Intercontinental calls
Afrikaanse schrijvers op Europese bodem

nr.116 - maart 2006

 

Jean-Luc Raharimanana

Jean-Luc Raharimanana, in 1967 in Madagascar geboren, debuteerde als dichter maar werd vooral bekend als schrijver van proza. Hoewel hij een uitgesproken literaire schrijver is, ziet hij zichzelf in de eerste plaats als verteller van verhalen. Zijn werk is van een verbazingwekkende schoonheid: een uiterst subtiele poëzie die schokt en verwart en ongewoon scherp en schrijnend is. Raharimanana verovert door zijn schrijven een plek in de wereld. Hij observeert het onvermogen van het individu, zijn hypocrisie, zijn lafheid, en herschept de geschiedenis van Madagascar als een kluwen van paradoxen en verzwegen verhalen.

Zijn bekendste werken zijn de roman Nour, 1947 (2001) en de verhalenbundel Rêves sous le linceul (1998), beide als pocket heruitgegeven in de reeks 'Motifs' van de Franse uitgeverij Le Serpent à Plumes. In Nour, 1947 probeert de schrijver de verzwegen geschiedenis van Madagascar te herscheppen, met het bloedige verzet tegen de Franse kolonisator en de lokale slavernij als ijkpunten. Deze roman werd al in Rêves sous le linceul aangekondigd, maar daarnaast is deze bundel ook een schokkende evocatie van de lafheid van het individu wanneer het geconfronteerd wordt met de gruwelijke beelden van de Rwandese genocide.

L'arbre anthropofage, dat naast enkele mooi geschreven beschouwingen over de geschiedenis en de cultuur van Madagascar vooral een 'journal brut' is, werkt als een spiegel voor zijn literaire werk, waardoor de relatie tussen de schrijver en zijn werk en tussen de schrijver en de sociale en politieke realiteit centraal komt te staan.

Raharimanana schrijft niet alleen uitzonderlijk mooie teksten, hij stelt ook de meest fundamentele vragen over de plaats van de schrijver in de hedendaagse maatschappij.

 

Jean-Luc Raharimanana


Vertaling: Paul Kerstens,
behalve 'Podiumlezing': Sari Middernacht

Stroom

Ik kijk naar de huizen die ze gebouwd hebben. Ik heb zin om erin te wonen. Wij wonen tussen de rails. Op de vet geworden kiezels van de spoorweg. Wij wonen aan de stroom van cellofaan. Zo noem ik hem. Stroom van cellofaan. Afvalstroom die plastic zakjes meevoert, flessen, onbruikbare roestige golfplaten, het kreng van een hond die elders in de stad werd afgemaakt en naar hier afgedreven is, tegengehouden door verrotte planken die een onverwachte dam en dijk vormen. Ingewanden open naar de hemel. Ik zou, ik zou… die ingewanden kunnen recupereren, ze verwisselen voor de worsten van de slager. Wat niet weet, wat niet deert. Maar dat zal niet lukken. De slager - die slager weet maar al te goed wat ingewanden van een hond zijn. Rivier van stront. Stront uit het gat van de hele wereld. Huis. Huis dat ik niet heb. Hier is geen plaats meer. Ik slaap onder de rook van de stad die ze gebouwd hebben. Vroeger zaten zij tussen het afval. Ze woonden onder de stront. Ze woonden onder de vuilnisbelten die ze uitgegraven hadden. Hij heeft hen daar weggehaald. Hij had het hun gezegd. Hij heeft het hun gezegd. Hij zegt het hun nog altijd. Jullie kunnen. Jullie moeten. Als mensen leven. Je eigen huizen bouwen. Met je eigen handen. Ik zou daar wel willen wonen. Maar ik bid er niet om. Ik heb geen zin om te bidden. Ik heb geen zin om te geloven. Geloven in die god die maar laat begaan. Ik kan niet zomaar weg van mijn stroom. En van mijn zoon die erin verdronken is. Mijn zoon die we pas na twee weken teruggevonden hebben. Zijn mond vol plastic zakjes. Zijn buik opgeblazen van het rivierwater. Opgezwollen zoals al die afgedreven hondenkrengen. Gebarsten. Stroom van cellofaan. De enige lijkwade voor ons, mensen van hier. Van die stroom…

Ik kan het niet.

 

 

Gaven

De wind streelt, voor mensen zoals wij. De wind omhult, voor mensen zoals wij. En ik strek me helemaal uit op de grond. Hij fluistert. Ik hoor het niet zo goed. Waarschijnlijk de klap die ik daarnet gekregen heb. De grond fluistert, voor mensen zoals wij. Ik ken de ruwheid van het vallen, van het uitglijden. Ik ken de verwondingen die, meer nog dan de schaafwonden op de huid, iemand slopen. Die droom zit nog steeds in mij. Hij is reëel. De wind streelt me, terwijl de regen me toedekt. De druppels doen geen pijn op de huid. De schaafwonden. De grond fluistert en ik hoor zelfs de passen van de mensen die hier dansen. De dans van de ellende. Ademhaling en vluchtende stappen. De wind breekt de pijn, voor mensen zoals wij. Ik bedoel, hij slaat de pijn neer en dumpt hem in de ravijnen. Ik hoor zelfs het fluisteren van de grond. Zijn lied dat ik niet goed kan onderscheiden. Ongetwijfeld de klap van daarnet. Voor ik viel en weer de ruwheid kende van het vallen en het uitglijden. Maar het is niet erg. Voor mensen zoals wij zijn de bladeren afgestorven en breken ze onze val. Ik ken de schaafwonden van de ziel en de pijn die ik mijn grond aanbied. Het is beter dat ik mij nu in die droom wentel. Dat ik mijn ogen dichtdoe en de dromen afsluit. Ik vertrek. Ik verdwijn…

Uit: Le bâteau ivre, images en manoeuvres, 2004

 

 


Azafady

's Nachts een rivier oversteken: fady. Naar het oosten spuwen: fady. In de richting van een graf wijzen: fady. Over een slapend lichaam stappen: fady. Op de schaduw van een voorbijganger stappen: fady. In dit land van mij is alles fady, verboden.

Mijn vader-en-moeders, als ik over het land trek waaronder jullie rusten, is het niet om jullie te vertrappen, maar alleen om erdoor te lopen en aan de andere kant mijn geliefde terug te vinden...
Hoe dit land verwoorden?

Ambohipo, Ambohimanambola, Ambohimangakely, Andohaniato, Mandroseza, Alasora...
De taal waarin ik schrijf kan de legende van die duizend heuvels niet weergeven. Dus moet ik omwegen nemen, de taal verdraaien die haar woorden schoeide op de leest van een land dat noodzakelijkerwijs van het mijne verschilt. Andere benaderingen kiezen dan die van de onmiddellijke betekenis. Zoeken in het beeld. Zoeken in het ritme.
Het licht kan illusie scheppen. Gebaren kunnen vertellen. Traagheid. Stilte. Een ruimte creëren die buiten de verwijzingen van de geschreven taal ligt. Reduceren om het universele te bereiken. Het universele om het eigen ik te bereiken dat doolt in een land tussen twee werelden: een gedroomd verleden, een onbestemd heden.

 


De kannibaalse boom

Van de andere kant van de zeeën, me blijven voortslepen...
Voortdurend mezelf herhalen wat ik gezien heb, wat ik gezien heb...
... mannen, kinderen die doodgetrapt werden omdat ze een beetje eten gestolen hadden. Lijken die door honden opgevreten werden omdat niemand eraan dacht ze weg te voeren. Pasgeboren kinderen gezien, gewikkeld in doeken, met een lege buik, de organen eruit gehaald. Geruchten gehoord over een buurman die verdwenen is.
... In angst gezeten toen mijn vader 's avonds niet thuiskwam - een politieke vergadering, zoals hij altijd zei. Te veel bloed in onze arme landen. Te veel bloed in Madagaskar.
Moeten we het dan nog altijd hebben over die druppels inkt? Wilt u weten hoe ik ze netjes op mijn blaadjes heb uitgespreid? Heb ik er, zoals een schilder, een ander druppeltje aan toegevoegd? Een traan? Een druppel zweet? Een waas? Een fluim?
Ik doe het op zo'n manier dat mijn inktdruppels overlopen op de ziel en als bloed neersijpelen op het geweten. Maar zal dat de wereld veranderen?
Je had de Golfoorlog, met de zogenaamde militaire doelwitten. Alleen soldaten worden gedood! Maar hebben deze soldaten geen broers onder de burgerbevolking, hebben ze geen moeders, zussen? Die mensen, die al onder het regime van Saddam te lijden hadden, bezwijken nu onder de bommen.
Je had Somalië. Waarom moeten we buitenlandse mogendheden te hulp roepen om te zorgen dat we stoppen met elkaar uit te moorden? Waarom versjacheren we het voedsel dat bestemd is voor de onzen?
Rwanda, lijken die drijven in de rivieren, wegstromen in zee en stranden op de oevers van een ander land... Kinderen waarvan de ledematen afgehakt zijn, kinderen die getuige waren van de afschuwelijke dood van hun ouders. De hakmessen, de machetes...
En dan Algerije, waar het bloed zich in de straten vermengt met motorolie. Een corrupte regering, waanzinnigen van God die de hel doen losbarsten...
Modder. Bloed. Altijd. Als mijn inkt ook zo zou kunnen stromen...
Literatuur, in dat geval...
Toch blijven herhalen dat ik gezien heb, dat ik gehoord heb, gelezen ook…

 


Podiumlezing

Vrijdag 14 juni 2002, Saint-Denis, la Réunion
Podiumlezing, Théâtre du Grand Marché
'Mijn taal is te droog. De woorden die ze baart kunnen niet anders dan ruw zijn...'
Mijn eigen woorden. Mijn eigen zinnen die vlees worden. Ik keer terug naar mijn teksten. Ik keer terug naar het geweld van mijn teksten. Een kwartier voor de voorstelling rinkelt mijn mobieltje. Ik versta de woorden niet die ik hoor. Ik vermoed een slechte verbinding. Ik sta op van de tafel waaraan ik met mijn vrienden zit. Ga achter de kraampjes staan. Ik versta nog altijd niets. Ga achter de winkeltjes staan. Het gaat over mijn vader. Ik weet niet meer of het Malagassisch of Frans is. De stem spreekt nu met meer nadruk, formuleert de zin op een andere manier: 'Uw vader is ontvoerd. Ontvoerd, begrijpt u? Ontvoerd! Gekidnapt!' Door wie? Door de mannen van Ravalomanana!
Ik denk aan losgeld. Ik denk verward. Ik denk niet meer. Ik wil het eerste vliegtuig nemen en vertrekken naar mijn eiland, dat zo dichtbij is.
Straks, in de hotelkamer, zal ik nog eens het mobiele nummer van mijn vader intikken. Ik zal misschien nog eens de stem van die kerel horen, vast een militair - na elke zin zal hij telkens tapitra zeggen, afgelopen, stop, eind van het gesprek: 'Wees niet ongerust, uw vader is in veiligheid, tapitra!' In veiligheid? Maar waar? Wat willen jullie van hem? Hij verbreekt de verbinding.
Ik breng mijn vrienden op de hoogte. De verantwoordelijke van het theater. De regisseur. Een vriendin, Marine, een belangrijke persoonlijkheid van de Malagassische oppositie in de diaspora. Ze gaat een eindje verder staan, telefoneert en komt in contact met een 'raadgever' van Ravalomanana. Ze stelt me gerust. Ik leg het leven van mijn vader in haar handen. Schenk haar mijn volledige vertrouwen. Het publiek wacht. Ongeduldig. Weet niet wat er aan de hand is. De lezing begint. De zinnen klappen tegen mijn leven. Wat ik aan mijn personages heb toegeschreven, hun leven, hun herinneringen, is eigenlijk allemaal het mijne.
'Gerafeld leven, leven aan flarden gereten in duizend panische angsten.'
Ik doe mijn ogen dicht. Ik durf niet naar het podium te kijken.
'Kalmeer. Ik ben kalm. Ontspan je. Ik ben ontspannen.'
Ik word rustig, overtuig mezelf ervan dat alles in orde zal komen.
'We zitten hier goed. Zeven uur. Een zitbank die heel is en die op zijn plaats gehouden wordt door mijn lange benen. We zitten hier goed. Acht uur. Goed. Goed. Zindelijk en zuiver. Zonder enige bloedvlek. Zonder poel van vergetelheid. Aspirine, verdomme!'
Einde van de voorstelling. Ik praat werktuiglijk tegen het publiek dat gebleven is. Ik signeer boeken. Ik glimlach. The show must go on...
Ik kan hun echter niet zeggen dat het mijn leven is dat ze hebben gezien op het podium. Dat het geen toneelstuk was...

 

Uit: L'arbre anthropophage, Joëlle Losfeld, 2004

 


Over de volkeren

(Gog en Magog, de Cynocephalen, de Anthropofagen en de Libiërs.)
Waarin sprake is van een volk dat teruggedreven werd tot aan het einde der werelden en van hun droom om zich op onze eigen grond te kunnen uitstrekken.
'Het is een immens werkstuk van de natuur die, met één slag, de berg kliefde. Er werd een portaal geplaatst van balken bedekt met ijzer, er werd een rivier van walgelijk water heen geleid en op de rotsen werd een vesting gesticht. Dit alles om de doortocht van talloze volkeren te verhinderen…'

Plinius, VI-30

Ik verlang ernaar die bergen over te trekken en me aan de andere kant te bevinden. Ik had mijn hoop daarop gevestigd en leef enkel nog met mijn verbittering tussen deze immense versperringen. Ik verlang ernaar deze oorden te verlaten, alhoewel ik besef dat die onderneming ontsproten is aan een hersenschim: de droom van een onmogelijke werkelijkheid of het afwijzen van een ander bestaan. Ik verlang ernaar niet langer te stuiten op al die schandelijke volkeren (met een hondenkop, een slijmerige huid en zwart bloed) die zich voeden met slangen, vliegen, lijken, foetussen of embryo's. Ze kijken me aan en grijnzen. Hun gezicht is zonder huid en het vlees van hun wangen is gerookt door de verpeste lucht van deze oorden. De pest - laten we hem maar bij zijn naam noemen - velt duizenden van hen. Hun kadavers liggen op de grond te rotten en barsten één voor één open. Ik verlang ernaar voet te zetten op iets anders dan ingewanden die door de wind of door uitgeputte rode mieren overal verspreid werden. Soms lukt het me de tijd te nemen (tijd die zich dikwijls bij mij aandient - voor eeuwig! schreeuwt hij - maar ondankbaar of helderziend als ik ben, vermijd ik dat hij in mijn ziel stroomt om zich daar meteen vast te klinken) en mezelf naar het verleden te slingeren, maar de herinnering kwijnt weg en weigert verder te gaan dan die poorten die door geen ijzer of vuur doordrongen of veranderd kunnen worden. Soms lukt het me de tijd te nemen, maar telkens stuit ik op die ene doorgang die de bergen hadden opengelaten en die een of ander goddelijk of duivels wezen, een held, een veroveraar of een weldoener van de mensheid - weet ik veel - heeft dichtgedaan. Soms zit ik daar lange tijd neergeknield en laat me opeens meevoeren door de verleiding. Ik lijk dan op al die dolende zielen die zich te pletter gooien tegen de bergen en een stukje huid, een stukje vlees achterlaten. De poorten zijn nog zwarter nu, en slijmerig van die menselijke brij, steviger dan ooit zijn ze, een eeuwige vergeetput van weeklachten en kreten. Het herinnert me aan ons gekerm op het strand, aan onze handen die we open naar onze meesters ophieven, aan hun bloedige blikken en aan hun lansen die ons doorboorden. We trokken ons terug en stortten ons in deze oorden. De immense poorten vielen dicht. Ik mijmer over die verre beschaving die ons heeft geloosd tussen deze bergen aan de andere kant van de poorten, en ik herhaal het nogmaals voor mezelf, neerslachtig en verslagen: ik verlang ernaar deze oorden te verlaten voor de huid helemaal van mijn gezicht valt, voor het vlees van mijn wangen gerookt is, voor de geur van dode honden en in de moederschoot slapende foetussen mijn gehemelte streelt en mijn speeksel prikkelt. Ik verlang er echt naar, ja. Ik verlang ernaar deze oorden te verlaten…

 

Uit: Rêves sous le linceul, Le Serpent à Plumes, 1998

 

Paul Kerstens (°1961) studeerde Germaanse Filologie aan de Universiteit Antwerpen en Afrikaanse Talen en Culturen aan de Universiteit Gent. Hij werkte als assistent van Leen Laenens (toenmalig parlementslid voor Agalev) voor de Lumumba-commissie en is verbonden aan de Koninklijke Vlaamse Schouwburg te Brussel. In KVS richtte hij Green Light op, een denktank van Brusselse kunstenaars met Afrikaanse wortels, en houdt hij zich met verschillende Afrika-projecten bezig. Hij publiceerde verschillende artikelen in binnen- en buitenland over Afrikaanse literatuur en over de Belgische koloniale erfenis.

Sari MIDDERNACHT (°1979) studeerde in 2001 af als licentiate Afrikaanse Talen en Culturen aan de Universiteit van Gent. In haar thesis behandelde ze de literatuur uit Mozambique, met name korte verhalen van de auteurs Suleiman Cassamo en Mia Couto. Ze is co-organisatrice van het Literair Café Littéraire van Green Light/KVS, waarvoor ze regelmatig werk van schrijvers van Afrikaanse origine in het Nederlands vertaalt. Daarnaast is ze sinds 2003 werkzaam als gids en educatief medewerkster van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren.

terug