Intercontinental calls
Afrikaanse schrijvers op Europese bodem
nr.116 - maart 2006
Jamal Mahjoub
Jamal Mahjoub werd in 1960 in Londen geboren als zoon van Soedanees-Britse
ouders, groeide op in Khartoum en woont momenteel in Barcelona. In zijn romans
exploreert hij, telkens op een verrassende en onverwachte manier, het spanningsveld
van de ontmoeting en de versmelting van Europa en Afrika, van christendom en
islam, van kunst en wetenschap, van filosofie en het leven van alle dag.
In 1989 debuteerde hij met de roman Navigation of a Rainmaker, gesitueerd
in het Soedan van de jaren tachtig van de twintigste eeuw. In Wings of Dust
(1994) gaat hij terug naar de dekolonisatie van Soedan en in de ambitieuze historische
roman In the Hour of Signs (1996) naar de tijden van de Mahdi aan het
einde van de negentiende eeuw. Deze drie romans exploreren elk in tijd en ruimte
de ontmoeting tussen Soedan en het Westen, die dikwijls problematisch en gewelddadig
was. Mahjoub vermijdt daarbij al te simplistische voorstellingen van botsende
culturen. Het zijn geen onverzoenbare culturen maar tegengestelde belangen die
conflicten veroorzaken.
The Carrier (1998), grotendeels gesitueerd in Denemarken in het begin
van de zeventiende eeuw, gaat over de versmelting van Arabische en Europese
astronomische kennis. Zijn roman Travelling with Djinns (2003) heeft
de vorm van een roadmovie. Een man (van Brits-Soedanese afkomst) trekt met zijn
zoontje per auto door Europa, bezoekt kunststeden en reist door zijn persoonlijke
verleden.
Begin 2006 verscheen Nubian Indigo in het Frans. Later dit jaar volgt
er nog een nieuwe roman bij een Engelse uitgeverij.
Mahjoub heeft een oeuvre geschreven dat op een originele en belangwekkende
manier gaat over de ontmoeting tussen culturen, over métissage en over
multipele identiteiten, vraagstukken die in hoge mate de Europese en niet-Europese
culturen in het begin van de eenentwintigste eeuw kenmerken.
Jamal Mahjoub
De overlijdenstango
Vertaling: Paul Kerstens
Wacht even, laat me uitspreken voor ik de draad kwijtraak. Nee, dat heeft niets
te maken met ouder worden. Jaren geleden zei Salwa precies hetzelfde tegen me,
toen de kinderen nog maar net konden lopen en zij het moeilijk had, zoals alle
vrouwen het moeilijk hebben wanneer ze beginnen te verwelken: 'Je maakt je zinnen
nooit af. Je zegt nooit wat je wilde zeggen.' Natuurlijk had ze toen gelijk,
en nu zou ze ook nog gelijk hebben als ik niet van haar gescheiden was. Ik zou
de eerste zijn om het toe te geven.
Volgens mij ligt het aan de tijdgeest. Wie heeft er nu nog tijd om iets af
te maken? Het is een ziekte. Ik bedoel, een kwaal waaraan iedereen lijdt maar
waarover niemand spreekt. Je gedachten flitsen van het ene onderwerp naar het
andere, zo vlug dat je er nauwelijks erg in hebt. Als een vogel die zaadjes
van de grond oppikt, hier, daar, overal. Voor je het weet moet je de hele wereldgeschiedenis
vertellen, de ontdekking van Amerika, de uitvinding van de gloeilamp, wie de
piramides heeft gebouwd, gewoon om tot aan het eind van het verhaal te komen
dat je wilde vertellen. Tussen haakjes, ik heb gehoord dat de Arabieren dat
nu ook opeisen. Typisch. Nee, niet de gloeilamp, maar de ontdekking van Amerika.
Ze eisen alles op. Stel je voor dat bewezen zou worden dat het eigenlijk de
joden waren die dat gedaan hebben? Waar zouden we dan blijven? Het punt is dat
alles de hele tijd verandert, zelfs de harde feiten van de geschiedenis. Wat
we op school geleerd hebben, wat we altijd vanzelfsprekend vonden, niets daarvan
houdt nog stand.
Oké, ik ga verder. Ik moest een taxi nemen. Ik was al laat, en het heeft
wat van een legeroefening om in deze stad naar de luchthaven te komen. Ik bedoel,
trap op trap af, koffers, niemand die je helpt. Mensen die half zo oud zijn
als ik, die een derde zijn van mijn leeftijd, hebben het er moeilijk mee. Ze
krijgen steeds vroeger een hartaanval, en dat verbaast me niets. Ze rennen van
hot naar her met een rode kop, met immense zakken op hun rug, als kakkerlakken
die wegvluchten uit een keuken die net gedesinfecteerd werd. Waarom naar de
luchthaven? Het huwelijk van mijn dochter. Eindelijk heeft ze besloten haar
ouders gelukkig te maken en te trouwen met iemand uit onze contreien. Geen Europeaan
of Amerikaan, geen katholiek, protestant of jood, in 's hemelsnaam nee, dat
is ze in haar rebelse periode ontgroeid. Ik zou dus blij moeten zijn, maar in
feite ben ik ongerust. Ik bedoel, Yemen? Wil ik werkelijk dat mijn kleinkinderen
opgroeien met een vader die de hele dag als een lamzak ligt te kauwen? Het is
genetisch. Abdin, mijn zoon, jullie kennen hem nog wel, zegt dat ze er niets
aan kunnen doen. Het zit in hun genen. Eerlijk gezegd interesseert het me niet
waar het precies zit in hun lijf, ik ben er gewoon tegen. Maar wat kan ik doen?
Ze zegt dat ze gelukkig is. Liefde. Daar kun je niets tegen doen. Je zult zien
wat je bereikt als je je ermee bemoeit. Weet je nog van Mustapha Medood, zijn
zoon stak een Engelse jongen neer omdat die met zijn zus omging. Ze hadden een
oude Hadendowa-dolk aan de muur hangen, als versiering. Toeristen kopen die.
Ze zien er apart uit. Dus trok hij dat zwaard uit de schede. Zwaard, dolk, wat
maakt het uit? Het ging recht door het hart van die arme jongen. Hij stierf
nog voor de ziekenwagen er was. Zoals de zaken er in dit land voorstaan, is
het geen plek om ongelukjes te hebben met zwaarden. Het was een erg goede advocaat.
Tijdelijk ontoerekeningsvatbaar, dat is waarvoor hij pleitte. Ik heb gehoord
dat de jongen nu in de Verenigde Staten woont. Boston, New Jersey of waar dan
ook. Bloed. Dat krijg je als je je ermee probeert te bemoeien. Nee, dank je,
ik zal er wel mee leren leven, met dat blaadjes kauwen.
Waar was ik gebleven? De luchthaven? Nee, niet zo vlug. Eerst bel ik een minitaxi.
Je weet hoe moeilijk het is om een gewone taxi te vinden. Ze worden blind als
ze iemand als wij op straat zien staan. En trouwens, ze zijn veel te duur. Ik
bel het bedrijfje van die Somaliërs, of zijn het Nigerianen? In elk geval
zijn het bandieten. Ik zeg hun dat ik een wagen nodig heb om me naar Heathrow
te brengen, en het duurt tien minuten voor ze met de prijs voor de dag komen.
Ik hoor het gejammer van bedoeïnenmuziek op de achtergrond. Die mensen
leven nog altijd in stamverband. Waar je ze ook neerzet op Allahs wereld, ze
hurken bijeen alsof ze hun godvergeten hol nooit verlaten hebben. Alsof de luchthaven
een bestemming is waar ze nog nooit van gehoord hebben. Eindelijk besluiten
ze dat ze me kunnen vervoeren. Ik ben vereerd. Ik zeg hun dat niet, want ze
zijn zeer lichtgeraakt en zien er geen graten in om opeens de hoorn op de haak
te gooien, klant of geen klant. Je moet vooraf een prijs afspreken, anders houdt
de chauffeur je in gijzeling op een afgelegen weg. Het is alsof je weer thuis
bent.
Dus, de wagen komt eraan, ik kijk naar de chauffeur en zie dat het een van
hun Afrikanen is. Wat is er toch aan de hand met die Engelsen, dat ze niet meer
willen werken? Niet één van hen. Begrijp me niet verkeerd. Het
stoort me niet dat een Afrikaan me vervoert, behalve dat ze altijd verloren
rijden. Oké kameraad, knikken ze, en je vertrekt. Ze rijden tot halverwege
de kust voordat ze zich omdraaien en je vragen of je enig idee hebt waar we
zijn. Het probleem met Afrikanen is dat ze nooit toegeven dat ze zich vergist
hebben. Nooit. Ken je Shahin Tawil nog? Die van dat schandaal, jaren geleden.
Je weet wel, hij verkocht exportvergunningen aan de Argentijnen, die exocetraketten
kochten om ze op de Royal Navy af te vuren. Ik weet dat het lang geleden is,
maar het heeft hem voor altijd gebrandmerkt. Wat weet je verder nog over hem?
Hij dronk veel en ging naar Engelse hoeren. Een onguur type, als je alles bij
elkaar optelt. Hij werd bijna doodgeslagen door een van die chauffeurs. Waarom?
Dat vroeg hij zich ook af, geloof me. Die mensen rijden de hele dag rond, hun
zenuwen zijn gespannen als de snaren van een kamanga. Er springt er één
en ze vallen aan, zoals die honden die de nazi's hadden. Ik twijfel er niet
aan dat Tawil dronken was, natuurlijk, maar dan nog. Een chauffeur heeft zijn
verantwoordelijkheden. Tawil moest rennen voor zijn leven. Hij rende door de
straten, hij riep om hulp. Denk je dat er iemand stopte om hem te helpen? Zou
jij stoppen? Dat is Londen. Een dronken Afrikaan die door een andere achterna
wordt gezeten. De mensen gingen uit de weg. Misschien was deze wel een sikh,
nu ik erover nadenk. Maar met of zonder tulband, ze kunnen de weg niet vinden.
Ik was dus wantrouwig tegenover die man achter het stuur. Tussen haakjes, ze
moeten van ons niets hebben. We komen dan wel uit hetzelfde werelddeel, maar
ze kijken je eens aan en zeggen dan bij zichzelf: 'Arabier, moslim'. Ze kijken
ook naar de televisie. Ze zien vliegtuigen die tegen wolkenkrabbers vliegen,
vrouwen die gestenigd worden, zelfmoordcommando's die zichzelf opblazen op de
achterbank van hun Ford Mondeo. Een van hen beschuldigde mij ervan een slavenhandelaar
te zijn. `Jullie hebben mijn voorvaderen ontvoerd!' riep hij tegen mij. Gewoon
omdat hij het wisselgeld niet mocht houden. Maar zeg nu zelf, een fooi van vijf
pond? Hij sprong uit de wagen. Gouden tanden, een enorme ring door zijn neus
en dreadlocks die hij als zwarte slangen in mijn gezicht slingerde. Hij sprong
op en neer op de straat als een derwisj. Hij zou zijn voorvaderen nog niet herkennen
als ze onder zijn wielen lagen.
Maar ik had geen keuze, en trouwens, hoe moeilijk kan het nu zijn om een luchthaven
te vinden? Maar als we eenmaal op weg zijn valt me iets op aan die man. Om te
beginnen zijn accent. Het is een instinct. We herkennen elkaar onmiddellijk.
Mijn zoon zou jullie iets kunnen vertellen over erfelijkheid, maar het leven
van die jongen is zoals in die Zuid-Amerikaanse melodrama's die ze 's middags
uitzenden. Salwa raakte er jaren geleden aan verslaafd toen ze hoorde dat ze
allemaal over seks gingen. Zij en ik hadden geen betrekkingen meer sinds de
kinderen geboren waren, of zo goed als geen. Wat stelt het voor, zei ze, jij
ligt op mij en je droomt van andere vrouwen. Ik heb je kinderen gegeven. Zoek
maar een andere vrouw als je meer wilt. Ik heb haar raad opgevolgd, dat spreekt
voor zich. Dat is wat televisie doet in het hoofd van een vrouw. Ze wilde romantiek.
Zeg nu zelf. Een vrouw van in de veertig, met twee kinderen. Romantiek? Het
punt is dat mijn zoon, sinds hij de universiteit heeft verlaten zonder enig
vooruitzicht, zonder plannen en met geen andere ambitie dan de zuurverdiende
centen van zijn vader op te maken, niets anders doet dan namen van vrouwen verzamelen
in zijn adresboekje. Ik moet er niet aan denken hoeveel bastaardkleinkinderen
er al van mij rondlopen in het zuidwesten van Engeland. Jarenlang duur privé-onderwijs,
bijlessen enzovoorts, allemaal omdat die jongen niet wist hoe de voorkant van
een boek eruitziet. Nu doet hij de hele dag niets anders dan televisiekijken.
Hij beweert dat hij, liggend op zijn rug, meer van dat toestel leert dan hij
ooit heeft gedaan op de universiteit. Je had je al dat geld kunnen besparen,
lacht hij me uit en intussen steekt hij de ene sigaret met de andere aan.
Erfelijkheid, stammeninstinct of wat dan ook. Ik ben mij ervan bewust dat er
iets vertrouwds is aan die man. En niet alleen zijn accent. Ik ga wat naar voren
zitten om zijn gezicht beter te kunnen bekijken. Ik spreek hem aan in het Arabisch.
Hij kijkt me aan in de spiegel. Ik weet zeker dat ik je ken, zeg ik tegen hem.
We hebben samen op school gezeten. Jaren geleden en ver weg. Hij schudt zijn
hoofd, maar ik ben er zeker van. Ik ben in de war nu ik hem in deze toestand
zie, achter het stuur van een onopvallende minitaxi. Ik merk enkele andere dingen
op. Zijn kleren zijn groezelig. Zijn haren moeten geknipt worden. Hij is ouder,
natuurlijk, en zijn gelaat heeft wat van zijn vorm verloren. Ook rijdt hij als
iemand die niet weet wat haast is. Dienstregelingen, uren van vertrek, uitgangen
die op een luchthaven gesloten worden, dat betekent allemaal niets voor hem.
Ik zie hoe auto's ons links en rechts inhalen. Ze claxonneren en steken obsceen
hun vinger op. Het lijkt alsof we opgesloten zitten in een luchtbel en langzaam
zinken. Maar ik ben me er nauwelijks van bewust nu ik doorheb dat ik in gezelschap
ben van een brok levende geschiedenis; mijn geschiedenis.
El Haj. Deze man was onze held, we keken naar hem op. Hij was niet eens zoveel
ouder dan ik, vijf, zes jaar misschien, meer niet. Genoeg om indruk te maken,
op die leeftijd. Hij was een harde werker natuurlijk, ijverig, toegewijd en
knapper dan de meeste anderen op school, de leraren inbegrepen. Hij las de hele
tijd, overdag en 's nachts. We waren arm in die tijd, wij allemaal. Ik woonde
toen een paar straten van hem vandaan. We hadden een emmer als toilet. Een gat
in de grond. Elke avond kwam een man hem leegmaken. Mijn eigen kinderen lachen
als ik hun dat vertel. Maar het maakt wel degelijk verschil. Zulke zaken bepalen
je persoonlijkheid. Mijn kinderen kunnen alles krijgen wat ze willen, ze hoeven
het maar te vragen, maar de waarheid is dat ze niets substantieels hebben, begrijp
je? Ik benijd hen niet dat ze in een wereld als deze moeten opgroeien. Welk
houvast hebben ze? El Haj. We noemden hem zo omdat hij ouder leek dan hij was,
hij zat altijd buiten onder de straatlantaarns te lezen. Thuis konden ze zich
niet veroorloven het licht aan te steken. De meeste huizen hadden één,
misschien twee gloeilampen, maar het kostte geld om die te vervangen, en dus
bleef het de meeste tijd donker. Wie las er nou 's avonds - de meeste mensen
konden op klaarlichte dag nog niet eens lezen. Iedereen respecteerde hem. Een
excentrieke kerel, hij had zijn eigen opvattingen over stijl. Hij droeg een
hoed. Niemand droeg een hoed. Het was een echte hoed. Het was er een zoals golfspelers
dragen, maar dan zonder dat rode pluizige ding bovenop. Frans, denk ik. Iemand
moet hem die gegeven hebben. Herinner je je die hoed nog? vroeg ik hem. Hij
lachte naar me in de spiegel. Hij herinnerde zich de hoed.
Ik voelde me klein. De hele wereld hield op te bestaan, het mooie pak dat ik
droeg, de vliegtuigtickets die ik vasthield. Ik voelde er niets meer van. Heb
je enig idee hoe groot de kans is dat we elkaar op een dergelijke manier ontmoeten,
in een taxi, duizenden kilometers van de plek waar we geboren zijn? Ons leven
is voorbijgegaan, re-geringen zijn aan de macht gekomen, dictators zijn verdreven,
en nu zijn we hier. Hij was het met me eens, de probabiliteit was niet erg groot.
Probabiliteit. Zo'n woord kon ik zelfs niet spellen. Ik vergat het hele huwelijk
van mijn dochter, de herder aan wie ze had besloten haar leven te vergooien,
de zorgen om mijn zoon, mijn eigen gezondheidsproblemen. Al dat soort gedachten
dreven weg uit mijn hoofd. Het was alsof ik op de top van een zeer hoge berg
stond en mijn hele leven overzag.
Je moet begrijpen dat ik al vlug doorhad dat al die boeken me niet ver zouden
brengen. Ik verliet de school en begon onmiddellijk zaken te doen. Ik werkte
mezelf omhoog. En ik speelde het hard. Nee, ik heb nergens spijt van. Je vergeet
dat ik nog heel goed weet hoe het was toen we niets hadden. Ik herinner me de
stank van vervuild water dat op straat werd gegooid, die grijze kleur van de
dood. Ik heb het erop gewaagd. Ik zag kansen en het zou stom geweest zijn die
te laten schieten. Ik heb mijn eigen leven gemaakt en heel wat mensen hebben
daarvan geprofiteerd. Ik benijdde hem. Nu kan ik dat toegeven. Vroeger kon ik
dat niet, maar nu, wie geeft er nu nog om? Hij rijdt me naar de luchthaven in
een wagen die hij huurt van een rondzwervende bandiet. Hij, de grote wijze man
van onze nieuwe tijd. Hij ging naar de universiteit. Hij ging naar het buitenland.
Hij gaf lezingen in de hele wereld. Iedereen zat stil te luisteren naar deze
man die vroeger boven een emmer hurkte en onder de sterrenhemel las als de elektriciteit
uitviel. Hij werd belangrijk. Zijn naam verscheen in de kranten. Een keer zag
ik hem op de televisie, ik herkende hem nauwelijks. Een grote bos haar en een
kleurig hemd alsof hij net van achter een brandende struik tevoorschijn was
gekomen. Hij werd gefotografeerd terwijl hij op het gazon van het Witte Huis
presidenten de handen schudde, en nu reed hij hier met een onopvallende minitaxi
door straten die hij niet kende. Natuurlijk had hij mogelijkheden gehad. Dat
moet wel, hij ging om met beroemdheden en rijken. Maar hij zou nee gezegd hebben.
Een man met principes. Ik voelde me opgetogen en vreselijk triest.
Ik besefte dat ik er in mijn achterhoofd altijd op vertrouwd had dat hij er
zou zijn om de wereld de goede kant op te sturen, snap je? Het was een soort
teller. Maar alles verandert. Je wordt achtergelaten als je niet beweegt, zoals
zo'n insect dat ze vereeuwigd vinden in een steen. Ik zei dat tegen mijn buurman,
die tussen haakjes helemaal niet van hier is, ik weet niet waar hij vandaan
komt, ik versta nauwelijks een woord van wat hij zegt. Ik zei hem dat Rusland
nog iets betekende toen ik jong was. Ik weet niet waarover we het hadden. Ik
zei dat ze machtig waren. Ze hadden raketten en een groot leger en iedereen
was bang van hen. De grote Russische beer. Die Wolga's die voorbijraasden als
woedende reuzenkevers. El Haj was een communist. Iedereen was dat in die tijd,
iedereen die met politiek bezig was. De sovjets waren onze enige hoop, legde
hij uit. De Amerikanen steunden de Israëli's. Ze bombardeerden Vietnam.
Ze vermoordden Lumumba. De Russen hadden nooit Afghanistan mogen binnentrekken,
zei hij. Daar lag de oorzaak van hun verval. Ze trokken binnen als de machtige
Sovjet-Unie en ze kropen eruit als kaviaarventers en hoeren. Dat was nu juist
mijn punt. Tegenwoordig spreiden Russische vrouwen overal, excuseer, hun benen
op deze planeet. De slimsten maken het als echtgenoten in deze streken, alhoewel
ik heb gehoord dat het degenen zijn die te lelijk zijn voor de prostitutie.
Ze hebben het allemaal goed georganiseerd. Ze sturen je een foto van een negentienjarige
schoonheid - schitterend. Je kikkert er helemaal van op als je naar zo'n blakende
vrouw kijkt. En de gedachte dat je al die heerlijkheid elke nacht naast je in
bed kunt hebben is voor menig eenzaam man reden genoeg om met één
pennenhaal voor altijd afstand te doen van zijn eigen leven, en dat is precies
wat er met onze vriend Ragab gebeurd is. Herinner je je hem nog? Hij was zo
gelukkig. Drie maanden lang leefde hij op een wolk. En toen stuurden ze hem
een vrouw vergeleken bij wie die deur daar mooi lijkt. Ze was zo groot dat hij
een nieuw bed moest kopen. Hij was bang van haar. Hij was fysiek bang van haar.
Ze bleef maar aandringen dat hij overal geld naartoe moest sturen. Haar moeder
was ziek, haar zuster was juist bevallen van een zieke baby, enzovoorts. Hij
zei dat er op den duur een heel dorp leefde van het loon van een arme Afrikaanse
professor aan een provinciale Engelse universiteit.
De grote droom was in elkaar gestort. Er was niets terechtgekomen van de visioenen
die El Haj had voor het Afrikaanse continent. Wat had het allemaal betekend?
Weet je, ik ben een religieus man. Nee, echt waar, al een jaar lang heb ik geen
druppel meer aangeraakt. Niet sinds die bypass-operatie. Heb ik je over de bedevaart
verteld? Wat een zootje was dat. Ik dacht dat ik doodging in dat gedrang. Het
verlies van je waardigheid maakt deel uit van de ervaring, zo werd me verteld.
Leg dat maar eens uit aan je kinderen. 'Religie is angst,' zegt mijn zoon. Waar
heb je dat geleerd, vroeg ik, door op de televisie naar naakte vrouwen te kijken?
Nee, zegt hij, als er een almachtige God bestond, dan zou hij verschil moeten
kunnen maken tussen iemand die zuiver is van hart en een dikke hypocriet die
op de knieën gaat omdat hij zich oud en sterfelijk voelt en het betreurt
dat hij zich zijn hele leven als een zondaar gedragen heeft. Ik hou van hem,
maar als hij mijn zoon niet was, dan zou ik zijn lever er via zijn keel met
een vishaak uit rukken.
We hebben ons aan hun regels gehouden, zei El Haj. Dat was onze vergissing.
Toen we de mogelijkheid hadden om dingen te veranderen, hebben we hun regels
gerespecteerd. We wilden wat zij hadden. We wilden Regent Street en Piccadilly
Circus. We wilden Oxford en Cambridge. We wilden Westminster. In plaats van
voor onszelf te denken. Tegenwoordig, zei hij, herinnert niemand zich zelfs
nog dat er zoiets als een koloniale periode bestaan heeft. De Engelsen van vandaag
zijn het moe om aan te moeten horen wat hun voorvaderen hebben gedaan. En trouwens,
zeggen ze, kijk maar eens wat er gebeurt als jullie aan je lot worden overgelaten.
Hij gaf toe dat hij onbelangrijk geworden was. Niemand was nog in zijn ideeën
geïnteresseerd. De tijd had hem ingehaald. Zelfs de Engelsen niet, die
hem opgevoed en getraind hadden. Ze hadden eigen deskundigen, zei hij, die hun
vertelden wat ze wilden horen. En het was waar dat we onze portie gehad hadden
aan krankzinnigen, bloeddorstige despoten die paleizen bouwden in het zand,
met gouden kranen in de badkamer, terwijl de meesten van hen waren opgegroeid
zonder te weten wat stromend water was.
Ik geef toe dat ik me wat ongemakkelijk voelde toen ons gesprek die kant op
ging. Tenslotte zou hij zich wel eens tegen mij kunnen keren, omdat ik mijn
land tekort had gedaan. Ik had geprofiteerd, natuurlijk. Ik nam mijn deel van
de commissies en van het smeergeld of wat dan ook. Dat hoort bij het spel. Iedereen
weet dat. Toch was het plezierig om hem te horen praten. Het riep zoveel herinneringen
op. Aan Salwa toen ze jong was, toen de kinderen nog klein waren en ze in de
zon speelden en vol hoop leken. We dachten dat ze sterke volwassenen zouden
worden en voor ons zouden zorgen als we oud waren. Maar het leven is een lastige
teef, excuseer, het gaat nooit de kant op die jij wilt, het geeft nooit wat
jij vraagt, het wil altijd meer.
Hij weigert mijn geld aan te nemen als we bij de luchthaven aankomen. Trots.
De grote zwakte van ons volk. We willen allemaal geven. Waarom? Ik zal het je
zeggen, omdat het de deur openlaat voor het lot. Het is beter om te leven met
de hoop dat je op een dag iets terug zult krijgen dan het geld nu aan te nemen.
Dat is onze grootste fout, dat is wat ons tegenhoudt. Als je een stap opzij
zet in deze wereld, neemt iemand anders jouw plaats in. Ik had het verwacht
en daarom stopte ik het geld achter in de stoel toen ik uitstapte. Ik weet dat
iemand anders het misschien gevonden heeft, maar wil je dan dat ik verder moet
leven met het idee dat ik in het krijt sta bij die man? Ik kon het niet, ik
kon het niet verdragen, en trouwens, ik weet niet goed hoe ik het moet uitleggen,
maar de hele tijd dat ik bij hem was had ik de indruk dat hij het had opgegeven,
dat hij niets meer van het leven verwachtte. Hij deed ook niet alsof, zoals
sommige mensen doen: nee nee nee, ik zou dat nooit enz enz, en hup!, sneller
dan je een vlieg kunt meppen verdwijnt het in hun portefeuille. Nee, hij was
eerlijk. Hij had het opgegeven. Ik denk zelfs dat hij ervan overtuigd was dat
hij niet lang genoeg meer zou leven om het te kunnen uitgeven. Ik zeg je, ik
had het gevoel dat ik met een dode aan het praten was. Toen de wagen wegreed
zei ik bij mezelf dat dit de laatste keer was dat ik die man gezien had. De
hele tijd leek het alsof er nog iemand anders bij ons in de auto zat. Toen had
ik door wat er vreemd was aan ons gesprek. Het was zoals die dans. Ken je die?
Heel bekend, ik weet niet meer hoe hij heet. Spaans. De dans is een voorspel,
voor seks gewoonlijk. In dit geval zou het voor de dood zijn. Ik denk dat hij
mij ook dankbaar was. Op de een of andere manier gaf ik hem de kans vrijuit
te spreken, zijn hele levensloop samen te vatten, zoals ze dat in de krant doen
wanneer er een beroemdheid is overleden, maar in dit geval zal zelfs niemand
weten dat hij gestorven is.
Dus rende ik de luchthaven binnen, God lovend voor het gelukkige toeval, voor
het feit dat mijn hoofd nooit vol was geweest van hoogdravende ideeën om
iets te worden. Ik voelde me jong, opgetogen, ik wilde in de lucht springen
en het uitschreeuwen. Ik wilde mijn zoon omarmen en tegen hem zeggen dat hij
bij de televisie moest blijven zitten, dat hij vroeg of laat wel de drang zou
voelen om op stap te gaan en wat geld te verdienen en dat hij waarschijnlijk
wel eens geluk zou hebben, zoals ik toen met die eerste vliegtuigcontracten.
Wie heeft er een opleiding nodig? Wat levert het je op? We leven in een ongeletterde
wereld. Niemand geeft er nog iets om. Boeken? Waarvoor? De leider van de machtigste
natie van de wereld kan zelfs niet spellen. Dit is onze tijd, de kleine man.
Ik dankte God voor al die dingen. Ik dankte Allah dat ik gezond was, dat mijn
dochter ging trouwen met een man die in de olie zit. Het is waar, een onbelangrijke
functie, maar toch. Heb ik je gezegd dat hij een nieuwjaarskaartje heeft gekregen
van die Cheney? Nee, natuurlijk is hij geen christen. Het is gewoon iets wat
ze doen voor al hun werknemers: moslims, Chinezen, boeddhisten, hindoes. Het
maakt allemaal geen verschil. Dat is wat ze globalisering noemen. Ik zeg je,
het kan me niets schelen of die jongen de herder is van een kudde berggeiten,
zolang hij maar geen grootse ideeën in zijn hoofd haalt om de wereld te
veranderen, want dat is het einde, mijn vriend, neem dat maar van me aan.
Paul Kerstens
(°1961) studeerde Germaanse Filologie aan de Universiteit
Antwerpen en Afrikaanse Talen en Culturen aan de Universiteit Gent. Hij werkte
als assistent van Leen Laenens (toenmalig parlementslid voor Agalev) voor de
Lumumba-commissie en is verbonden aan de Koninklijke Vlaamse Schouwburg te Brussel.
In KVS richtte hij Green Light op, een denktank van Brusselse kunstenaars met
Afrikaanse wortels, en houdt hij zich met verschillende Afrika-projecten bezig.
Hij publiceerde verschillende artikelen in binnen- en buitenland over Afrikaanse
literatuur en over de Belgische koloniale erfenis.