Ik ving een glimp van hem op tussen de voetgangers die mij tegemoetkwamen,
en een onmiddellijke reflex zei me hem te negeren, hem niet lastig te vallen.
Net zoals wanneer je plotseling een beroemdheid tegen het lijf loopt, een bekende
van tv. Doen alsof je te diep in gedachten verzonken bent om hem op te kunnen
merken. En dus liep ik door, terwijl om me heen het straatvuil, het stof, het
straatlawaai, de uitlaatgassen en het oud papier over het plein wervelden, zich
samenpakten en in de lucht weer uiteen werden geblazen, tegen de achtergrond
van een waterige avondzon. Maar al meteen de eerste keer dat ik moest wachten
om over te kunnen steken, zag ik opeens, in mijn ooghoek, zijn hand en arm op
mij afkomen, in een waas, in bewegingsonscherpte, als een schicht die door mijn
oog heen scheerde.
Ik voelde zijn vingers op mijn schouder tikken. Ik draaide mijn hoofd om en
zag zijn hand en arm net boven mijn schouder zweven; op die hand en arm de flikkering
van oude, licht trillende zwart-witbeelden. Ik bekeek de man die naast mij stond:
op zijn lichaam werden exact dezelfde beelden vertoond als de eerste keer dat
ik hem zag. Naast mij stond Een Andalusische hond.
Hoe lang is het geleden? Zeven, acht jaar? Acht, denk ik, acht jaar later,
nu.
Ik keek hem vragend aan. Zoals hij voor me stond leek het of hij om kleingeld
bedelde, met zijn onhandig wenkende handen en zijn onverstaanbare gegrom. De
serene kalmte, het statige en zweverige van de scène die op het lichaam
van Een Andalusische hond te zien was (die waarin de bizar geklede fietser door
de straten zwalkt) vormde een vreemd contrast met de gejaagde drukte op de straat
om ons heen. Een Andalusische hond boog zich naar mij toe en bromde: 'Welke
wil je binnengaan?' Met een paar schokkerige bewegingen van zijn ogen dirigeerde
hij mijn blik naar het rijtje cafés aan de overkant van het plein.
Net als toen ik hem de eerste keer zag, koos Een Andalusische hond ook nu de
donkerste hoek van het café uit. Net als toen zat ik ook nu ongemakkelijk
tegenover hem, dit keer op een wankel houten stoeltje. En ook nu hing er een
luidspreker pal boven het hoofd van Een Andalusische hond. De muziek was ook
nu zo oorverdovend dat normaal praten bijna onmogelijk werd en elk individu
binnen de muren van dit café tot een stomme film gereduceerd werd. Een
Andalusische hond boog zich over de tafel naar me toe en vroeg of ik iets wilde
drinken, terwijl ik op zijn gezicht, hals en romp een vrouw in een kamer zag
zitten. Ze las een boek, stond op en zag vanuit haar raam hoe de zwalkende fietser
langzaam vaart minderde en plomp op straat omviel. Een Andalusische hond zelf
was trouwens ook nauwelijks veranderd sinds onze laatste ontmoeting, maar toch
was er dit keer iets anders, er stond iets tussen ons in. En ik kende het gevoel,
ik had het al eerder gehad.
Toen ik een jaar of zes was nam mijn vader me mee naar een middagvoorstelling
van een of andere tekenfilm. De naam ervan ben ik kwijt, maar ik herinner me
dat er twee muizen in rondsprongen en dat een blauwe kat ze met een vliegenmepper
achternazat. In de bioscoop was ik één en al oog, ik zat met open
mond aan het scherm gekluisterd. Toen ik amper een jaar later ontdekte dat diezelfde
tekenfilm later die middag op televisie werd uitgezonden, lag ik dan ook ruimschoots
op tijd voor de tv, bang om ook maar één seconde van die film
te missen. Maar ik geloof niet dat ik nog een keer gelachen heb, die middag,
iets liet mij niet volledig meer toe tot die wereld achter dat scherm.
Het probleem was dat scherm, denk ik nu. Dat scherm was niet langer een doorzichtig
venster op die wereld, maar het leek een heel eigen storend leven te leiden,
precies tussen mij en mijn tekenfilm in. Wat ik zag was niet de tekenfilm die
ik daar in die bioscoop had gezien, ik zag een door mijn herinnering gekaapte
versie ervan. Niet alleen wist ik bij ieder beeld precies wat erna zou gebeuren,
maar ook waren er tientallen irrelevante zaken op dat scherm neergestreken die
hun angels in mijn film boorden en er het bloed uit begonnen te zuigen. Het
gevoel van een hand om de mijne toen we aanschoven voor de kassa. Haarscherpe
flashbacks waarin de hele zaal in lachen uitbarstte om grappen die welbeschouwd
niet zo heel grappig bleken te zijn. De wraakzuchtige gevoelens van gêne
toen ik op het eerstvolgende familiefeest op een stoel werd gezet en die blauwe
kat met vliegenmepper moest imiteren. De soundtrack van massaal vermorzelde
popcorn.
Ik keek niet door dat televisiescherm voor me, maar door een groot rechthoekig
blok versteend barnsteen, met talloze fossiele parasieten erin. Ik keek naar
een scherm waarin allerlei schaduwen en schimmen traag bewogen, grote donkere
karpers van herinneringen en associaties, en telkens wanneer ik mijn ogen door
het scherm heen geboord had en ze scherp kon stellen op de film sloeg er altijd
wel weer even één met zijn staart op het oppervlak. En meer nog,
altijd was er, in vale witte en grijze tinten, de weerspiegeling van mezelf,
op de kamervloer liggend, precies in het midden van het beeld.
Exact hetzelfde gevoel, hetzelfde televisiescherm, stond nu in mijn gedachten
tussen mij en deze Een Andalusische hond, die zojuist koffie voor me had besteld.
Een serveerster zette de bestelling voor ons neer en Een Andalusische hond keek
met een schaapachtige lach toe hoe haar handen mijn espresso en zijn cognac
neerzetten. Op hem zag ik hoe het vrouwelijke hoofdpersonage zich over de roerloos
op straat liggende fietser boog en zich hartstochtelijk op hem stortte. Hij
pakte het cognacglas en draaide de drank er wild in rond, met in zijn blik het
enthousiasme van een kleuter.
Nu de stilte al een tijdje aanhoudt en ongemakkelijk begint te worden, waag
ik het erop: ik denk dat de tijd rijp is om te vragen wat hij van me wil. Een
Andalusische hond houdt zijn hoofd schuin naar achteren en kijkt me vanuit de
hoogte aan door zijn half dichtgeknepen ogen, een gelaatsuitdrukking die het
midden tussen een grijns en een glimlach houdt. Hij knikt me kort toe, en vanonder
zijn wenkbrauwen priemen zijn flikkerende zwart-witte ogen uitdagend in mij.
'Voor mij een weet, voor jou een vraag' lijken ze te zeggen. Een blik die zegt:
'Dat moet je raden ' Ik sla mijn ogen neer, knik een aantal keren en knijp
mijn ogen ook halfdicht, samenzweerderig, als om te zeggen dat ik denk dat ik
hem begrepen heb, alsof ik hem wil zeggen: 'Oké dan, laat me raden '
Als Een Andalusische hond dit soort spelletjes met mij wil spelen, dan kan
het niet anders of hij heeft een goede reden om aan te nemen dat ik het antwoord
zou kunnen raden. Maar in mijn hoofd zijn geen gedachten; er is alleen dat denkbeeldige
tv-scherm tussen mij en Een Andalusische hond, en ook daarachter krioelt het
van de schaduwen - staarten en vinnen die druk boven komen spartelen. Tegenover
mij, op Een Andalusische hond, zie ik het beeld van een man die met verbazing
in zijn handpalm kijkt, als in een handspiegel, gevolgd door het beeld van dezelfde
hand, vol mieren in en rond een opening in zijn vlees, bij zijn levenslijn.
Als Een Andalusische hond een antwoord van mij wil, is er maar één
plaats waar ik er een zou kunnen vinden. Ik grijp met beide handen de rand van
dat scherm vast, adem langzaam in en langzaam uit en begin te raden. Ik begin
te raden en te oordelen naar de uitdrukking op het gezicht van Een Andalusische
hond is hij daar blij om.
Met een diepe zucht hef ik mijn armen op van het houten tafelblad. Ik leun
achterover en boor mijn blik in de hypnotiserende ogen van Een Andalusische
hond. Zijn ogen zuigen me naar zich toe, en op de huid rond die priemende ogen
zie ik mensen samendrommen rond een afgehakte hand op straat. In mijn hoofd
gooi ik mezelf onder het schermoppervlak en knipper met mijn ogen om aan de
duisternis te wennen. Ik werk me naar binnen en ren. En hoe verder ik mijn ogen
in zijn blik boor, hoe dieper ik het scherm in ren, naar een mogelijk antwoord,
tot ik opeens hard tegen iets aanbots. Een jonge vrouw kijkt me geschrokken
aan, het silhouet van een andere even verderop lijkt voorzichtig poolshoogte
te nemen. Ik kijk achterom, over mijn schouder, recht in die priemende ogen
van Een Andalusische Hond. Dan kijk ik weer voor me, naar die meisjes.
Van één van hen, diegene die nu voor mij staat, meende ik enkel
de stem te kennen. Het was een dag waarop ik zelf apathisch door de routine
van de dag heen gefietst werd. En toen ik op het eind van die dag voelde dat
mijn fiets vaart begon te minderen en ging wankelen, viel ook ik willoos neer;
niet op straat, gelukkig, maar op een bank, in de trein. En terwijl ik met mijn
hoofd tegen het glas lag en die dag - en mijn hele bestaan voor mijn part -
probeerde te vergeten door hem met de voorbijrazende achtergrond aan te lengen,
hoorde ik halverwege mijn reis plotseling de stem van een zojuist ingestapte
vrouw, een zitplaats achter mij. Haar stem was mooi, in een verstoord gesprek:
een tweespraak voor één. Zonder gebrek aan woorden sprak zij met
stiltes. Ze telefoneerde.
En elke zin, elk woord van haar bracht me steeds meer bij mijn positieven.
Hoe meer woorden ik van haar registreerde, hoe meer ik mijn omgeving, die treinwagon,
om mij heen voelde krimpen. Bij elk woord voelde ik mijn verbeelding reageren,
met kleine woordeloze impulsen: adviezen, troost, suggesties, ideeën. Het
was alsof ik - ikzelf: mijn persoonlijkheid, al die jaren van mijn leven - een
hart was dat na een leven pompen zich plotseling in één keer leegperste:
een leven dat over haar woorden heen spatte, en die woorden complementeerde.
Ze stapte eerder uit de trein en ik wist niet wie ze was, hoe ze heette, en
had maar een flauw idee van wat ze deed. Ik zou haar nooit meer terugzien, maar
iets in mij liet mij manisch achter: diep onder invloed van het besef dat ik
mijn leven tot dan toe had geleefd alsof ik een handleiding las. Een instructie
voor een of ander verbindingsstuk waarvan ik nooit echt het nut had ingezien,
maar dat volgens die handleiding aangesloten moest worden op een netwerk van
ongekende hoogten. Die dag daar in de trein realiseerde ik me dat ik zelf dat
verbindingsstuk kon zijn.
Nu ik voor haar sta, glimlach naar haar maar zij kijkt dwars door me heen.
Ik volg haar ogen tot over mijn schouder en zie nog steeds de priemende ogen
van Een Andalusische hond. Hij trekt zijn wenkbrauwen vragend op, zijn hoofd
leunt op zijn linkerhand en de vingers van zijn rechterhand trommelen op het
tafelblad, terwijl op zijn lichaam wordt vertoond hoe het hoofdpersonage en
de vrouw uit het raam leunen en zien hoe op straat een auto een jong meisje
verplettert. De meisjes in mijn hoofd reageren met een ademloze gil, en ik draai
mijn hoofd opnieuw naar hen toe.
Geschrokken stapt het tweede meisje naar voren. Toen ze nog in het duister
stond, leek ze op mijn eigen vriendin, maar nu ook zij voor mij staat herken
ik haar. Haar stem ken ik niet, ik ken haar allen maar als een flits die voorbijkwam,
een herinnering. Zij is het meisje dat ik een aantal dagen geleden bespiedde
vanuit het raam van mijn flat, toen ze voorbijkwam met een jongen; haar kalme,
glimlachende gezicht drukte iets ongelooflijk puurs uit, een diepe dankbaarheid
voor dat moment. Als een film was zij - als een film wist ze me van tussen die
vier muren van mijn flat naar zich toe te zuigen. Achter mij hoor ik hoe Een
Andalusische hond zich verslikt in zijn cognac. Ik kijk om, en op zijn huid
zie ik hoe het hoofdpersonage de jonge vrouw aanrandt.
Ook toen voelde ik hoe mijn verbeelding zich lanceerde, als in een flits. Daar,
op dat ogenblik, voelde ik hoe, ergens in mijn hoofd, zonder dat ik er zelf
iets aan kon doen, mijn verbeelding haar begon uit te proberen. Mijn fantasie
greep haar vast en tilde haar drie verdiepingen hoger om haar aan een grondiger
onderzoek te onderwerpen. Ergens op een afgebakende plek in mijn hoofd, in een
ter plekke in elkaar geknutselde toekomst, kon ik voelen hoe mijn verbeelding
alle opties van een toekomstig leven met haar begon door te nemen, te ontleden,
te analyseren en tegen elkaar af te wegen. En ik zag op dat moment niets concreets,
niets specifieks, maar ik voelde hoe mijn hoofd overliep: flitsen van diepe
gesprekken, onze kinderen, bedscènes - en dat alles alleen maar om een
antwoord te vinden op de vraag of ik met haar beter af zou zijn dan zonder haar.
En ik was toen, op dat moment, niet ongelukkig, zelfs niet ontevreden met mijn
bestaan. Ik was - en ben nog altijd - zo iemand die van zichzelf zegt dat hij
niet mag klagen. Maar ook deze plotselinge opleving van hersenactiviteit vulde
mij met intensiteit: daar in mijn flat, drie verdiepingen boven haar, had ik
het besef dat ik diep in mij iets welwillends had, iets wat mij uiterst goed
gezind was, iets wat in staat was om vooruitgang waar te nemen en altijd zou
proberen mij in die richting te sturen. Het overweldigende besef dat er diep
in mij iets is wat absoluut wil dat ik vooruitga.
Een Andalusische hond bestudeert nu met een ironische grijns en op een overdreven
manier het plafond, terwijl op zijn borst een vrouw dreigend een stoel in de
lucht houdt. De rugleuning ervan loopt langs zijn hals in de poten die op het
gezicht van Een Andalusische hond te zien zijn. Een Andalusische hond laat zijn
vingers niet langer trommelen maar roffelt spastisch en onregelmatig met zijn
handen op de tafel. Hij blijft met zijn hoofd hoog in de lucht om zich heen
kijken. Op hem buigt de hoofdrolspeler zich naar iets, pakt twee stukken touw
van de grond en begint eraan te trekken. De twee priesters die aan de touwen
bevestigd zijn rollen over Een Andalusische hond heen, gevolgd door twee piano's
waarin twee dode ezels liggen opgebaard. Een Andalusische hond geeuwt nadrukkelijk
om zijn ongeduld te laten blijken terwijl een close-up van een dode ezelskop
zijn silhouet vult. Vervolgens kijkt hij me aan, ongegeneerd gapend, met glazige
ogen, en dat schouwspel is vrijwel identiek met de aanblik die de ezelskop in
close-up daarjuist bood. Hij kijkt me gespeeld pijnlijk aan, en vragend, en
ik zit nog zonder antwoorden. Ik keer terug in mezelf, opnieuw het scherm in,
naar mijn associaties en herinneringen.
Ik sta voor de twee meisjes en maak oogcontact, maar beide meisjes blijven
glimlachend door me heen kijken. Ik haal diep adem, sluit mijn ogen en ren langs
de twee meisjes verder door het scherm, zo hard ik kan. Aan ons tafeltje vraagt
een vrouw of we nog iets willen drinken. Een Andalusische hond steekt zijn cognacje
in de lucht, gevolgd door het opgestoken duimpje van zijn andere hand. Ik zeg
dat ik graag koffie wil, terwijl ik binnenin verder ren, met gesloten ogen en
opgeblazen wangen. Als ik met een rood hoofd, mijn hart in mijn keel en buiten
adem mijn ogen opendoe, sta ik oog in oog met een ander meisje.
Het is het meisje dat ik al in een flits voorbij zag komen toen ik de close-up
van de dode ezelskop op Een Andalusische hond voor me zag. Ik hoop bij god dat
ik die zin nooit hardop in haar bijzijn uit zal spreken. Trouwens, niet zozeer
de ezelskop roept bij mij haar beeld op, het is de hele sequentie die eraan
voorafging: het moeizame vooruitkomen, de zware ballast. Ik leerde haar kennen
in mijn eerste studiejaar. Mijn eerste keer van huis, de eerste keer dat je
alles doet omdat je veel te veel tijd hebt en er geen seconde van wilt missen.
Een tijd van broeierige hitsige terrassen, iets te hoge promillages, nieuwe
gezichten en gezichtspunten. En uit dat wazige gordijn van tijd kwam zij plotseling
tevoorschijn. Ik kende haar vrij goed, eerst spraken we af en toe iets langer
met elkaar, en later spraken we af en toe met elkaar af. Rond vijf uur 's ochtends
in een café kwam ze naar me toe en zei: 'Ik ben verliefd op je. Ik weet
amper wie je bent, maar ik denk dat ik genoeg weet, en ik denk aan niets anders
meer.'
Ik vond dat een prachtig moment, ik kon nog net een paar ongeïnspireerde,
afwijzende woorden stamelen en bleef sprakeloos en als aan de grond genageld
staan. De rest van de avond heb ik haar niet meer gezien; later hoorde ik dat
zij zich in het damestoilet had opgesloten. En terwijl haar vriendinnen me de
rest van de nacht scheef en verwijtend aankeken en er ondertussen zo'n tijdelijk
kunststoffen toilethokje midden in het café werd geïnstalleerd,
bleef ik de hele tijd stokstijf met een gelukzalige, zelfingenomen grijns op
mijn bek in het midden van het café staan, starend in het niets. Alles
in mij wilde echt achter haar aan gaan om haar gerust te stellen - 'we praten
er nog wel over', 'het is goed zo', 'alles blijft zoals het was' - maar ik kon
het niet. Er was iets in mij wat mijn hoofd in nevelen bleef hullen.
En ik geloof dat ik na verloop van tijd ben gaan beseffen wat mij daar bezielde.
Toen ze zich aan mij kwam aanbieden, reikte ze niet zozeer zichzelf aan maar
mijzelf: in een betere, gepolijste, artificiële versie. In haar ogen was
het leven dat ik daadwerkelijk had geleefd (inclusief de zieke episodes) niet
meer dan een nietig verschrompeld gesponnen pophulsje waaruit haar visie op
mijn leven was gekropen die voor haar ogen rond bleef vlinderen. Op basis van
alles wat ik haar verteld had, wat ze had opgevangen en wat ze er verder nog
bij had verzonnen regisseerde ze een film in haar hoofd die mooi genoeg was
om er niet bij weg te lopen, sterker nog, ze wilde een vervolg. Ze bood mij
mezelf aan, in de vorm van een in één keer foutloos, verslavend
en fabuleus goed gebrachte voorstelling. En als ik naar Een Andalusische Hond
kijk - op hem wordt het hoofdpersonage uit zijn bed getrokken door iemand in
een grijs pak - denk ik dat hij in mijn ogen iets soortgelijks zoekt.
Ook voor mij was Een Andalusische hond even een wereld op zich, de eerste keer
dat ik hem zag, met die vooruitsturende droomsequenties van hem. Even leek het
alsof alles wat er voor die beelden mijn ogen was binnengevallen niet meer stof
was, dat door Een Andalusische hond weggeblazen werd van de lei waarmee hij
in mijn hoofd kon beginnen. Vanuit zijn scherm, die wereld voor mijn ogen, leunde
Een Andalusische hond naar voren en begon die lei te beschrijven, terwijl een
carbonkopie van wat zijn hand schreef direct naar mijn hoofd steeg. Een Andalusische
hond kijkt op zijn horloge. 'Drie uur in de ochtend,' zegt hij. Ik kijk hem
verbaasd aan en draai mijn horloge naar me toe: nauwelijks een halfuur later
dan toen we hier gingen zitten. 'Drie uur in de ochtend ' mijmert hij,
glazig voor zich uit starend.
Elke keer wanneer ik me Een Andalusische Hond voor de geest haalde, schreef
hij er in gedachten weer een aantal regels bij, of voetnoten, een los commentaar.
Omcirkelde hij een woord, een frase. Schreef hij mogelijke verklaringen in de
marge, legde hij symbolen uit. 'Een koffie wil ik,' roept Een Andalusische hond
door het café, 'een koffie! Snel! Of ik raak in coma!' Als de serveerster
de koffie neerzet, vit Een Andalusische hond heftig op mij: 'Ik stel die jongen
hier één vraag, één vraag, en hij versteent!' Wanneer
de koffie naast zijn cognacglas wordt neergezet, buigt Een Andalusische hond
zich over de tafel en zwaait met beide handen overdreven op een paar centimeter
afstand van mijn ogen. Dan pakt hij zijn koffie. 'Jezus Christus!' roept Een
Andalusische hond en hij giet een enorme slok van de hete koffie naar binnen.
Over hem en over zijn enorme kloppende adamsappel heen is het hoofdpersonage
te zien dat twee revolvers vasthoudt en schiet op dat andere personage, de man
in het grijze pak. En terwijl die man binnen de muren van de flat ineenstuikt
en in de volgende scene op het gras landt naast de naakte vrouwenrug, laat Een
Andalusische hond zijn hoofd gespeeld vermoeid achterovervallen, zakt onderuit
op zijn stoel.
Ik kijk naar Een Andalusische hond terwijl hij daar zo achteroverhangt. Op
hem zie ik hoe een groep mannen het lijk wegdraagt, onder hoge bomen door. Een
Andalusische hond moet voelen dat ik naar hem kijk, want zonder de rest van
zijn lichaam te bewegen en terwijl zijn hoofd nog steeds lam achteroverhangt,
gaan zijn twee armen naar het kopje voor hem. Zijn linkerhand grijpt het melkkuipje
op het schoteltje en zijn rechterhand trekt het dekseltje eraf. Hij giet de
melk in het halve kopje koffie dat voor hem staat. Alleen zijn handen bewegen,
voor de rest blijft Een Andalusische hond roerloos.
Ik schud mijn hoofd wakker, schraap mijn keel. Een Andalusische hond spert
één oog wijd open en kijkt mij verwachtingsvol aan, wacht schalks
af of ik iets ga zeggen. Bijna een minuut kijkt hij me zo aan, laat dan ineens
zijn hoofd weer zakken, naar voren dit keer, en schudt niet-begrijpend zijn
boven zijn kop koffie hangende hoofd, langzaam roerend in het kopje. De wolk
van melk die in de koffie boven komt wervelen, lijkt sprekend op de doodshoofdvlinder
die in close-up op Een Andalusische hond wordt vertoond. Ik schraap mijn keel
weer; mijn keel voelt droog aan, alsof er haar groeit. Op Een Andalusische hond
beweegt het vrouwelijke personage haar lipstick over haar lippen. Ik kan niets
zeggen, en ik heb ook niets te zeggen. Ik heb nog geen antwoorden klaar, maar
het scherm tussen Een Andalusische hond en mij stoort me niet meer. De schimmen
in slowmotion, de reflecties van mezelf op zijn oppervlakte zijn me onbewust
aan gaan spreken; ze laten me toe me te spiegelen, me te verbinden met een wereld
buiten mezelf en buiten Een Andalusische hond. Alles lijkt ineens geordend voor
mijn ogen te staan op dat scherm, en alles lijkt binnen mijn bereik. Voelbaar
en concreet als een fotoalbum is het, en het verankert de tijd. Eén groot
blok tastbare luciditeit. En plotseling vormt er zich een beeld in mijn hoofd,
waarop ooit iets soortgelijks, een zelfde soort scherm, zich uitstrekte onder
een felblauwe lucht, boven een mediterrane zee. Twee figuren, languit op het
strand, proberen eveneens te focussen op het vage beeld achter hun scherm, waarvoor
hun eigen reflecties als stoorzender optreden. 'Haar okselhaar is naar zijn
mond verhuisd,' zegt Dalí. 'En ze steekt haar tong naar hem uit,' vult
Buñuel aan. 'En dan gooit ze haar sjaal over haar schouder?' vraagt Dalí.
'Juist,' zegt Buñuel, 'en vervolgens doet ze de deur open en stapt de
aangrenzende kamer binnen.' 'De aangrenzende kamer die een strand is,' besluit
Dalí peinzend, met zijn vingers over zijn kin wrijvend.
Een Andalusische hond gaat recht zitten, zet zijn ellebogen op tafel en woelt
met zijn handen in zijn haar, terwijl ik op hem het geluk van de man en vrouw
met de zee op de achtergrond kan zien. Een Andalusische hond zucht. 'Als jij
er dan niet op kunt komen ' zegt hij opeens, en ik schrik van de bijna
neerslachtige toon. 'Na elke keer zo'n einde ' bromt hij, 'en dan nog wel
in de lente ' 'Lente,' roept hij oratorisch, 'het geheugen en verlangen
mengend!' Hij zucht, laat zijn hoofd hangen. 'Steeds zo te eindigen ' zegt
hij, 'je begint jezelf vragen te stellen ' Na een pauze richt Een Andalusische
hond zijn blik weer op mij, twee indringende ogen die mij helemaal in zich opnemen,
met daarachter een gezicht, een hals en een romp waarop een trillend oud beeld
is te zien: een barre vlakte, twee personen, het beginpersonage en het jonge
meisje, half bedolven onder zand, hun weggevreten ogen blind en beëindigd.
Een Andalusische hond buigt zich opnieuw over zijn cognac en houdt de voet
van het glas tussen midden- en ringvinger, mokkend en mopperend terwijl het
beeld op hem langzaam overgaat in zwart. Vervolgens rolt van onder het tafelblad
langzaam zijn aftiteling over hem heen, eerst over zijn borst en dan langzaam
naar boven, en verdwijnt buiten de omtrek van zijn hoofd uit beeld. Een Andalusische
hond is klaar, afgelopen, en eigenlijk kan ik opstaan en weggaan. Ik heb het
gevoel dat we beiden kunnen opstaan en weggaan, maar we blijven gewoon zitten;
we zijn op een punt aangekomen dat we ons allebei zo ongemakkelijk voelen dat
de situatie gemakkelijk vol te houden is.
Maar achter mijn ogen hou ik mijn handen stevig op de randen van dat tv-scherm
in mijn hoofd, en til het zo dicht mogelijk bij mijn gezicht. Ik kijk nog een
laatste keer naar Een Andalusische hond, zoals hij voor me zit, nog altijd die
mokkende oude man, de bedelaar op straat. Ik hoor een zwak geluid, een snel
en laag gezoem, een ingesprektoon. Als ik het scherm tegen mijn oor hou, wordt
het geluid langzaam harder en duidelijker tot ik een stem kan horen: het meisje
uit de trein: 'Kom,' zegt ze, 'neem je tijd voor ons.' In het scherm, naast
mijn gezicht, doemt ineens een wazige schim op, en wanneer die oog in oog met
me staat, herken ik haar: 'Jouw tijd is met ons, altijd met ons,' zegt ze, het
meisje dat ik bespiedde. Ze glimlacht, en ik hoor het andere meisje lachen.
Ik breng het scherm van mijn oor naar mijn wijd opengesperde ogen.
Met één haal houw ik mijn ogen open, ik kan het buitenste bindweefsel
horen scheuren. En terwijl al het leven stroperig uit mijn ogen glijdt - een
glazen pot gelei die op de grond openspat - volgt een ander leven de tegenovergestelde
richting: een impuls snelt via het netvlies mijn oogzenuwen door, mijn hersenen
in, en flakkert daar op. In mijn hoofd zie ik plotseling haarscherp het beeld
van Een Andalusische hond, omlijst door gescheurd oogwit: hij houdt zijn hoofd
schuin naar achteren en kijkt me vanuit de hoogte aan door zijn half dichtgeknepen
ogen, vanonder zijn wenkbrauwen priemen zijn flikkerende, zwart-witte ogen uitdagend
in mij. Dan wordt de aanvoer van beelden afgesneden, en wordt mijn oog gestopt,
wordt het gestild, gedistilleerd.
Erik VERHAAR (°1979) studeerde Germaanse filologie aan
de Universiteit van Gent, gevolgd door de interuniversitaire opleiding Literatuurwetenschappen
en Culturele Studies aan de K.U.Leuven. Van hem verschenen gedichten, korte
verhalen en essays in verschillende Nederlands- en Engelstalige publicaties.
Sinds 2004 is hij redactielid van Deus ex Machina.