The fiction factory.
Cinema op papier.

nr.117 - juni 2006

Erik Verhaar

Een Avond Honduitlatingen, Een Andalusische hond
Novellisatie. Of Nawoord.

Deze tekst is gebaseerd op de film 'Un chien andalou' van Luis Buñuel, 1929. © Les Grands Films Classiques, 1960. De film is in zijn geheel te zien op youtube.com. Klik hier om de film te openen in een popup.


I was dreaming when I wrote this, so…

Ik ving een glimp van hem op tussen de voetgangers die mij tegemoetkwamen, en een onmiddellijke reflex zei me hem te negeren, hem niet lastig te vallen. Net zoals wanneer je plotseling een beroemdheid tegen het lijf loopt, een bekende van tv. Doen alsof je te diep in gedachten verzonken bent om hem op te kunnen merken. En dus liep ik door, terwijl om me heen het straatvuil, het stof, het straatlawaai, de uitlaatgassen en het oud papier over het plein wervelden, zich samenpakten en in de lucht weer uiteen werden geblazen, tegen de achtergrond van een waterige avondzon. Maar al meteen de eerste keer dat ik moest wachten om over te kunnen steken, zag ik opeens, in mijn ooghoek, zijn hand en arm op mij afkomen, in een waas, in bewegingsonscherpte, als een schicht die door mijn oog heen scheerde.

Ik voelde zijn vingers op mijn schouder tikken. Ik draaide mijn hoofd om en zag zijn hand en arm net boven mijn schouder zweven; op die hand en arm de flikkering van oude, licht trillende zwart-witbeelden. Ik bekeek de man die naast mij stond: op zijn lichaam werden exact dezelfde beelden vertoond als de eerste keer dat ik hem zag. Naast mij stond Een Andalusische hond.

Hoe lang is het geleden? Zeven, acht jaar? Acht, denk ik, acht jaar later, nu.

Ik keek hem vragend aan. Zoals hij voor me stond leek het of hij om kleingeld bedelde, met zijn onhandig wenkende handen en zijn onverstaanbare gegrom. De serene kalmte, het statige en zweverige van de scène die op het lichaam van Een Andalusische hond te zien was (die waarin de bizar geklede fietser door de straten zwalkt) vormde een vreemd contrast met de gejaagde drukte op de straat om ons heen. Een Andalusische hond boog zich naar mij toe en bromde: 'Welke wil je binnengaan?' Met een paar schokkerige bewegingen van zijn ogen dirigeerde hij mijn blik naar het rijtje cafés aan de overkant van het plein.

Net als toen ik hem de eerste keer zag, koos Een Andalusische hond ook nu de donkerste hoek van het café uit. Net als toen zat ik ook nu ongemakkelijk tegenover hem, dit keer op een wankel houten stoeltje. En ook nu hing er een luidspreker pal boven het hoofd van Een Andalusische hond. De muziek was ook nu zo oorverdovend dat normaal praten bijna onmogelijk werd en elk individu binnen de muren van dit café tot een stomme film gereduceerd werd. Een Andalusische hond boog zich over de tafel naar me toe en vroeg of ik iets wilde drinken, terwijl ik op zijn gezicht, hals en romp een vrouw in een kamer zag zitten. Ze las een boek, stond op en zag vanuit haar raam hoe de zwalkende fietser langzaam vaart minderde en plomp op straat omviel. Een Andalusische hond zelf was trouwens ook nauwelijks veranderd sinds onze laatste ontmoeting, maar toch was er dit keer iets anders, er stond iets tussen ons in. En ik kende het gevoel, ik had het al eerder gehad.

Toen ik een jaar of zes was nam mijn vader me mee naar een middagvoorstelling van een of andere tekenfilm. De naam ervan ben ik kwijt, maar ik herinner me dat er twee muizen in rondsprongen en dat een blauwe kat ze met een vliegenmepper achternazat. In de bioscoop was ik één en al oog, ik zat met open mond aan het scherm gekluisterd. Toen ik amper een jaar later ontdekte dat diezelfde tekenfilm later die middag op televisie werd uitgezonden, lag ik dan ook ruimschoots op tijd voor de tv, bang om ook maar één seconde van die film te missen. Maar ik geloof niet dat ik nog een keer gelachen heb, die middag, iets liet mij niet volledig meer toe tot die wereld achter dat scherm.

Het probleem was dat scherm, denk ik nu. Dat scherm was niet langer een doorzichtig venster op die wereld, maar het leek een heel eigen storend leven te leiden, precies tussen mij en mijn tekenfilm in. Wat ik zag was niet de tekenfilm die ik daar in die bioscoop had gezien, ik zag een door mijn herinnering gekaapte versie ervan. Niet alleen wist ik bij ieder beeld precies wat erna zou gebeuren, maar ook waren er tientallen irrelevante zaken op dat scherm neergestreken die hun angels in mijn film boorden en er het bloed uit begonnen te zuigen. Het gevoel van een hand om de mijne toen we aanschoven voor de kassa. Haarscherpe flashbacks waarin de hele zaal in lachen uitbarstte om grappen die welbeschouwd niet zo heel grappig bleken te zijn. De wraakzuchtige gevoelens van gêne toen ik op het eerstvolgende familiefeest op een stoel werd gezet en die blauwe kat met vliegenmepper moest imiteren. De soundtrack van massaal vermorzelde popcorn.

Ik keek niet door dat televisiescherm voor me, maar door een groot rechthoekig blok versteend barnsteen, met talloze fossiele parasieten erin. Ik keek naar een scherm waarin allerlei schaduwen en schimmen traag bewogen, grote donkere karpers van herinneringen en associaties, en telkens wanneer ik mijn ogen door het scherm heen geboord had en ze scherp kon stellen op de film sloeg er altijd wel weer even één met zijn staart op het oppervlak. En meer nog, altijd was er, in vale witte en grijze tinten, de weerspiegeling van mezelf, op de kamervloer liggend, precies in het midden van het beeld.

Exact hetzelfde gevoel, hetzelfde televisiescherm, stond nu in mijn gedachten tussen mij en deze Een Andalusische hond, die zojuist koffie voor me had besteld. Een serveerster zette de bestelling voor ons neer en Een Andalusische hond keek met een schaapachtige lach toe hoe haar handen mijn espresso en zijn cognac neerzetten. Op hem zag ik hoe het vrouwelijke hoofdpersonage zich over de roerloos op straat liggende fietser boog en zich hartstochtelijk op hem stortte. Hij pakte het cognacglas en draaide de drank er wild in rond, met in zijn blik het enthousiasme van een kleuter.

Nu de stilte al een tijdje aanhoudt en ongemakkelijk begint te worden, waag ik het erop: ik denk dat de tijd rijp is om te vragen wat hij van me wil. Een Andalusische hond houdt zijn hoofd schuin naar achteren en kijkt me vanuit de hoogte aan door zijn half dichtgeknepen ogen, een gelaatsuitdrukking die het midden tussen een grijns en een glimlach houdt. Hij knikt me kort toe, en vanonder zijn wenkbrauwen priemen zijn flikkerende zwart-witte ogen uitdagend in mij. 'Voor mij een weet, voor jou een vraag' lijken ze te zeggen. Een blik die zegt: 'Dat moet je raden…' Ik sla mijn ogen neer, knik een aantal keren en knijp mijn ogen ook halfdicht, samenzweerderig, als om te zeggen dat ik denk dat ik hem begrepen heb, alsof ik hem wil zeggen: 'Oké dan, laat me raden…'

Als Een Andalusische hond dit soort spelletjes met mij wil spelen, dan kan het niet anders of hij heeft een goede reden om aan te nemen dat ik het antwoord zou kunnen raden. Maar in mijn hoofd zijn geen gedachten; er is alleen dat denkbeeldige tv-scherm tussen mij en Een Andalusische hond, en ook daarachter krioelt het van de schaduwen - staarten en vinnen die druk boven komen spartelen. Tegenover mij, op Een Andalusische hond, zie ik het beeld van een man die met verbazing in zijn handpalm kijkt, als in een handspiegel, gevolgd door het beeld van dezelfde hand, vol mieren in en rond een opening in zijn vlees, bij zijn levenslijn. Als Een Andalusische hond een antwoord van mij wil, is er maar één plaats waar ik er een zou kunnen vinden. Ik grijp met beide handen de rand van dat scherm vast, adem langzaam in en langzaam uit en begin te raden. Ik begin te raden en te oordelen naar de uitdrukking op het gezicht van Een Andalusische hond is hij daar blij om.

Met een diepe zucht hef ik mijn armen op van het houten tafelblad. Ik leun achterover en boor mijn blik in de hypnotiserende ogen van Een Andalusische hond. Zijn ogen zuigen me naar zich toe, en op de huid rond die priemende ogen zie ik mensen samendrommen rond een afgehakte hand op straat. In mijn hoofd gooi ik mezelf onder het schermoppervlak en knipper met mijn ogen om aan de duisternis te wennen. Ik werk me naar binnen en ren. En hoe verder ik mijn ogen in zijn blik boor, hoe dieper ik het scherm in ren, naar een mogelijk antwoord, tot ik opeens hard tegen iets aanbots. Een jonge vrouw kijkt me geschrokken aan, het silhouet van een andere even verderop lijkt voorzichtig poolshoogte te nemen. Ik kijk achterom, over mijn schouder, recht in die priemende ogen van Een Andalusische Hond. Dan kijk ik weer voor me, naar die meisjes.

Van één van hen, diegene die nu voor mij staat, meende ik enkel de stem te kennen. Het was een dag waarop ik zelf apathisch door de routine van de dag heen gefietst werd. En toen ik op het eind van die dag voelde dat mijn fiets vaart begon te minderen en ging wankelen, viel ook ik willoos neer; niet op straat, gelukkig, maar op een bank, in de trein. En terwijl ik met mijn hoofd tegen het glas lag en die dag - en mijn hele bestaan voor mijn part - probeerde te vergeten door hem met de voorbijrazende achtergrond aan te lengen, hoorde ik halverwege mijn reis plotseling de stem van een zojuist ingestapte vrouw, een zitplaats achter mij. Haar stem was mooi, in een verstoord gesprek: een tweespraak voor één. Zonder gebrek aan woorden sprak zij met stiltes. Ze telefoneerde.

En elke zin, elk woord van haar bracht me steeds meer bij mijn positieven. Hoe meer woorden ik van haar registreerde, hoe meer ik mijn omgeving, die treinwagon, om mij heen voelde krimpen. Bij elk woord voelde ik mijn verbeelding reageren, met kleine woordeloze impulsen: adviezen, troost, suggesties, ideeën. Het was alsof ik - ikzelf: mijn persoonlijkheid, al die jaren van mijn leven - een hart was dat na een leven pompen zich plotseling in één keer leegperste: een leven dat over haar woorden heen spatte, en die woorden complementeerde.

Ze stapte eerder uit de trein en ik wist niet wie ze was, hoe ze heette, en had maar een flauw idee van wat ze deed. Ik zou haar nooit meer terugzien, maar iets in mij liet mij manisch achter: diep onder invloed van het besef dat ik mijn leven tot dan toe had geleefd alsof ik een handleiding las. Een instructie voor een of ander verbindingsstuk waarvan ik nooit echt het nut had ingezien, maar dat volgens die handleiding aangesloten moest worden op een netwerk van ongekende hoogten. Die dag daar in de trein realiseerde ik me dat ik zelf dat verbindingsstuk kon zijn.

Nu ik voor haar sta, glimlach naar haar maar zij kijkt dwars door me heen. Ik volg haar ogen tot over mijn schouder en zie nog steeds de priemende ogen van Een Andalusische hond. Hij trekt zijn wenkbrauwen vragend op, zijn hoofd leunt op zijn linkerhand en de vingers van zijn rechterhand trommelen op het tafelblad, terwijl op zijn lichaam wordt vertoond hoe het hoofdpersonage en de vrouw uit het raam leunen en zien hoe op straat een auto een jong meisje verplettert. De meisjes in mijn hoofd reageren met een ademloze gil, en ik draai mijn hoofd opnieuw naar hen toe.

Geschrokken stapt het tweede meisje naar voren. Toen ze nog in het duister stond, leek ze op mijn eigen vriendin, maar nu ook zij voor mij staat herken ik haar. Haar stem ken ik niet, ik ken haar allen maar als een flits die voorbijkwam, een herinnering. Zij is het meisje dat ik een aantal dagen geleden bespiedde vanuit het raam van mijn flat, toen ze voorbijkwam met een jongen; haar kalme, glimlachende gezicht drukte iets ongelooflijk puurs uit, een diepe dankbaarheid voor dat moment. Als een film was zij - als een film wist ze me van tussen die vier muren van mijn flat naar zich toe te zuigen. Achter mij hoor ik hoe Een Andalusische hond zich verslikt in zijn cognac. Ik kijk om, en op zijn huid zie ik hoe het hoofdpersonage de jonge vrouw aanrandt.

Ook toen voelde ik hoe mijn verbeelding zich lanceerde, als in een flits. Daar, op dat ogenblik, voelde ik hoe, ergens in mijn hoofd, zonder dat ik er zelf iets aan kon doen, mijn verbeelding haar begon uit te proberen. Mijn fantasie greep haar vast en tilde haar drie verdiepingen hoger om haar aan een grondiger onderzoek te onderwerpen. Ergens op een afgebakende plek in mijn hoofd, in een ter plekke in elkaar geknutselde toekomst, kon ik voelen hoe mijn verbeelding alle opties van een toekomstig leven met haar begon door te nemen, te ontleden, te analyseren en tegen elkaar af te wegen. En ik zag op dat moment niets concreets, niets specifieks, maar ik voelde hoe mijn hoofd overliep: flitsen van diepe gesprekken, onze kinderen, bedscènes - en dat alles alleen maar om een antwoord te vinden op de vraag of ik met haar beter af zou zijn dan zonder haar. En ik was toen, op dat moment, niet ongelukkig, zelfs niet ontevreden met mijn bestaan. Ik was - en ben nog altijd - zo iemand die van zichzelf zegt dat hij niet mag klagen. Maar ook deze plotselinge opleving van hersenactiviteit vulde mij met intensiteit: daar in mijn flat, drie verdiepingen boven haar, had ik het besef dat ik diep in mij iets welwillends had, iets wat mij uiterst goed gezind was, iets wat in staat was om vooruitgang waar te nemen en altijd zou proberen mij in die richting te sturen. Het overweldigende besef dat er diep in mij iets is wat absoluut wil dat ik vooruitga.

Een Andalusische hond bestudeert nu met een ironische grijns en op een overdreven manier het plafond, terwijl op zijn borst een vrouw dreigend een stoel in de lucht houdt. De rugleuning ervan loopt langs zijn hals in de poten die op het gezicht van Een Andalusische hond te zien zijn. Een Andalusische hond laat zijn vingers niet langer trommelen maar roffelt spastisch en onregelmatig met zijn handen op de tafel. Hij blijft met zijn hoofd hoog in de lucht om zich heen kijken. Op hem buigt de hoofdrolspeler zich naar iets, pakt twee stukken touw van de grond en begint eraan te trekken. De twee priesters die aan de touwen bevestigd zijn rollen over Een Andalusische hond heen, gevolgd door twee piano's waarin twee dode ezels liggen opgebaard. Een Andalusische hond geeuwt nadrukkelijk om zijn ongeduld te laten blijken terwijl een close-up van een dode ezelskop zijn silhouet vult. Vervolgens kijkt hij me aan, ongegeneerd gapend, met glazige ogen, en dat schouwspel is vrijwel identiek met de aanblik die de ezelskop in close-up daarjuist bood. Hij kijkt me gespeeld pijnlijk aan, en vragend, en ik zit nog zonder antwoorden. Ik keer terug in mezelf, opnieuw het scherm in, naar mijn associaties en herinneringen.

Ik sta voor de twee meisjes en maak oogcontact, maar beide meisjes blijven glimlachend door me heen kijken. Ik haal diep adem, sluit mijn ogen en ren langs de twee meisjes verder door het scherm, zo hard ik kan. Aan ons tafeltje vraagt een vrouw of we nog iets willen drinken. Een Andalusische hond steekt zijn cognacje in de lucht, gevolgd door het opgestoken duimpje van zijn andere hand. Ik zeg dat ik graag koffie wil, terwijl ik binnenin verder ren, met gesloten ogen en opgeblazen wangen. Als ik met een rood hoofd, mijn hart in mijn keel en buiten adem mijn ogen opendoe, sta ik oog in oog met een ander meisje.

Het is het meisje dat ik al in een flits voorbij zag komen toen ik de close-up van de dode ezelskop op Een Andalusische hond voor me zag. Ik hoop bij god dat ik die zin nooit hardop in haar bijzijn uit zal spreken. Trouwens, niet zozeer de ezelskop roept bij mij haar beeld op, het is de hele sequentie die eraan voorafging: het moeizame vooruitkomen, de zware ballast. Ik leerde haar kennen in mijn eerste studiejaar. Mijn eerste keer van huis, de eerste keer dat je alles doet omdat je veel te veel tijd hebt en er geen seconde van wilt missen. Een tijd van broeierige hitsige terrassen, iets te hoge promillages, nieuwe gezichten en gezichtspunten. En uit dat wazige gordijn van tijd kwam zij plotseling tevoorschijn. Ik kende haar vrij goed, eerst spraken we af en toe iets langer met elkaar, en later spraken we af en toe met elkaar af. Rond vijf uur 's ochtends in een café kwam ze naar me toe en zei: 'Ik ben verliefd op je. Ik weet amper wie je bent, maar ik denk dat ik genoeg weet, en ik denk aan niets anders meer.'

Ik vond dat een prachtig moment, ik kon nog net een paar ongeïnspireerde, afwijzende woorden stamelen en bleef sprakeloos en als aan de grond genageld staan. De rest van de avond heb ik haar niet meer gezien; later hoorde ik dat zij zich in het damestoilet had opgesloten. En terwijl haar vriendinnen me de rest van de nacht scheef en verwijtend aankeken en er ondertussen zo'n tijdelijk kunststoffen toilethokje midden in het café werd geïnstalleerd, bleef ik de hele tijd stokstijf met een gelukzalige, zelfingenomen grijns op mijn bek in het midden van het café staan, starend in het niets. Alles in mij wilde echt achter haar aan gaan om haar gerust te stellen - 'we praten er nog wel over', 'het is goed zo', 'alles blijft zoals het was' - maar ik kon het niet. Er was iets in mij wat mijn hoofd in nevelen bleef hullen.

En ik geloof dat ik na verloop van tijd ben gaan beseffen wat mij daar bezielde. Toen ze zich aan mij kwam aanbieden, reikte ze niet zozeer zichzelf aan maar mijzelf: in een betere, gepolijste, artificiële versie. In haar ogen was het leven dat ik daadwerkelijk had geleefd (inclusief de zieke episodes) niet meer dan een nietig verschrompeld gesponnen pophulsje waaruit haar visie op mijn leven was gekropen die voor haar ogen rond bleef vlinderen. Op basis van alles wat ik haar verteld had, wat ze had opgevangen en wat ze er verder nog bij had verzonnen regisseerde ze een film in haar hoofd die mooi genoeg was om er niet bij weg te lopen, sterker nog, ze wilde een vervolg. Ze bood mij mezelf aan, in de vorm van een in één keer foutloos, verslavend en fabuleus goed gebrachte voorstelling. En als ik naar Een Andalusische Hond kijk - op hem wordt het hoofdpersonage uit zijn bed getrokken door iemand in een grijs pak - denk ik dat hij in mijn ogen iets soortgelijks zoekt.
Ook voor mij was Een Andalusische hond even een wereld op zich, de eerste keer dat ik hem zag, met die vooruitsturende droomsequenties van hem. Even leek het alsof alles wat er voor die beelden mijn ogen was binnengevallen niet meer stof was, dat door Een Andalusische hond weggeblazen werd van de lei waarmee hij in mijn hoofd kon beginnen. Vanuit zijn scherm, die wereld voor mijn ogen, leunde Een Andalusische hond naar voren en begon die lei te beschrijven, terwijl een carbonkopie van wat zijn hand schreef direct naar mijn hoofd steeg. Een Andalusische hond kijkt op zijn horloge. 'Drie uur in de ochtend,' zegt hij. Ik kijk hem verbaasd aan en draai mijn horloge naar me toe: nauwelijks een halfuur later dan toen we hier gingen zitten. 'Drie uur in de ochtend…' mijmert hij, glazig voor zich uit starend.

Elke keer wanneer ik me Een Andalusische Hond voor de geest haalde, schreef hij er in gedachten weer een aantal regels bij, of voetnoten, een los commentaar. Omcirkelde hij een woord, een frase. Schreef hij mogelijke verklaringen in de marge, legde hij symbolen uit. 'Een koffie wil ik,' roept Een Andalusische hond door het café, 'een koffie! Snel! Of ik raak in coma!' Als de serveerster de koffie neerzet, vit Een Andalusische hond heftig op mij: 'Ik stel die jongen hier één vraag, één vraag, en hij versteent!' Wanneer de koffie naast zijn cognacglas wordt neergezet, buigt Een Andalusische hond zich over de tafel en zwaait met beide handen overdreven op een paar centimeter afstand van mijn ogen. Dan pakt hij zijn koffie. 'Jezus Christus!' roept Een Andalusische hond en hij giet een enorme slok van de hete koffie naar binnen. Over hem en over zijn enorme kloppende adamsappel heen is het hoofdpersonage te zien dat twee revolvers vasthoudt en schiet op dat andere personage, de man in het grijze pak. En terwijl die man binnen de muren van de flat ineenstuikt en in de volgende scene op het gras landt naast de naakte vrouwenrug, laat Een Andalusische hond zijn hoofd gespeeld vermoeid achterovervallen, zakt onderuit op zijn stoel.

Ik kijk naar Een Andalusische hond terwijl hij daar zo achteroverhangt. Op hem zie ik hoe een groep mannen het lijk wegdraagt, onder hoge bomen door. Een Andalusische hond moet voelen dat ik naar hem kijk, want zonder de rest van zijn lichaam te bewegen en terwijl zijn hoofd nog steeds lam achteroverhangt, gaan zijn twee armen naar het kopje voor hem. Zijn linkerhand grijpt het melkkuipje op het schoteltje en zijn rechterhand trekt het dekseltje eraf. Hij giet de melk in het halve kopje koffie dat voor hem staat. Alleen zijn handen bewegen, voor de rest blijft Een Andalusische hond roerloos.

Ik schud mijn hoofd wakker, schraap mijn keel. Een Andalusische hond spert één oog wijd open en kijkt mij verwachtingsvol aan, wacht schalks af of ik iets ga zeggen. Bijna een minuut kijkt hij me zo aan, laat dan ineens zijn hoofd weer zakken, naar voren dit keer, en schudt niet-begrijpend zijn boven zijn kop koffie hangende hoofd, langzaam roerend in het kopje. De wolk van melk die in de koffie boven komt wervelen, lijkt sprekend op de doodshoofdvlinder die in close-up op Een Andalusische hond wordt vertoond. Ik schraap mijn keel weer; mijn keel voelt droog aan, alsof er haar groeit. Op Een Andalusische hond beweegt het vrouwelijke personage haar lipstick over haar lippen. Ik kan niets zeggen, en ik heb ook niets te zeggen. Ik heb nog geen antwoorden klaar, maar het scherm tussen Een Andalusische hond en mij stoort me niet meer. De schimmen in slowmotion, de reflecties van mezelf op zijn oppervlakte zijn me onbewust aan gaan spreken; ze laten me toe me te spiegelen, me te verbinden met een wereld buiten mezelf en buiten Een Andalusische hond. Alles lijkt ineens geordend voor mijn ogen te staan op dat scherm, en alles lijkt binnen mijn bereik. Voelbaar en concreet als een fotoalbum is het, en het verankert de tijd. Eén groot blok tastbare luciditeit. En plotseling vormt er zich een beeld in mijn hoofd, waarop ooit iets soortgelijks, een zelfde soort scherm, zich uitstrekte onder een felblauwe lucht, boven een mediterrane zee. Twee figuren, languit op het strand, proberen eveneens te focussen op het vage beeld achter hun scherm, waarvoor hun eigen reflecties als stoorzender optreden. 'Haar okselhaar is naar zijn mond verhuisd,' zegt Dalí. 'En ze steekt haar tong naar hem uit,' vult Buñuel aan. 'En dan gooit ze haar sjaal over haar schouder?' vraagt Dalí. 'Juist,' zegt Buñuel, 'en vervolgens doet ze de deur open en stapt de aangrenzende kamer binnen.' 'De aangrenzende kamer die een strand is,' besluit Dalí peinzend, met zijn vingers over zijn kin wrijvend.

Een Andalusische hond gaat recht zitten, zet zijn ellebogen op tafel en woelt met zijn handen in zijn haar, terwijl ik op hem het geluk van de man en vrouw met de zee op de achtergrond kan zien. Een Andalusische hond zucht. 'Als jij er dan niet op kunt komen…' zegt hij opeens, en ik schrik van de bijna neerslachtige toon. 'Na elke keer zo'n einde…' bromt hij, 'en dan nog wel in de lente…' 'Lente,' roept hij oratorisch, 'het geheugen en verlangen mengend!' Hij zucht, laat zijn hoofd hangen. 'Steeds zo te eindigen…' zegt hij, 'je begint jezelf vragen te stellen…' Na een pauze richt Een Andalusische hond zijn blik weer op mij, twee indringende ogen die mij helemaal in zich opnemen, met daarachter een gezicht, een hals en een romp waarop een trillend oud beeld is te zien: een barre vlakte, twee personen, het beginpersonage en het jonge meisje, half bedolven onder zand, hun weggevreten ogen blind en beëindigd.

Een Andalusische hond buigt zich opnieuw over zijn cognac en houdt de voet van het glas tussen midden- en ringvinger, mokkend en mopperend terwijl het beeld op hem langzaam overgaat in zwart. Vervolgens rolt van onder het tafelblad langzaam zijn aftiteling over hem heen, eerst over zijn borst en dan langzaam naar boven, en verdwijnt buiten de omtrek van zijn hoofd uit beeld. Een Andalusische hond is klaar, afgelopen, en eigenlijk kan ik opstaan en weggaan. Ik heb het gevoel dat we beiden kunnen opstaan en weggaan, maar we blijven gewoon zitten; we zijn op een punt aangekomen dat we ons allebei zo ongemakkelijk voelen dat de situatie gemakkelijk vol te houden is.

Maar achter mijn ogen hou ik mijn handen stevig op de randen van dat tv-scherm in mijn hoofd, en til het zo dicht mogelijk bij mijn gezicht. Ik kijk nog een laatste keer naar Een Andalusische hond, zoals hij voor me zit, nog altijd die mokkende oude man, de bedelaar op straat. Ik hoor een zwak geluid, een snel en laag gezoem, een ingesprektoon. Als ik het scherm tegen mijn oor hou, wordt het geluid langzaam harder en duidelijker tot ik een stem kan horen: het meisje uit de trein: 'Kom,' zegt ze, 'neem je tijd voor ons.' In het scherm, naast mijn gezicht, doemt ineens een wazige schim op, en wanneer die oog in oog met me staat, herken ik haar: 'Jouw tijd is met ons, altijd met ons,' zegt ze, het meisje dat ik bespiedde. Ze glimlacht, en ik hoor het andere meisje lachen. Ik breng het scherm van mijn oor naar mijn wijd opengesperde ogen.

Met één haal houw ik mijn ogen open, ik kan het buitenste bindweefsel horen scheuren. En terwijl al het leven stroperig uit mijn ogen glijdt - een glazen pot gelei die op de grond openspat - volgt een ander leven de tegenovergestelde richting: een impuls snelt via het netvlies mijn oogzenuwen door, mijn hersenen in, en flakkert daar op. In mijn hoofd zie ik plotseling haarscherp het beeld van Een Andalusische hond, omlijst door gescheurd oogwit: hij houdt zijn hoofd schuin naar achteren en kijkt me vanuit de hoogte aan door zijn half dichtgeknepen ogen, vanonder zijn wenkbrauwen priemen zijn flikkerende, zwart-witte ogen uitdagend in mij. Dan wordt de aanvoer van beelden afgesneden, en wordt mijn oog gestopt, wordt het gestild, gedistilleerd.

Erik VERHAAR (°1979) studeerde Germaanse filologie aan de Universiteit van Gent, gevolgd door de interuniversitaire opleiding Literatuurwetenschappen en Culturele Studies aan de K.U.Leuven. Van hem verschenen gedichten, korte verhalen en essays in verschillende Nederlands- en Engelstalige publicaties. Sinds 2004 is hij redactielid van Deus ex Machina.

terug