Generatie Ground Zero.
Amerikaanse schrijvers over 9/11
nr.118 - september 2006
Marnix Verplancke Business as usual, schrijven na 9/11
Wil je een Brits schrijver eens flink te grazen nemen, dan zeg je dat zijn
werk je iedere keer weer doet denken aan dat van Jeffrey Archer. Dit voormalig
conservatief Lagerhuislid geldt immers als een van de grootste fabulanten -
de verhalen die hij vertelt over zijn afkomst zijn grandioos, waarbij hij er
niet voor terugschrikt zijn vader te huldigen met ronkende, maar louter denkbeeldige
diplomatieke titels - en een van de kleinste schrijvers van het Verenigd Koninkrijk.
Niet in staat een originele plot te bedenken schrijft hij in zijn typische schabouwelijke
stijl een clichéverhaaltje neer en verkoopt daar op zijn gemak een paar miljoen
exemplaren van. Want één ding moet je die goeie ouwe Jeffrey nageven: hij weet
zijn publiek in te pakken. Toen hij in 2000 wegens meineed veroordeeld werd
tot vier jaar gevangenschap steeg er uit menige nachtelijke huwelijkssponde
een schrille vrouwensnik op.
Afgelopen voorjaar kwam Archers nieuwste roman op de markt, False Impressions,
waarin een volstrekt ongeloofwaardige kunsthistorica verhindert dat een malafide
bankier en ex-vriend van de Roemeense dictator Ceausescu de Van Gogh van een
adellijke Engelse dame inpikt, het bekende zelfportret met het afgesneden oor.
Zoals te verwachten duikt er natuurlijk ook een replica van dit doek op en slaagt
de kunsthistorica er met haar ongelooflijk diepgravende kennis in het echte
schilderij van het valse te onderscheiden. De schilder had zichzelf immers met
een omzwachteld rechteroor afgebeeld, ook al had hij het mes in het linkerlichaamsdeel
gezet. Het doek waarop Van Gogh een omzwachteld linkeroor heeft, is dus de vervalsing:
een echte ‘haha-erlebnis’, zoals u al vermoedde.
Allemaal goed en wel, denkt u nu wellicht, maar wat heeft dat met 9/11 te maken?
En daar heeft u natuurlijk gelijk in. Maar er is wel degelijk een link. Aangezien
Archer op die befaamde 11de september rustig zat te brommen achter een stel
Engelse tralies en er dus geen vrolijke vrouwen in het vizier waren die verleid
dienden te worden, had hij alle tijd van de wereld om zijn fantasie de vrije
loop te laten. Die neerstortende torens zouden wel eens een gigantische verkoopboost
kunnen opleveren, moet hij gedacht hebben. Wie zou er immers geen roman willen
lezen waarin ze een rol spelen? En dus verzon hij de plot van False Impressions,
liet een klein gedeelte ervan in de noordelijke toren spelen en zorgde ervoor
dat zijn kunsthistorica de laatste mens was die levend door de deuren naar buiten
stapte. Over New York en de gevolgen van de aanslagen voor de stad en het land
had hij natuurlijk niets te melden, maar zijn gimmick was binnen, wat ervoor
zorgde dat een recensent van The Guardian zijn roman netjes in twee zinnen
kon samenvatten: ‘Crook tries to make money out of 9/11. Just like his characters.’
Spionage, terrorisme en politiek geïnspireerd geweld zijn traditioneel onderwerpen
voor wat de Engelsen ‘trash literature’ noemen: boeken waarin de slechte, diabolische
zij tegen de goede, onschuldige wij vechten en die appelleren aan de meest basale
gevoelens en instincten van de lezers: wij worden bedreigd, dus moeten we van
ons afbijten. Het was George Tomkyns Chesney die in 1871 dit genre boven de
doopvont hield met zijn verhaal ‘The Battle of Dorking’, dat in het respectabele
Blackwood’s Magazine verscheen. Hij beschrijft erin hoe een onbekende,
maar - wat had u gedacht? - Duitssprekende invasiemacht Engeland onder de voet
loopt en het daarop leegzuigt. Waren we maar voorbereid geweest, zo zouden we
de moraal van het verhaal kunnen samenvatten, en dat was een boodschap die aansloeg.
Gedurende een paar decennia zouden er honderden variaties op dit stramien verschijnen,
waaronder een paar bekende zoals H.G. Wells’ The War of the Worlds en
Bram Stokers Dracula, en wellicht is ook Ian Flemmings James Bond een
verre nazaat van dat verhaal. In hoeverre dat soort literatuur bijgedragen heeft
tot het enthousiasme waarmee Groot-Brittannië in 1914 tegen de Duitse troepen
optrok zal natuurlijk altijd een vraag blijven, maar dat er een invloed was,
betwijfelt niemand.
Trash over terroristen die vliegtuigen in Amerikaanse wolkenkrabbers lieten
vliegen was er al lang voor 9/11, net zoals er romannetjes - en films - waren
over ontploffende kerncentrales, vuile atoombommen en met explosieven tot barsten
gebrachte stuwdammen. De realiteit mag dan erger zijn dan de verbeelding, veel
zal het in ieder geval niet schelen. Maar de serieuze literatuur, zo kreeg men
overal te horen, hield zich met zulke flauwe zaken niet bezig. En inderdaad,
als terrorisme al voorkwam in literaire romans, wilde het meer doen dan zomaar
wat knal- en vuurwerk veroorzaken. Het wilde iets zeggen over onze hedendaagse
maatschappij.
Een van de weinige gewaardeerde Amerikaanse schrijvers die zich al in de jaren
zeventig met terreur als literair onderwerp inlieten was Don DeLillo, die er
in romans als Libra en Mao II niet voor terugschrok terroristen
op te voeren en daardoor vandaag als een soort profeet wordt beschouwd, wat
hij nog steeds een beetje als een egostrelende verrassing ervaart. Toen de
Frankfurter Rundschau hem bijvoorbeeld een paar jaar geleden vroeg waarom
hij toen al over terroristen schreef, antwoordde hij volstrekt to the point
dat hij dat deed omdat die er nu eenmaal waren: ‘Het was een dramatische en
gevaarlijke periode. Er werd praktisch iedere dag een vliegtuig gekaapt, je
had de revolutie in Iran en de oorlog in Beiroet. Ik beschreef gewoon wat ik
om me heen zag.’ Waarmee hij meteen ook impliciet zei dat zijn collega’s met
een fraai stel oogkleppen door het leven gingen. Maar natuurlijk niet allemaal.
Zo schreef Paul Auster zijn Leviathan, opgedragen aan DeLillo trouwens,
over een uitgebluste schrijver die het gemunt heeft op kopieën van het Vrijheidsbeeld
en die daarom laat ontploffen. David Foster Wallace voerde in zijn kolossale
Infinite Jest een stel uit Quebec afkomstige rolstoelterroristen op
die zich verzetten tegen de Organization of North American Nations (ONAN) waarin
de VS en Canada opgegaan zijn. En Philip Roth introduceerde in het bloedmooie
Amerikaanse pastorale Merry Levov, het stotterende meisje dat uit protest
tegen de Vietnamoorlog een postkantoor de lucht in laat vliegen.
Het waren niet de minste schrijvers en in feite pasten hun boeken in een traditie
die al in de negentiende eeuw was ontstaan, met werken als Dostojevski’s Demonen,
Conrads De geheim agent en Henry James’ The Princess Casamassima,
over Lionel Trilling, een verarmde, gevoelige jongen die zich aansluit bij een
revolutionaire organisatie, gevraagd wordt een rijke aristocrate te vermoorden
en zo ontdekt dat de proletarische revolutie niet in overeenstemming te brengen
is met zijn persoonlijke esthetische normen. Hij kan de prinses niet om het
leven brengen en pleegt daarom zelfmoord. De aard van het terrorisme is bij
DeLillo, Auster, Foster Wallace en Roth natuurlijk anders geworden, minder persoonsgebonden
en meer tegen de maatschappij als geheel gericht, maar in feite zijn de doelstellingen
nog net zo nobel als voorheen. Met uitzondering van Bret Easton Ellis misschien,
die in zijn Glamorama een stel Parijse modeterroristen ten tonele voerde
die louter omwille van het spektakel en het esthetisch genot aanslagen plegen,
portretteerden de pre-9/11 schrijvers die zich met terrorisme inlieten linkse
politieke idealisten die de wereld wilden verbeteren en waarmee dus best te
sympathiseren viel. Don DeLillo heeft bijvoorbeeld nooit onder stoelen of banken
gestoken dat hij de rol van de linkse terrorist en die van de schrijver van
hetzelfde allooi achtte. Beiden wilden de gevestigde orde ter discussie stellen
en ondermijnen en beiden deden dit vanuit hun duistere achterkamertje waar ze
hun snode plannetjes konden beramen zonder inkijk van buitenaf.
Met 9/11 is daar radicaal verandering in gekomen. Geen enkele Amerikaanse schrijver
kan zich vinden in de doelstellingen van de tien die de Twin Towers naar beneden
hebben gehaald. Dit is geen links terrorisme dat de wereld vooruit wil helpen,
maar fundamentalistische misdaad die ons terug wil voeren naar de Middeleeuwen.
De schrijvers voelen geen ideologische affiniteit met de terroristen en kruipen
in hun boeken dan ook niet in hun huid. Bovendien is er het grote cultuurverschil.
Traditioneel was het terrorisme dat in de literatuur voorkwam nationaal: Amerikanen
die zich tegen de eigen overheid keerden en daarom overgingen tot al dan niet
zinloos geweld. 9/11 was anders. Voor het eerst sloeg het internationale terrorisme
toe op Amerikaanse bodem en dat maakte dat er een enorme kloof ontstond tussen
schrijver en terrorist.
Wie zou het aandurven de Rubicon over te steken om in de huid van een Arabische
terrorist te kruipen, vroeg het Amerikaanse schrijversgilde zich af, en misschien
nog wel belangrijker: wie zou erin slagen daarbij niet op zijn bek te gaan?
Als was hij een jong bloedje van vijfentwintig diende John Updike zich aan met
De terrorist, de roman waarin hij - een kleine concessie - een Iers-Egyptische
terrorist opvoert, de 18-jarige Ahmad. De jongen komt in de klauwen van een
fundamentalistische imam terecht en wordt klaargestoomd om in New York een vrachtwagen
in een tunnel onder de Hudson tot ontploffing te brengen. Updike goochelt met
citaten uit de koran, doet alsof hij zelf dagelijks op blote voeten in de moskee
zit, maar weet in feite niet te overtuigen. Hij is vanouds immers de chroniqueur
van blank, protestants middenklasse-Amerika, met een fixatie op high school,
basket, seks en dood. Hij weet hoe hij daarmee moet omspringen, en dat blijkt
bijvoorbeeld wanneer hij Ahmads leraar en moeder samenbrengt en de koffer in
laat duiken. Dan is hij in zijn element: originele scènes met heerlijk ambivalente
dialogen. De zestien pagina’s waarin hij de vrouw van de leraar, halftime bibliothecaresse,
115 kg en verslaafd aan tv-shows, in monoloogvorm verslag laat uitbrengen van
haar uitzichtloze leven zijn al even grandioos, maar wanneer hij het over Ahmad
heeft en diens rotsvaste geloof in Allah, merk je dat er iets schort. Hier begeeft
Updike zich op onbekend terrein en moet hij al te veel terugvallen op secundaire
informatie. Ahmad slaagt er slechts moeizaam in het cliché te overstijgen en
het is overduidelijk dat Updike van het ware leven van de arme islamitische
immigranten geen kaas heeft gegeten. Het begin van het boek, dat volledig op
Ahmad focust, is bijvoorbeeld bijzonder stroef en je hebt als lezer tijd nodig
om je weg te vinden, niet in de denkwereld van Ahmad zelf, maar in de manier
waarop Updike zich die voorstelt. De culturele kloof tussen Updikes WASP-mentaliteit
en het islamfundamentalisme van Ahmad is dus duidelijk te breed en de schrijver
gaat genadeloos op zijn bek.
Naar verluidt werkt ook Martin Amis aan een terroristenroman, die begin 2007
zou moeten verschijnen. Hij kruipt daarin in de huid van de leider van de 9/11-terroristen,
Mohammed Atta, en maakt allerlei grappen en grollen over de parallel tussen
de fysieke constipatie waardoor de man geplaagd wordt en zijn psychische blokkering.
Als dat maar goed afloopt, denken we dan.>
Gelukkig zijn er nog genoeg Amerikaanse schrijvers die de eerste les van de
cursus ‘Hoe schrijf ik een relevante roman?’ wel onthouden hebben en die zich
dus niet als een jong veulen vergalopperen aan het eerste het beste stomme idee
dat in hen opkomt. Het zijn degenen die schrijven over waar ze iets van afweten:
zichzelf, hun omgeving en hoe die veranderd is door de aanslagen van 9/11. En
soms helpt het toeval een handje. Kijk bijvoorbeeld naar Alice Sebolds De
wijde hemel, een roman die op het eerste gezicht helemaal niets met de aanslagen
te maken heeft, maar waarvan de onterechte monsterverkoop in de V.S. alleen
maar aan een overemotionele reactie op 9/11 geweten kan worden. Sebold, zelf
ooit het slachtoffer van een gewelddadige verkrachting, laat de veertienjarige
Susie Salmon vanuit de hemel vertellen hoe seriemoordenaar George Harvey haar
op een winterdag in 1973 een onderaards hol binnenlokt, verkracht en de keel
doorsnijdt. Wie de dader is, weet je hier meteen, maar het is dan ook niet Sebolds
ambitie een whodunit te schrijven. Susie zit daar niet voor niets naar
beneden te kijken vanuit haar hemel, dat stelt haar immers in staat ons te vertellen
hoe een shockerende moord over een periode van tien jaar een gezin kan verscheuren
en vervolgens weer bij elkaar brengen. En daar is het natuurlijk allemaal om
te doen. Het gezin is totaal uit het lood geslagen, maar weet op de lange duur
uit zijn verdriet toch de kracht te putten om verder te gaan. De herinnering
aan de overledene geeft energie en - wat een troost voor de lezer en voor de
natie die duizenden onschuldige slachtoffers te betreuren had - zal uiteindelijk
toch niet nutteloos geweest zijn.
De wijde hemel verscheen in de V.S. in de lente van 2002 en de drukker
kon het papier niet snel genoeg laten aanrukken om aan de vraag te voldoen.
Dit succes was een volkomen fluke en de poeha die eromheen werd gemaakt was
rationeel gezien niet in overeenstemming te brengen met de flauwe meligheid
van het boek. Echt beschamend is bijvoorbeeld de scène die een jaar na Susies
dood speelt en waarin zowat het hele dorp waar ze woonde spontaan naar het veld
komt waar het meisje werd vermoord. Ze hebben kaarsen bij zich en gele narcissen,
ze geven elkaar een hand, iemand begint te zingen, de rest valt zachtjes in
en als lezer krijg je ongewild kotsneigingen. Over de Amerikaanse literatuur
kan veel gezegd geworden, maar niet dat deze snotterige weekendfilmkitsch een
van haar hoogtepunten is. Maar het vormde blijkbaar wel een troost voor de gewonde
natie.
Sebolds onderwerp was de rouw: de vraag hoe je kunt rouwen om iemand die plotseling
verdwijnt en van wie je geen afscheid hebt kunnen nemen. Heel anders en een
stuk subtieler wordt hetzelfde onderwerp behandeld in Jonathan Safran Foers
Extreem luid & ongelooflijk dichtbij. In deze roman, die in de lente
van 2005 verscheen en daardoor een afstandelijker en genuanceerder kijk geeft
op de dingen, gaat de elfjarige Oskar op zoek naar wat er van zijn tijdens de
aanslagen van 11 september verdwenen vader zou kunnen resten. Hij vindt een
sleutel in een envelop met daarop het woord black, belt alle Blacks van New
York af en gaat zo inzien dat zijn eindeloze zoektocht in feite zijn persoonlijke
manier is om afscheid te nemen van zijn vader. Ooit was zijn opa op de vlucht
gegaan voor een harde emotionele dobber en die ene Black die toevallig in Oskars
eigen flat woont heeft uit protest tegen de gruwelijkheid van de wereld zijn
beide gehoorapparaten uitgezet. De weigering om nog langer mee te draaien in
de wrede mallemolen van het bestaan is een thema dat regelmatig terugkeert in
Foers roman en Oskar heeft ongetwijfeld zijn naam te danken aan De blikken
trommel van Günter Grass, maar voor hem biedt de vlucht noch de weigering
om de wereld nog langer aan te horen een uitweg uit zijn persoonlijke rouwproblematiek.
Hij beseft dat de realiteit zich niet laat negeren en komt uiteindelijk tot
de conclusie dat de lege kist die zijn moeder als een symbolisch ritueel heeft
laten begraven zo gek nog niet was.
Rouw gaat nogal eens gepaard met het opduiken van de schuldvraag: hoe heeft
het ooit zover kunnen komen en waarom juist wij? Wie draagt daarvan de schuld?
Het makkelijkst is het natuurlijk om gladjes te beweren dat die fundamentalisten
een stel gekken zijn en dat ze daarom maar beter meteen een kopje kleiner gemaakt
kunnen worden, wat een optie is die vooral in de trash literature gekozen wordt.
Van serieuze schrijvers wordt meer zelfkritiek en maatschappelijk inzicht verwacht
en wie trekt er dan zoals altijd de kar? Don DeLillo natuurlijk, de man die
de V.S. steevast als een gedegenereerde maatschappij portretteert die omkomt
in haar eigen desinformatie en vuilnis. De geschiedenis wordt volgens DeLillo
niet gestuurd door mensen, maar door mentaliteitsstromingen en ideologieën.
In Kosmopolis, dat een jaar voor de aanslagen van 11 september speelt
en waarvan de laatste bladzijden geschreven werden op het moment dat de torens
tegen de grond gingen, volgen we Eric, een beursspeculant die door de enorme
bedragen waarmee hij dagelijks goochelt, ieder contact met de realiteit verloren
heeft. Hij ziet geen gevaar en stuurt - hoe profetisch - zijn tot dan toe schramvrije
witte limousine recht een anti-Bushbetoging in. Hij hoort het geroezemoes niet
om zich heen en voelt niet hoe de dreiging met de dag toeneemt. Terroristen
trekken op naar New York en zullen in de nabije toekomst ongetwijfeld toeslaan,
maar Eric weet van niets, want in tegenstelling tot Foers kleine Oskar heeft
hij niet de moed om bij de gevolgen van zijn acties stil te gaan. Hij vlucht,
niet fysiek maar wel mentaal, in zijn job. Hij propt zijn dagen zo vol werk
dat hij gewoon geen tijd meer heeft om zich af te vragen wat de anderen van
hem denken en of hij hen niet ongewild voor de voeten loopt. Ook al ging Kosmopolis
dus niet over 9/11, het wist wel perfect in de richting te wijzen waar we
de oorzaken ervan moeten zoeken: een arrogant kapitalisme dat geld vooropstelt
en achter de dollarbiljetten de gezichten niet meer ziet. Volgens Don DeLillo
was de Amerikaan in de twintigste eeuw ten prooi aan de financiële verdwazing
en vervreemding en met 9/11, de dag dat voor hem de eenentwintigste eeuw een
aanvang nam, kwam daar een eind aan. DeLillo zegt niet met zoveel woorden dat
Amerika de aanslagen aan zichzelf te wijten heeft en dat we hier met een geval
van uitlokking te maken hebben, maar hij suggereert het wel. Het land was een
afdeling van Wall Street geworden en in hoeverre daar vandaag verandering in
is gekomen blijkt uit hoeveel minder aandacht beursnieuws nu wel krijgt. De
mens heeft het kapitaal van de voorpagina’s verdrongen en daar kunnen we alleen
maar blij om zijn natuurlijk. Voor 9/11 domineerden globalisering en antiglobalisten
de voorpagina’s van de kranten. Vandaag blijft er van dat overwicht nog maar
weinig over. We zijn die eindeloze dialoog niet alleen beu geworden, in een
post-9/11 wereld is hij gewoon ook minder belangrijk.
In hoeverre Atta en consorten het dagelijks leven veranderd hebben is ook het
onderwerp van Ian McEwans fel gecontesteerde Zaterdag, over een dag (15
februari 2003 om precies te zijn) uit het leven van de succesrijke Londense
neurochirurch Henry Perowne. ’s Ochtends vroeg wordt hij wakker, denkt een brandend
vliegtuig over zijn huis te zien verdwijnen en beseft hoe kwetsbaar de hedendaagse
mens in feite is. Vandaag een geëerd medicus met twee schatten van kinderen,
morgen een anoniem lijk dat ergens uit een wrak gehaald wordt. Henry beseft
gedurende de hele dag hoe gelukkig hij is, maar er broeit iets. Zijn geluk dreigt
constant ondermijnd te worden door de externe wereld die niet buiten te houden
is. Wanneer hij op weg gaat om een squashwedstrijd te spelen tegen collega Strauss,
komt hij bijvoorbeeld in een betoging tegen de Irak-oorlog terecht. Massa’s
betogers lopen met hem op, hij schampt de auto van een stel criminelen en wordt
met de dood bedreigd. Er is dus duidelijk geen comfortabel ‘out of the world’
waar je louter als toeschouwer kunt leven. Maar dat weerhoudt McEwan er niet
van de man ’s avonds het leven van een ander te laten redden en volmaakt gelukkig
te zijn met zijn vrouw. John Banville noemde Zaterdag in The New York
Review of Books het gedrocht van het jaar en velen vroegen zich openlijk
af hoe dit eindeloze geneuzel op papier gezet kon zijn door de man die ook klassieken
als De cementen tuin en Zwarte honden had geschreven. Wellicht
vergaten zij daarbij dat McEwan niet meer had gedaan dan een portret schetsen
van de hedendaagse mens, en dat zijn geneuzel dat van ons allemaal is. 9/11
heeft van ons allemaal labiele, angstige personen gemaakt die niets liever zouden
willen dan dat de wereld weer een veilige plaats is.
Hoezeer de wereld van de ene dag op de andere kan veranderen ondervond journalist
Chris Cleave, die op 6 juli 2005 in Londen zijn romandebuut boven de doopvont
hield. Beste Osama was de titel en het ging over een vrouw die op tv
ziet hoe samen met het lokale voetbalstadion ook haar man en zoontje de lucht
ingaan tijdens een Londense terreuractie van Al Qaida. De vrouw schrijft daarop
Osama bin Laden een brief waarin ze haar persoonlijke verhaal vertelt en dieper
ingaat op de gevolgen van de aanslagen voor de algemene levenskwaliteit in Londen.
Overal worden camera’s geïnstalleerd, er komen surveillancetoestellen die het
reilen en zeilen van de modale Londenaar vanuit de lucht gadeslaan en voor moslims
geldt van de ene dag op de andere een algemeen werkverbod. De vierde macht,
de pers, blijkt maar al te zeer bereid om zichzelf te muilkorven op verzoek
van de politiek. Toen Cleave de ochtend na de voorstelling van zijn boek door
Londen liep merkte hij dat er iets niet in orde was: te veel mensen die in groepjes
op straat stonden te praten en te veel politiesirenes op de achtergrond. We
weten inmiddels wat er gebeurd was: 7/7, Engelands versie van 9/11. ‘De onschuld
is weg en het leven is minder plezant,’ zei Cleave in een interview in De
Morgen over de manier waarop de aanslagen zijn stad veranderd hebben. ‘Openlijk
racisme was vroeger ondenkbaar. Nu hoor je het op iedere straathoek. Londen
is in korte tijd verzuurd en dat is wellicht de bedoeling van de terroristen.
Ze willen zo snel mogelijk onze maatschappij met haar burgerrechten en individuele
vrijheid naar de bliksem helpen en de verschillende gemeenschappen tegen elkaar
opzetten.’
Dat er aan de overzijde van de Atlantische Oceaan net zo gedacht wordt over
de maatschappelijke en politieke gevolgen van 9/11 mag blijken uit Het complot
tegen Amerika, van de hand van die goeie ouwe dwarsligger Philip Roth. Deze
roman speelt in de vroege jaren veertig en confronteert ons met een denkbeeldige
what if-situatie. Stel dat niet Roosevelt de presidentsverkiezingen had gewonnen,
maar Charles Lindbergh, de man die als eerste de Atlantische Oceaan overvloog
en daardoor in de V.S. een nationale held werd? Lindbergh sluit in de roman
meteen een pact met Hitler. Zachtjesaan wordt de Amerikaanse samenleving genazificeerd,
waardoor het land uiteenvalt in twee recht tegenover elkaar staande kampen.
De spanning neemt hand over hand toe, tot een journalist omwille van zijn uitlatingen
ontslagen wordt en aankondigt kandidaat te zullen zijn bij de volgende verkiezingen.
Dan beginnen de rellen en vallen de eerste doden. De herverkiezing van president
Bush en de emoties die hoog oplaaiden rond zijn Irakbeleid zijn maar een paar
gelijkenissen die het je als lezer bijna onmogelijk maken om in Roths roman
geen waarschuwende allegorie te zien, ook al heeft de schrijver altijd volgehouden
dat er van enig verband met wat er in Amerika gebeurde na 9/11 geen sprake is.
En toch, pas op, lijkt Roth hier te willen zeggen, Amerika en alles waar het
land voor staat dreigt op korte termijn verloren te gaan.
Met Roth zijn we aanbeland bij een aantal expliciet politieke romans die vooral
de reactie van de Amerikaanse overheid op de aanslagen van 9/11 willen hekelen
en daarbij soms heel sterk op de persoon spelen. Het hoogtepunt van die strekking
is Nicholson Bakers tragikomische Checkpoint, waarin de half geschifte
Jay een aanslag wil plegen op Bush. ‘Ik denk dat we dat gore ettergezwel maar
eens moeten wegsnijden,’ vertrouwt hij zijn vriend Ben toe. Deze man, een stuk
rationeler dan Jay, probeert de misdaad uit alle macht te verhinderen omdat
hij beseft dat er meer aan de hand is dan de verkeerde man op het verkeerde
moment op de verkeerde plaats. Een dode president zal niet veel aan Amerika
veranderen, zo zegt hij, en als het iets verandert, zal het niets positiefs
zijn. Maar dat is voor Jay geen argument. De ‘gebroken augurk’ die je altijd
onder in de pot ziet drijven, met al die pitjes eromheen, heeft het gewoon zelf
gezocht, besluit hij. ‘Zie je je vrouw en kinderen nog wel eens?’ suggereert
Ben vervolgens, die koste wat het kost wil vermijden dat hij medeplichtig wordt
aan de aanslag, maar ook die vraag levert niet echt veel op, aangezien Jay alleen
nog op dezelfde golflengte als zijn 12-jarige dochtertje blijkt te zitten en
hij al afscheid heeft genomen van haar. Uiteindelijk raadt Ben Jay aan eens
een boek te schrijven - bijzonder rustgevend en je leert er ook nog iets van
- of een camera aan te schaffen en een paar mooie plaatjes te schieten, in plaats
van een president. Maar het mag allemaal niet baten. Jay plaatst zijn daad binnen
de geschiedenis van de V.S. sinds de Tweede Wereldoorlog, een oorlog die het
land trouwens verloor volgens hem, omdat het sindsdien alleen nog maar militair
materieel produceert en de industrie naar Mexico, Canada, Japan en China is
verhuisd. Voor hem is Bush meer dan een oorlogsmisdadiger. Hij is een icoon
die staat voor alles wat er met de V.S. is misgegaan, voor alle complotten die
de CIA bedacht en uitgevoerd heeft en zelfs voor het succes van het tweede grootste
bedrijf van het land - na het leger natuurlijk - namelijk discounter en kampioen
lelijke-bedrijfsgebouwen-neerzetter Wal-Mart. Wat, zo vraagt Jay zich af,
maakt Amerika nog, afgezien van oorlogstuig, pick-uptrucks en maïsstroop? Antidepressiva,
weet Ben, en volgens zijn vriend zullen ze die in de toekomst hard nodig hebben.
Bakers bijdrage aan de 9/11-literatuur was wellicht de meest onserieuze en eigenzinnige
van de afgelopen vijf jaar, maar we hadden haar voor geen goud willen missen.
Dat de aanslagen in New York ook schrijvers wakker hebben geschud - en dat
met uitstekend resultaat - mag blijken uit de recente boeken van E.L. Doctorow,
de man die met Ragtime literaire geschiedenis schreef en daarna stilaan
wegzakte. Een jaar of zes geleden verraste hij vriend en vijand - al dan niet
positief - met De stad Gods, een megalomane ode aan New York die astronomie
en kabbala vermengde tot een bijwijlen tot tandenbrekens toe taai boekwerk.
Volgens velen was Doctorow duidelijk niet goed bezig. Waar was de schrijver
met de glasheldere stijl die zich in eenvoudige, maar ook bijzonder originele
plots liet kennen als een van de groten? Hij leed wellicht aan een kleine bewustzijnsvernauwing,
want een paar jaar later verscheen de bundel Verhalen van een beter land,
die eindigt met een kort detectiveverhaal, ‘Dood kind in de rozentuin’. Hierin
wordt de succesrijke elite flink op de korrel genomen, en dat in de vorm van
een vileine grap. De ochtend nadat er in de rozentuin van het Witte Huis een
liefdadigheidsconcert is gegeven, wordt er onder een van de stoelen een kinderlijkje
gevonden. Hoe is dat daar in godsnaam gekomen, zo vraagt de FBI zich angstig
af, op de best bewaakte plaats van het hele noordelijke halfrond? Er wordt een
ouwe rot bij gehaald, inspecteur Molloy, die al vlug iets en iemand op het spoor
komt, maar dan opeens te horen krijgt dat de zaak gesloten is. Hoogst verdacht
vindt hij dat en hij speurt op eigen kosten verder, tot hij bij de dader komt:
een van die subversieve insiders die uit bittere noodzaak, omdat iemand het
toch moet doen, de rol van luis in de pels op zich heeft genomen.
Dat er iets broedde was duidelijk en dat 9/11, en vooral de reactie van de
Bush-entourage hierop, er veel mee te maken had ook. Doctorows ei is inmiddels
uitgebroed en er bleek een kanjer van een historische roman in te zitten, De
mars, waarin hij bewijst dat hij zelf ook best een luis in de politieke
pels kan zijn. Het boek speelt in 1864, tijdens de burgeroorlog. De Noordelijken,
die zich gesteund weten door vrijheid, God en wat al niet meer, trekken onder
generaal William Sherman op tegen de Zuidelijken en gaan daarbij als een bende
zwijnen te werk. Er wordt gemoord en geplunderd dat het niet mooi meer is. Grandioze
plantages gaan in vlammen op en van de hooggestemde idealen blijft niets meer
over. Het breken van de moraal van de vijand en hem economisch op de knieën
krijgen, dat is wat telt. ‘Iedere oorlog is wreed,’ laat Doctorow Sherman zeggen,
‘en daar valt niets aan te veranderen. Hoe wreder hij is, hoe sneller hij voorbij
zal zijn.’ Op de redenen van de oorlog gaat Doctorow niet in, hij wil er alleen
de gruwelen van laten zien. Geen enkele reden, zo lijkt hij te willen zeggen,
is erg genoeg om een oorlog te rechtvaardigen, en daarbij duwt hij de lezer
steeds weer met zijn neus op de nefaste invloed van het vechten zowel op de
onschuldige burgers als op de soldaten zelf. Van een gedisciplineerd leger in
het begin van het boek verworden de Noordelijken immers tot een zootje ongeregeld
dat als een zwerm sprinkhanen alles wat het op zijn weg tegenkomt verorbert.
Dat Doctorow dit boek in de herfst van 2005 op de markt bracht is natuurlijk
geen toeval. Abu Graibh en Guantánamo toonden immers vlijmscherp aan dat de
grens tussen inlichtingen verzamelen en oorlogsmisdaden begaan heel vaag begon
te worden. Doctorow heeft nooit verborgen dat hij de Irak-oorlog een stommiteit
vond die niets met 9/11 te maken had, maar alles met een familievete tussen
de Bushen en de Hoesseins. En meer had hij niet nodig om van een ingeslapen
en door velen passé geachte pennenlikker te veranderen in een boeiende, relevante
schrijver die zijn stijl herontdekt lijkt te hebben.
Romans met een dergelijke politieke inhoud mogen dan leuk zijn om te lezen,
veel meer dan voor enig animo zorgen doen ze in feite niet, of zoals Nicholson
Baker het Ben tegen Jay laat zeggen: ‘Wat levert een aanslag op Bush uiteindelijk
op? Dan wordt Cheney toch gewoon president.’ En inderdaad, ook al hebben schrijvers
iets met terroristen gemeen, zoals Don DeLillo beweert, je kunt van hen moeilijk
verwachten dat ze daadwerkelijk de politiek zullen veranderen. In feite is oproepen
om het bestel eigenhandig omver te werpen dus net zo inefficiënt als - om even
terug te keren naar Jonathan Safran Foers Extreem luid & ongelooflijk
dichtbij - je oren dichtstoppen zodat je het lelijke geluid van de wereld
niet hoeft te horen, of voor dit geluid op de vlucht gaan. Vluchten is immers
geen optie. ‘Londen is veranderd, maar de stad is ook gelijk gebleven,’ aldus
Chris Cleave. ‘We hebben de voorbije eeuw al heel wat over ons heen gehad. De
blitz was bijvoorbeeld stukken erger dan Al Qaida. Het hele East End stond in
brand, kilometers ver. Hele straten werden gereduceerd tot rijen zwartgeblakerde
karkassen. In de jaren zeventig ontdekte de IRA Londen en volgden er nieuwe
bommen. We hebben dit achter de rug en weten dat we er uiteindelijk wel overheen
komen. Vandaar de stoere woorden na de aanslagen: wij laten ons niet intimideren
en gaan gewoon verder met ons leven. De hele wereld bewonderde ons, maar wat
hadden we anders moeten zeggen? We konden toch niet anders dan gewoon verder
gaan met ons leven? Er was geen keuze.’ ‘Business as usual’ dus, en dat is de
boodschap die uit heel wat romans naar voren komt.
Zo is er bijvoorbeeld Paul Austers Brooklyn-dwaasheid, waarin Harry,
Nathan en Tom het plan opvatten om hun eigen Hotel Het Bestaan op te richten,
een imaginaire schuilplaats die voor hen moet zijn wat Concord voor Henry Thoreau
was. Maar hoe hard ze ook hun best doen, hun imaginaire schuilplaats vinden
ze nooit en wel om de simpele reden dat - gerichte steek naar al degenen die
zwoeren dat ze Amerika zouden verlaten als Bush herkozen werd - hun omgeving
hen niet laat gaan. Ze hebben een verantwoordelijkheid in dit bestaan en die
houdt hen in New York, want hoe imaginair ook, een schuilplaats blijft altijd
een schuilplaats en dus een teken van overgave, of zoals Aurora, Toms uit de
handen van de Tempel van het Heilig Woord geredde zus het zegt: ‘Je mag nooit
de controle over jezelf verliezen.’ Het boek eindigt enerzijds op een bijzonder
positieve toon, maar anderzijds wordt ook vermeld dat dit de ochtend van 11
september 2001 is en dat zesenveertig minuten later het eerste vliegtuig zich
in de noordelijke toren zal boren. Binnenkort is het allemaal voorbij, besef
je, alles is tevergeefs geweest en toch moeten we volhouden. En het is hier
dat Auster een rol weggelegd ziet voor de literatuur. Hij haalt immers een bijzonder
betekenisvolle anekdote over Kafka aan. Een paar maanden voor zijn dood, eind
1923, zag deze schrijver in een Berlijns stadspark een meisje staan huilen.
Ze was haar pop kwijt en Kafka troostte haar door te zeggen dat die pop hem
een brief had geschreven om uit te leggen dat ze de wijde wereld was ingetrokken.
Het meisje wilde de brief zien, waarop Kafka er eentje fabriceerde en die de
dag nadien aan haar voorlas. Drie weken lang schreef hij een brief - ook al
kon het meisje niet lezen en had hij net zo goed een andere brief kunnen meenemen
- en las hij hem voor, en op het eind ontmoette de pop een knappe jongeman,
trouwde met hem en nam afscheid van het meisje. Maar toen huilde het kind niet,
want de literatuur had haar een andere, betere wereld geschonken en haar daardoor
voorbereid op de harde realiteit. Volgens Auster kan literatuur dus meer zijn
dan louter escapisme: het is een leerschool die je met de wereld leert omgaan.
‘Just go on with your life’, het was de boodschap die de New Yorkers elkaar
op 9/12 toevertrouwden, maar simpel is dat natuurlijk niet. Want wat is leven?
Dat is misschien wel te banaal om in een roman te beschrijven, en het lijkt
een ideaal onderwerp om eens lekker ironisch over te gaan doen. Dat dit echter
niet gebeurt in de huidige Amerikaanse literatuur bewijst wellicht hoe ernstig
dit banale leven vandaag wel geworden is. Het terrorisme heeft het einde van
de ironie ingeluid en dat blijkt vooral uit de recentste boeken van Jay McInerney
en A.M. Homes. McInerney, de Bright Lights Big City-wonderboy van wie
altijd werd aangenomen dat hij meer begaan was met zijn na zijn echtscheiding
bij zijn ex achtergebleven collectie fijne Franse wijnen dan met zijn medemens,
blijkt de enige schrijver te zijn die daadwerkelijk iets gedaan heeft na 9/11.
Als in een perverse Colditz-persiflage hoorde hij dat er een manier was om binnen
te raken in ground zero, via de metro. Hij probeerde het en het lukte. Hij stapte
op een van de vele veldkeukentjes af die eten voor de hulpdiensten bereidden,
kon aan de slag en kreeg een doorgangsbewijs dat hem in staat stelde de twee
daaropvolgende maanden vijf à zes nachten per week in het keukentje te werken.
In Het goede leven beschrijft McInerney hoe New York zich door de aanslagen
op de Twin Towers van de ene dag op de andere heruitvond. Van een stad vol navelstaarders
werd het plotsklaps een echte gemeenschap die zich realiseerde dat ze er het
beste van moest maken en dat de kansen daartoe voor het grijpen lagen. ‘Het
waren de drie mooiste maanden van mijn leven,’ zei hij in De Morgen over
het najaar van 2001. ‘Ik had nog nooit zo bewust geleefd en ik heb nog steeds
het gevoel dat ik toen een bijna-oorlogservaring had. Niet die dag zelf, maar
wel de weken erna. Elf september is al duizenden keren beschreven en in feite
is het ook niet echt interessant wat er toen gebeurde. Het echt fascinerende
begon de twaalfde: de manier waarop de New Yorkers opeens hun leven opnieuw
gingen evalueren.’
Uiteindelijk ging de magie van het moment natuurlijk verloren en stak de dagelijkse
sleur de kop weer op. Ground zero werd vrijgegeven en het gewone leven ging
weer zijn gangetje, in al zijn banaliteit. ‘De wereld is inderdaad geen betere
plaats geworden,’ aldus McInerney, ‘ook al hoopten we dat zo vurig op 12 september
2001. Maar er is wellicht wat meer nodig dan een paar vliegtuigen die in het
World Trade Center vliegen om de menselijke natuur te veranderen. In Amerika
vergeten we nogal eens dat 9/11 in feite maar een kleine gebeurtenis was. We
hebben het hier over drieduizend slachtoffers. Vergelijk het eens met de Holocaust.
Toen stierven er zes miljoen mensen. En ook zij hebben niets kunnen veranderen
aan de menselijke natuur.’
Het is de dagelijkse banaliteit die vervat zit in ‘just carry on with your
life’ waarop A.M. Homes focust in haar nieuwste boek. 9/11 komt in Homes’ Dit
boek redt je leven niet voor en het speelt bijna volledig in Los Angeles
en Malibu. En toch is dit een post-9/11-roman pur sang. Homes wil met haar boek
immers een weg uit de huidige impasse wijzen. Gevraagd naar haar beweegredenen
om deze roman te schrijven, zei ze in De Morgen: ‘We maken momenteel
een rare periode mee in Amerika. We zitten met een regering die een heel andere
agenda heeft dan de bevolking en zelfs niet bereid is die agenda bekend te maken.
We weten dus niet waar de regering mee bezig is, net zomin als we weten waar
we naartoe gaan. Mensen zijn verrast door de snelheid waarmee het land economisch
naar de haaien gaat. Het begrotingsdeficit is astronomisch geworden onder Bush,
maar hoe astronomisch weten we in feite niet, en we krijgen te horen dat we
ook het recht niet meer hebben om dat te weten. Dat is staatsgeheim, net zoals
de mate waarin allerhande geheime diensten inzicht hebben in wat we doen en
laten. Ik denk dat we over een paar decennia met grote ogen naar het eerste
decennium van de eenentwintigste eeuw zullen terugkijken, als een bizarre, gevaarlijke
periode waarin allerlei grenzen overschreden werden.’
Wat ze daar tegenover plaatst is het verhaal van beursspeculant Richard, die
op een dag getroffen wordt door een hevige pijn in de borst. Opeens ziet hij
in dat de essentie van zijn levensfilosofie, dat je moet winnen en de rest van
de mensheid achter je moet laten voornamelijk door economisch succes te boeken,
een leugen is. Er valt helemaal niet te winnen, beseft hij. Integendeel. Hij
heeft juist heel wat verloren, zijn vrouw bijvoorbeeld, en zijn zoon Ben, die
hij maar een paar keer per jaar ziet. Getroffen door zijn eigen sterfelijkheid
besluit Richard het over een andere boeg te gooien. Hij wil voortaan andere
mensen helpen en gelukkig maken, wat hem natuurlijk niet altijd lukt. Volgens
Homes zou de wereld al een veel leukere plaats zijn om te leven wanneer we af
en toe eens uit onze ivoren toren zouden komen om elkaar te helpen. Banaler
kan het haast niet, en dat dan nog van een schrijfster die vanwege de seksuele
aberraties in Het einde van Alice heel Amerika over zich heen kreeg.
De wereld is veranderd, dat is duidelijk, want niet alleen werd Dit boek
redt je leven overal de hemel in geprezen, er was niemand die de naïeve
boodschap op de korrel nam.
De Amerikaanse - en bij uitbreiding de Engelstalige - literatuur heeft 9/11
met glans overleefd, dat is na vijf jaar wel duidelijk, maar klaar is ze er
in ieder geval nog niet mee. De manier waarop Homes ermee omspringt, als iets
wat niet expliciet genoemd hoeft te worden, duidt op een verwerkingsproces dat
aan de gang is. Pas wanneer 9/11 een detail geworden is op de achtergrond van
een roman en niet langer een item dat ‘behandeld’ moet worden - en dan doelen
we zeker niet op Jeffrey Archers False Impressions - zullen we kunnen
zeggen dat de aanslagen verwerkt zijn en tot de geschiedenis zijn gaan behoren.
Maar dat neemt natuurlijk niet weg dat er altijd 9/11-boeken geschreven zullen
worden, net zoals er vandaag nog steengoede romans over de Eerste Wereldoorlog
verschijnen, denk maar aan Joseph Boydens Driedaagse reis of Sebastian
Barry’s Een lange lange weg. Sterker nog, afgaande op de publicatiedata
van de echt grote romans over die oorlog, moet het beste nog komen. Zowel Erich
Maria Remarques Van het westelijk front geen nieuws als Robert Graves’
Dat hebben we gehad verscheen in 1929, elf jaar na het einde van WOI.
We kijken dus al uit naar wat er in 2012 in de boekhandel zal liggen.
Marnix VERPLANCKE (°1966) studeerde filosofie aan de Rijksuniversiteit
Gent en is literair medewerker van De Morgen. Hij publiceerde eerder
in Vrij Nederland, De Groene Amsterdammer, Trouw, Filosofie
Magazine, Bres, Knack en De Brakke Hond.