te overwinnen. Poitras’ sterke debuutroman werd bekroond met de prestigieuze Prix Anne-Hébert 2003. In La mort de Mignonne et autres histoires (2005) gooide de schrijfster het resoluut over een andere boeg. Ze schreef twaalf korte verhalen waarin ze een aantal hypergevoelige personages op het toneel zette, die allen op de rand van de desillusie balanceren en op zoek gaan naar verlossing, genade. Zelf omschrijft ze de novellen als ‘zwarte fabels’ en pleit ze onvoorwaardelijk voor het recht op verbeelding: ‘La réalité et moi, on ne se doit rien’, zegt ze in haar Brief aan de inwoners van Rivière-Bleue (Lettre aux habitants de Rivière-Bleue), een reactie op de verontwaardiging na de publicatie van haar verhaal La maison, dat oorspronkelijk verscheen in het tijdschrift Voir (oktober 2003). In weinig pagina’s slaagt ze erin een prachtig spanningsveld te creëren tussen het universele en het individuele, tussen het weidse van het landschap en het claustrofobische van een kelderkamertje, tussen haar sobere stijl en de onthutsende evocatieve kracht van haar verhalen. Beide werken verschenen bij Les Editions Triptique, Montréal.

 

Marie-Hélène Poitras
De dood van Mignonne

Aan Raymond, bijgenaamd Alice, vanwege Alice Cooper

Het was toen je de eerste vogelkreten kon horen, als de nacht zachtjes overgaat in de dag, kortom, het was even voor de koetsiers aankwamen, voor de komst van de paardenknecht en de verlopen travestiet die de koetsen schoonmaakt. Je kon horen hoe de hoeven van Mignonne op het asfalt stuiterden, hoe haar ijzers op de rioolputten kletterden. Ze holde door de rue Basin als een dol, uitgespannen veulen. Ze waren vergeten de deur van haar box af te sluiten; Mignonne had de hele
nacht zenuwachtig in de gang rondgedrenteld tot ze de ton malse haver had gevonden, die was aangelengd met melasse en elektrolyten. Ze had zich te goed gedaan als nooit tevoren, haar mond wijd opengesperd en haar hoofd in het mengsel gestopt om een portie op te schrokken waarvan ze buikpijn zou krijgen. De andere paarden trappelden in de stilte om te laten merken hoe verongelijkt ze waren. Mignonne was opgehouden met eten toen ze op een opengebarsten rat had gebeten, die in het graan gestorven was aan een overdosis krachtvoer.

Zonder oogkleppen werd haar gezichtsveld ruim vijfenveertig graden breder. Mignonne kon voorzien wat er langs haar flanken zou strijken, de boomtakken die als onverwachte en vernederende zweepslagen over haar rug zouden zwiepen. Zonder koets voelde de merrie zich zo licht als Pegasus en dat maakte haar nerveus, ze hief haar knieën heel hoog in de lucht en hervond de gratie van de dravers, haar instinct van eenzame prooi die bij het kleinste krakje op de vlucht zal slaan kwam weer boven. Haar neusgaten verwijdden zich, Mignonne was onstuimig en van haar last bevrijd, haar soepele telgang ging over in een lichte arbeidsdraf, ze bepaalde zelf haar gang, stak haar hoofd naar voren en hield haar hals helemaal gestrekt. Onder haar dichte, haast blauwe manen begon wat zweet op te wellen.

Pointe-Saint-Charles sliep de slaap van een dronkelap. Een grauw licht scheen door de vierkante, met vuil omrande vensterruitjes van de half verlaten pakhuizen. Van oudsher hingen er spinnenwebben die als een krachtig klittenband hadden gewerkt op alle onreinheden die door de lucht dwarrelden: vliegen, stofdeeltjes, wollen draadjes, haren, duivenveren, waterdruppels. In die vertrekken keken de nachtwakers tv. Het was het uur waarop er geen pornofilms meer worden uitgezonden en het ochtendprogramma voor kinderen nog niet begonnen is, het uur waarop muurzwabbers worden verkocht, zelfreinigende afvalvermalers en elektrische dekens: het uur van de onmogelijke voorwerpen die onontbeerlijk worden. Niemand hoorde de hoefijzers van Mignonne die door de stukgevroren straatjes liep, waarvan het wegdek vol gaten zat door de dooi.

Hortend, verhit, in de roes van die bevrijding draafde ze verder, terwijl ze de kuilen ontweek. Op zoek naar een plek die haar eraan zou herinneren dat ze deel uitmaakte van de natuur bleef Mignonne staan voor een grote, groene weide, een openbaring, een luchtspiegeling haast: de voorzijde van het kantoorgebouw van de Postes Canada. Ze liep verder terwijl ze het gras opsnoof, ging liggen om vervolgens over de grond te rollen zoals wilde paarden doen of veulens die om hun moeder dartelen. Zodra ze opnieuw op haar benen stond, haar manen bezaaid met klaverbloemen, sprietjes en halmen begon ze het verse gras te verslinden, een ander soort voer op te schrokken dan haver die al gekiemd had of stro van vijfentwintig cent voor een baal: dit malse, goedverzorgde groen was als een streling voor haar verhemelte. En Mignonne bleef zo een uur lang grazen, tot eindelijk de postbodes en de postauto’s ankwamen.

Toen een man met een dikke, gele kabel op haar toeliep, sloeg de merrie op de vlucht, waardoor de paarse bloemblaadjes die in haar manen zaten wegvlogen en ook de lila lovertjes die op haar schouder plakten. Het was begin juni en de seringen geurden zo sterk dat je er haast misselijk van werd, vooral ’s ochtends, vóór het eerste kopje koffie.

Tijdens de jaren waarin de merrie voor een koets was gespannen, had ze geleerd halt te houden bij de verkeerslichten en op het juiste moment te vertrekken terwijl de koetsier zich tot de klanten richtte. Het was een betrouwbaar, voorzichtig en verstandig dier. Maar die morgen, toen de indigo lucht roze begon te kleuren – het zou erg warm worden, de oudste paarden zouden op stal blijven – kon je zien hoe een wit paard het rode licht negeerde en driest van de ene naar de andere
rijstrook zwalpte.

Toen Mignonne op het place d’Armes was aangekomen, onder de in brons vereeuwigde Chomedey de Maisonneuve1, dronk ze zoals je een paard nooit laat drinken. Ze sprong in de fontein, plantte haar vier hoeven in het water en nam grote slokken uit de turquoise lagune. Ze dronk zoveel het haar beliefde, exact de hoeveelheid waar ze zin in had. Meeuwen fladderden om haar heen en cynische vogels spotten met de muntstukken die de mensen in de fontein hadden
gegooid voor wensen die nooit in vervulling zouden gaan: beter in hun vel zitten, aan geld komen, aantrekkelijker worden, kwam dat meisje maar terug, niet zo bespottelijk zijn, snel doodgaan, oud worden, voorgoed gelukkig zijn, kortom, al die angstwekkende gedachten die als een vervloekte, dolgedraaide carrousel de slaap van de slapelozen verstoren, tot ze echt bang zijn geworden.

Door het lawaai van de auto’s en de koffiemolens die de vettige bonen maalden, kon je vermoeden dat de stad ontwaakte, door de neonlichten van de wisselkantoren die aanfloepten en de insecten verschroeiden, door de zwervers die uit het oosten van de stad terugkeerden om zich op de banken en onder de bomen uit te strekken, door de eerste taxi’s die rustig naar de luxehotels reden, door de zoete bloemen die ontloken als het geslacht van een vrouw. Mignonne zou worden opgemerkt, nu al deed het gerucht de ronde in de kantoren van La Presse, een paar galopsprongen daarvandaan: een loslopend, sneeuwwit paard stond in de fontein te drinken.

Maar de merrie voelde zich gestoord door de dingen die rondom haar ontwaakten en sloeg op de vlucht. Ze stortte zich in het verkeer, tussen de auto’s, op de trottoirs, ze draafde in volle vaart door onbekende straten, met haar manen in de wind zoals de paarden op een kalender. Haar snelheid nam de vorm aan van paniek, van een vlucht, angstig stoof Mignonne ervandoor. Toen ze een motor zag die haar de weg versperde, stootte ze een zacht gehinnik uit, bracht haar
vier ledematen samen en zette zich af om over het voertuig heen te vliegen, zoals een Hollands springpaard of een warmblood, paarden die als diva’s worden behandeld.

Mignonne trappelde zenuwachtig tussen de hoeren die heupwiegend in de rue Ontario stonden, hopend op een laatste klant voor ze naar huis gingen om te slapen, en ze toverde een glimlach – een echte glimlach – op het gezicht van Lola, vierendertig jaar, afgeleefd, latente herpes, drie abortussen, slecht opgespoten iliconenborsten die zo zwaar waren dat ze haar rug blokkeerden. De mascara tekende bittere schaduwen op haar afgematte gezicht, maar er brak een straaltje leven door, een restje verwondering. Lola was nog niet helemaal dood.

En Mignonne ook niet. Maar door de overdosis haver waaraan ze haar hart had opgehaald en het te snel opgeslokte chloorwater dat ermee vermengd was, begon haar vaart te minderen.Toen ze de boulevard Pie-IX bereikt had, liep ze de berm af op zoek naar een verlaten plek. Ze liep naar het zuiden, naar de stilte. Niet ver daarvandaan vormde een oude spoorlijn een soort litteken in het verdorde gras. Na de velden die in de vergetelheid wegrotten, strekte de rivier zijn arm uit. Leegstaande barakken stonden hier en daar in het landschap, lieten hun gebarsten ruiten zien die leken op gebroken tanden; de plek leed aan wolf. Wellicht kwam men hiernaartoe om met iemand af te rekenen, weerspannige lieden neer te knallen, dode honden te dumpen en oude sofa’s vol urinevlekken. De perfecte plaats om vlak voor een overdosis te beseffen hoe leeg de wereld is, een van die braaklanden waar metaal decennialang ligt te roesten tot het verandert in een rossig poeder dat op heroïne lijkt, op biologische rietsuiker, op schimmel gedroogd in de zon. En tot dat stof in de rivier dwarrelt en er vermengd wordt met het plankton dat in het zoete water drijft. Niet ver daarvandaan een verlaten baseballveld, begroeid met lange grassen en theebloemen. Afgemat stortte Mignonne dicht bij het eerste doel op haar rechterflank neer.

Elk paard dat neervalt, is een klein drama in het heelal, een onzichtbare aardbeving die overeenstemt met het omhakken van een boom, de geboorte van een olifant, het smelten van een ijsberg. In afwachting van het einde, met dichtgeknepen maag, lag Mignonne zacht in de zon te lijden. Haar lange wimpers, haar ogen bedekt met waterig slijm, haar zilveren staart die de vliegen niet langer zou verjagen en, ten slotte, de roze wolk die door haar halfronde neusgaten werd uitgeblazen, de laatste adem die een kaarsje op het stuifmeel van de bloemen deed wegvliegen.Later zou men Mignonne terugvinden. Men zou dan een deken over haar lijk leggen, zo’n deken die nooit echt het hele lichaam van een dier kan bedekken. Men zou de vier hoeven zien uitsteken.

Juist door dat detail zouden de koetsiers moeten huilen.

 

Marie-Hélène Poitras
Het huis

Aan Benoit Jutras, die de kunst verstaat een
leegstaand huis te bezoeken alsof hij zijn hele
leven niets anders heeft gedaan. Hij was het
trouwens die me gezegd heeft naar binnen te gaan.

Een vergeten dorp, een hospice, een plaats die je achterlaat zoals je je ondergoed in de vuilnisbak van een snikhete motelkamer gooit nadat je de minibar hebt geplunderd, vanwege de herinneringen die in je opkomen telkens als je het weer aantrekt en opnieuw de kamer betreedt. Je vindt er slechts één motel, een restaurant, een stationnetje omgebouwd tot ambachtelijke winkel waar je een prikkende donsdeken en oude gekreukte ansichtkaarten kunt kopen. Zelfs al is het donker, ’s nachts, in Rivière-Bleue, toch kun je makkelijk de Witte Zwaan vinden om er een kamer te huren. De zeldzame lantaarns staan er niet om het landschap op te smukken, maar om een greppel te verlichten, om een boom aan te duiden, om ervoor te zorgen dat je de affiches kunt lezen en in leven blijft.

Je oog valt meteen op twee lichtbeelden. In het noorden is er de zwaan met zijn donzige veren, die op een fluorescerende plas drijft. Een smakeloos lettertype schreeuwt dat er kamers vrij zijn, en dat je er vierentwintig uur op vierentwintig naar een XXX-film kunt kijken, in een kamer met airco waar je in slaap valt onder het aandachtige oog van een geborduurde poedel die in een melamine lijst zit, en waar je indommelt, omringd door stillevens, schilderijen van vergeelde meren, herfstlandschappen doorkliefd door immer vette ganzen. Pal in het stadscentrum knippert het kruis van de kerk als om een casino aan te duiden, een kroeg, een tent met pizza’s van 99 cenne [2]. Waar de dwarslat en de stijl elkaar snijden, flakkert kortstondig, met onregelmatige tussenpozen, een martelaarsgezicht op. Je denkt Christus te zien met ten hemel geslagen ogen, boven zijn hoofd een fel stralende aureool van paars neon.

De Transcontinental verdeelt de nacht in drie stukken. De rails beginnen tegen twee uur’s nachts te trillen, vervolgens wat later, om vijf uur. Het kan lang duren voor je eraan went. Aan de overkant van de spoorweg bevindt zich een vergeten camping. De mensen doen alsof hij niet meer bestaat, ze laten onkruid groeien op het zanderige terrein. In de blootliggende wortels brengen de sprinkhanen geluiden voort van brekende twijgjes en spattende bellen. Een oude schoolbus staat midden in de speeltuin te roesten. Iemand heeft het stuur en twee of drie banken losgerukt, maar het kruis en het geurdennetje hangen nog altijd aan de achteruitkijkspiegel.

Alsof er niets aan de hand is, alsof het niemands schuld is.

Alles hier ademt verwachting, doet denken aan het verleden, het loslaten. Het dorp is tot stilstand gekomen en de rivier stroomt niet langer. Kleine melkwitte bloemen doorpriemen het bruinachtige water waarvan je je slecht kunt voorstellen dat het ooit blauw is geweest. Dit alles om te zeggen dat het verlaten huis in de rang [3] des Peupliers veel beter op zijn plaats lijkt dan iemand dat kan zijn, die probeert zich voor te stellen wat er in de verdorde tuin zou kunnen liggen.

Op de eerste verdieping zijn de gordijnen dichtgeschoven. Op de begane grond belemmeren dozen en gekreukt papier het uitzicht, behalve aan de zijkant van het huis waar een kleine opening in het papier doet vermoeden dat iemand naar buiten heeft willen kijken, een verstikkend gevoel had, alsof hij in een kist opgesloten zat. De veranda is van oud grijs hout, geverniste as, zou je zeggen, en de achterdeur is niet vergrendeld. De pioenen aan weerszijden van het verkleurde vloerkleed zien eruit als verlepte varens. De zeldzame personen die zich in het huis hebben gewaagd, zijn er niet lang gebleven. Vanwege het onaangename stijve gevoel in je nek dat je meteen overvalt zodra je de deur achter je hebt dichtgetrokken. De schimmel wellicht die het pleisterwerk van de muren heeft aangevreten, een soort zerpe zwam die je naar de keel grijpt, die je verstikt en luchtstromen aan den lijve laat voelen.

Het is binnen kouder dan buiten.

In de salon heeft men de meubelen die een halve eeuw oud zijn omgedraaid en daarna met witte lakens bedekt. Er hingen hier heel wat lijsten aan de muur, wellicht familiefoto’s. Lichte vierkanten doen vermoeden waar ze hingen, een ton sur ton aangebracht in een palet van koffie-met-melktinten. De keuken is leeg, op een smerig kopje en een zwartgeblakerd keteltje na, die op het aanrecht zijn achtergebleven. Een libel zo groot als een pink ligt in de gootsteen te rotten, zijn losgeraakte vleugels als twee gestolde tranen.

Er zit geen water meer in de buizen.

Op de eerste etage is het huis niet haveloos, alsof men de onderneming halverwege heeft opgegeven, alsof men het oord in allerijl heeft moeten verlaten, zonder ook maar de tijd te nemen om de deur te vergrendelen. Er zijn drie slaapkamers: die van de heer en de vrouw des huizes waar, aan het voeteneind, drie overhemden netjes en zorgvuldig opgevouwen liggen; een gastenkamer versierd met een reusachtig, voor een kwart gevuld aquarium dat tot de buitenrand begroeid is met algen en mos. In de derde kamer heeft een meisje van een jaar of tien geslapen, dat dol was op roze en op paardrijden. In deze bewusteloze kamers zitten de meubelen en het vloerkleed onder lagen stof, je vindt het in bollen verzameld in de hoeken, in zware, zilveren, wattige dotten die aanzwellen naarmate de tijd verstrijkt. Tijdens de voorbije winters is het stof bij de ramen in plakken vastgevroren. Als je erop slaat, weerklinkt met enige vertraging een dof geluid en komen de vezelige stukken los, zoals wanneer je een vijg doorsnijdt of de lever van een eend.

Door het raam van de badkamer kun je duidelijk een gestalte zien liggen midden in de tuin – een omgevallen vogelverschrikker, met zijn gezicht in de aarde gedrukt – waarvan de eerste aanblik je doet schrikken. De man van stro draagt een kinderpantalon en een ruiterjasje voor een juniorenwedren. In de wc, in het gat, is een geheel weke spitsmuis van paniek doodgegaan toen ze vergeefs probeerde te ontsnappen langs de weg die ze was gekomen.

Maar het zou ook een verschrikt molletje kunnen zijn.

Niemand maakt zich nog zorgen om dergelijke details, dat is allang zo.

Blijft nog de kelder over.

 

Grote glasplaten staan nog tegen de muur, maar de tuben pastelverf zijn met een kristallen gekletter op de grond gerold. Je bent in het atelier van een man die neonreclames maakte en van playmates hield. De verbijsterende montage van pin-ups met ronde heupen, het patchwork van stramme bimbo’s met een guitige look en rode wangen geeft aan dat de man die in dit vertrek werkte, gestorven is lang voordat hard en volledige lichaamsontharing in de mode kwamen. Je stelt je hem voor als kind, enigszins ontdaan door het schouwspel van zijn moeder die de haantjes met een uithaal van haar nagels castreerde, een jongetje blij met een eenvoudig bolletje vanille-ijs geserveerd in een colaglas, dat hij ’s avonds in pyjama oplepelde op de treden van de verandatrap, terwijl hij een bastaardhondje over zijn kop aaide.

Onder de tafel waarop hij het glas sneed en de neonlampen bewerkte die je boven de etalages van bijna alle handelszaken in de naburige steden en dorpen ziet hangen – van Pohenegamook tot Rivière-du Loup, zonder Cabano te vergeten –, ligt een oud machinaal vervaardigd vloerkleed waarop je beter niet blootsvoets kunt lopen, vanwege het glasslijpsel en de splinters die in de vezels verborgen zitten. Onder dat vloerkleed planken van ruw hout, met knoesten als de gezichten van gekwelde oude mannen. Je moet weten welke je moet optillen om bij een erg onopvallende handgreep te kunnen komen, die je met een korte slag naar de grond duwt, of liever naar de kelder, want je bent dan onder de grond, in een holte uitgegraven als een geheime bergplaats waar je je erfenis in een brandkast kunt stoppen voordat je de sleutel ervan laat verdwijnen in een lade met spijkers, of de dagboeken van een heel leven, de liefdesbrieven in een trommel waarin vroeger zandkoekjes zaten in de vorm van engelen, sparren, kronen en klokken. In oorlogstijd hebben mannen zich er schuilgehouden, die een radio bij zich hadden waarop niet veel werd ontvangen. Je kunt er een minnares onderbrengen. Je kunt ook, zoals in dit geval, in deze kelder de lijken leggen van een meisje en haar ouders, die met een karabijn werden afgemaakt. Een karabijn waarop je, als je de moeite zou doen ernaar te zoeken, de afdrukken zou vinden van een vrouw die soms een kamer reserveerde in de Cygne Blanc, waar ze op het bezoek van een man wachtte. In een metalen ketel, dicht bij de lijken waaraan de ratten hebben geknaagd, zou je verkoolde flarden vrouwenondergoed vinden en je zou er ten minste de baleinen en de sluiting van een beha tussen herkennen. Een tweede ketel, die een chloorhoudend mengsel bevat, bestemd om het huis in de lucht te laten vliegen, is nu gestold tot een witachtig cement.

Het plan van de explosie is mislukt, maar het huis zinkt, net als het dorp, net als deze misdaad, weg in vergetelheid met de nonchalance van de sloepen die, op welk uur van de dag ook, over het rustige water van het lac Beau glijden.

 

Katelijne DE VUYST (°1958) vertaalt romans en poëzie voor uitgevers in Vlaanderen en Nederland. Ze is medewerker van de Poëziekrant. Ze vertaalde werk van o. a. Borges, Cioran, Mina Loy, Pierre Péju, Anne Sexton, Olivier Rolin, Dylan Thomas, Stevie Smith (net verschenen onder de titel Een geur van papaver) en Patti Smith (zopas verscheen Tekenen van onschuld, vertaling van de bundel Auguries of Innocence).

terug