Intercontinental calls
Afrikaanse schrijvers op Europese bodem
nr.116 - maart 2006
Afrikaanse literatuur: de inwendige ballingschap
Inleiding door Paul Kerstens
Binnen de culturele wereld is de literaire de meest behoudsgezinde. Negentiende-eeuwse
romantische noties van 'nationale literaturen' voeren nog steeds de boventoon.
Dit geldt zeker voor de Vlaamse literatuur, die tot nader order monocultureel
is: 'Vlaamse' schrijvers die in het 'Vlaams' schrijven. De maatschappelijke
realiteit van culturele diversiteit en van meertaligheid heeft nog geen plaats
verworven in het Vlaamse literaire veld. Door de volgehouden inspanning van
verenigingen als Kif Kif en Het Beschrijf, of van individuen als Tom Lanoye
en Paul Pourveur wordt meer en meer de illusie van het 'literaire eiland' verlaten.
Het gaat echter moeizaam, zeker als je het vergelijkt met andere kunsttakken.
Arno, dEUS, Think of One, Daan en ook Praga Khan en Axelle Red hebben geen enkel
probleem met de 'meervoudige identiteit', en hun meertaligheid sluit hen op
geen enkele manier uit van de 'Vlaamse cultuur'. Ze wortelen allemaal in de
specifieke locus waarbinnen ze gegroeid zijn, maar ze hebben geen behoefte aan
een verdediging van hun habitat als een nationale en monolithische cultuur.
Hetzelfde geldt voor de hedendaagse dans, en ook voor het theater. Vooraanstaande
toneelgezelschappen steken met steeds meer gemak de grens over, ook linguïstisch.
Als tg stan, DAS theater en KVS ook in het Frans gaan spelen, dan levert dit
geen enkel probleem op voor hun artistieke identiteit en integriteit.
Maar, zoals gezegd, liggen de zaken moeilijker als het om de letteren gaat.
Terwijl er in de Duitse literatuur een generatie is van 'jonge Turken' en bij
onze noorderburen steeds meer Nedermarokkanen opgang maken, blijft de 'nieuwe
wereld' grotendeels afwezig in het Vlaamse literaire klimaat. Het gevolg is
dat alles wat niet past in het monoculturele literaire beeld, wordt uitgesloten
en teruggewezen naar een of andere ingebeelde plaats van herkomst.
Dit is de kern van de problematiek van de perceptie van heel wat hedendaagse
Afrikaanse schrijvers, die verondersteld worden een exponent te zijn van een
continent waarvan ze, in heel wat gevallen, onafhankelijk zijn. In werkelijkheid
maken ze deel uit van verschillende culturen, een beetje zoals Samuel Beckett
deel uitmaakt van de Engelse en van de Franse literatuur, en Igor Strawinsky
tegelijkertijd een Russische, Franse en Amerikaanse componist is.
Verschillende Afrikaanse schrijvers plaatsen zich in de hedendaagse Europese
literatuur, en dat om verschillende redenen. Ten eerste omvat hun literaire
universum ook het Europese; het wordt door hen niet ervaren als 'vreemd' of
'opgedrongen', maar als een integraal deel van hun culturele identiteit. Ten
tweede hebben deze schrijvers een stek in Europa, permanent of tijdelijk. Zelfs
Slimane Benaïssa, een schrijver 'in ballingschap' in de strikte zin van
het woord, zegt door zijn jarenlange verblijf in Frankrijk niet langer alleen
maar een Algerijn te zijn. In de Franse (en Europese) omgeving heeft hij een
nieuwe schriftuur gecreëerd. Ten derde wordt hun werk door Europese uitgeverijen
gepubliceerd. Zelfs als ze ondergebracht worden in een 'Afrikaanse collectie'
of een 'zwarte reeks' maken ze deel uit van het fonds van Europese uitgeverijen.
En ten vierde heeft wat zij schrijven direct of indirect betrekking op de Europese
samenlevingen, zoals de teksten die in dit nummer samengebracht werden (hopelijk)
aantonen.
Het lijkt erop dat wat deze schrijvers in de eerste plaats tot 'Afrikaan' en
'anders' maakt hun huidskleur is. Vergelijk hen even met J.M. Coetzee bijvoorbeeld.
Zowat iedereen weet dat hij Zuid-Afrikaan is, maar niemand zal hem in de 'speciale
afdeling' Afrikaanse literatuur onderbrengen. Nadine Gordimer idem. Tot nader
order zijn Wole Soyinka, Chinua Achebe, Ahmadou Kourouma, Abdulrazak Gurnah
en Jamal Mahjoub vooral in dergelijke 'aparte' hokjes terug te vinden.
De keuze van de schrijvers die in dit nummer worden voorgesteld, is arbitrair.
Dat is altijd het geval. Wat opvalt, is dat het allemaal 'zwarten' zijn, als
je vasthoudt aan een rudimentaire en vereenvoudigende raciale ideologie, en
dat er geen enkele auteur bij is uit Noord-Afrika of uit Zuid-Afrika. Dat vraagt
enige toelichting. Zoals ik zal uitleggen, werd het idee van 'Afrikaanse literatuur'
vanaf het begin geracialiseerd.
Enerzijds werd ze verengd tot 'negerliteratuur' en anderzijds geografisch uitgebreid
tot de Caraïben en Noord-Amerika (vreemd genoeg is Brazilië altijd
genegeerd gebleven). Ik kan en wil een dergelijke raciale opvatting niet onderschrijven.
Het moet duidelijk zijn dat ook schrijvers uit Egypte, Algerije en Zuid-Afrika
deel uitmaken van de Afrikaanse literaturen. Maar het is juist het denkbeeld
dat zwarte Afrikaanse schrijvers 'anders' zijn dat mijn keuze om me tot hen
te beperken legitimeert. De staaltjes die u in dit nummer van Deus ex Machina
kunt lezen, zullen hopelijk duidelijk maken dat er op basis van hun werk geen
enkele reden is om hen in een andere culturele wereld te catalogiseren.
Bestaat er zoiets als een Afrikaanse literaire traditie of een Afrikaanse literatuur
waartoe de hedendaagse schrijvers al dan niet behoren? Dat is een complexe vraag.
Als het gaat om Afrikaanse 'literaire tradities' zal vaak gerefereerd worden
aan de mondelinge literatuur. Met het achterliggende idee dat Afrikaanse culturen
culturen zijn van het gesproken woord, worden mondelinge literaturen - door
sommigen als 'oraturen' gedefinieerd - verondersteld de authentieke Afrikaanse
te zijn. Heel wat vooraanstaande hedendaagse schrijvers verwerpen dat idee.
Ze zijn opgegroeid in een literaire wereld, en hun persoonlijke 'authentieke'
Afrika omvat ook Baudelaire, Shakespeare en de antieke Grieken. Toch blijft
het idee van een algemene en authentieke 'Afrikaanse' literaire traditie voortleven.
Dekolonisatie
In de negentiende eeuw begon de intellectuele en culturele emancipatie van de
zwarte bevolking van de Verenigde Staten. Zij ontwikkelde een eigen wereldvisie
(in belangrijke mate gebaseerd op de bijbel), die op een of andere manier nog
altijd doorwerkt in de discussies over 'zwarte' en/of 'Afrikaanse' cultuur en
die verspreid werd via opkomende populaire muziekgenres als jazz, blues en gospel.
De grote doorbraak met de 'Harlem renaissance' van de jaren twintig had ook
een belangrijke literaire component.
Al vrij snel stak die emancipatie de oceaan over, niet naar Londen maar naar
Parijs. Het was de tijd van de bokswedstrijden en van Josephine Baker. Parijs
ontwikkelde zich tot de belangrijkste artistieke metropool van de westerse wereld:
de lichtstad. In de Verenigde Staten leefden en werkten zwarte Amerikaanse kunstenaars
in een samenleving die gekenmerkt werd door segregatie en uitsluiting. Parijs
werd voor hen het symbool van onbeperkte persoonlijke en artistieke vrijheid.
Parijs begon zich ook te ontwikkelen tot het intellectuele en culturele centrum
van Franstalig Afrika. De beste studenten uit Afrika en uit de Franstalige Antillen
kwamen er studeren en vonden aansluiting bij de zwart-Amerikaanse artistieke
diaspora, met schrijvers als William Dubois en Langston Hughes en, later, James
Baldwin. De weg van de Afro-Amerikaanse emancipatie naar het Afrikaanse continent
loopt dus via Parijs, de stad van Picasso en Strawinsky, van het dadaïsme
en het surrealisme en later van het existentialisme. Het is in dat hybridische
en stimulerende klimaat dat het eerste eigenlijke Afrikaanse literaire veld
zich manifesteert. Zwarte Franstalige studenten zoals Leopold Sedar Senghor
(uit Senegal), Léon-Gontran Damas (uit Frans Guyana) en Aimé Cé-saire
(uit Martinique) ontmoeten elkaar en vormen de generatie van de negritude. Analoog
aan de denkbeelden van enkele vroege antropologen als Leo Frobenius was hun
uitgangspunt dat 'de negers' zich onderscheiden door een aantal menselijke,
sociale en culturele waarden en normen die ze gemeenschappelijk hebben en die
verschillen van die van de 'blanke'. Het instinct wordt geplaatst tegenover
de 'cartesiaanse' ratio, het gevoel tegenover de rede. De politieke en sociale
strijd wordt geëssentialiseerd en geracialiseerd. Het gaat niet om een
Afrikaanse culturele beweging, maar om een 'negroïde'. Dit is een sterk
vereenvoudigde en misschien zelfs karikaturale voorstelling van de negritude.
Césaire zou zich al snel afkeren van een dergelijke essentialistische
benadering en een concreet, meer individualistisch en politiek engagement voorstaan.
Senghor werd de bard van de 'métissage': de affirmatie van de 'neger'
was nodig om zijn plaats te kunnen innemen in het Franse culturele universum.
Hij en enkele andere schrijvers van de negritude zullen prominente herauten
worden van de Franse taal en cultuur.
Feit is dat ze vasthouden aan een 'zwarte' identiteit en een heel nieuw en eigen
literair veld creëren, met uitgeverijen en tijdschriften, met bijeenkomsten
en congressen, en met een eigen publieke ruimte. Maar wel in Parijs, niet in
Afrika.
De situatie was heel anders voor Engelstalige Afrikanen. De Franse koloniale
politiek was er een van direct bestuur. Fransen uit de metropool trokken de
oceanen over om zelf de overzeese gebieden te beheren. Die gebieden zouden geassimileerd
worden, opgenomen worden in de Franse idee. De Britse kolonies kenden een indirect
bestuur. Het Britse kader was beperkt tot de hoogste posten, het lokale bestuur
werd uitgeoefend door Afrikanen. De Engelse taal en cultuur drongen overal door,
maar er was geen politiek van culturele assimilatie. Het was niet de bedoeling
dat de Afrikanen 'Engels' werden. Londen was het machtscentrum, maar het was
niet de culturele metropool zoals Parijs dat was. In verschillende Engelstalige
gebieden ontstaan moderne, lokale literaturen, zowel in het Engels als in Afrikaanse
talen. In de jaren vijftig en zestig zullen grote universiteiten, zoals die
van Ibadan in Nigeria en de Makerere-universiteit van Kampala in Oeganda, regionale
literaire centra worden, waar schrijvers elkaar ontmoeten, congressen georganiseerd
worden en uitgeverijen en tijdschriften het licht zien.
Dit is de periode van de dekolonisatie. Als in de jaren zeventig en tachtig
politieke en economische crisissen in het merendeel van de Afrikaanse staten
elkaar opvolgen, komt het tot een algemeen verval van de Afrikaanse literaire
velden. Het merendeel van de Afrikaanse uitgeverijen en tijdschriften geeft
het op. Het publiek wordt te klein omdat het hun aan koopkracht ontbreekt. Literatuur
speelt niet de maatschappelijk vooraanstaande rol die muziek, radio, televisie
en theater hebben. De toon in de meeste Afrikaanse literaturen verandert: geen
fier idealisme meer, maar pessimistische ironie, grauw en rauw. De Congolese
schrijver Sony Labou Tansi schept in zijn romans en toneelstukken een gruwelijk,
barok en surrealistisch 'tropicalisme' van dictatuur en barbarij. De Malinees
Yambo Ouologuem rekent in het omstreden Le devoir de violence meedogenloos af
met het beeld van het edele authentieke Afrika en stelt de geschiedenis voor
als duizend jaar van geweld, verraad en dictatuur. Ayi Kwei Armah (uit Ghana)
beschrijft in The Beautiful Ones Are Not Yet Born de moderne Afrikaanse stad
als een immense smeerboel en een uitzichtloze negorij.
Hoe dan ook, zelfs die schrijvers beschouwen zich als een deel van Afrika; Afrika
is en blijft het referentiekader.
Delokalisatie
Aan het eind van de twintigste eeuw is er een belangrijke maatschappelijke
en mentale ommekeer. Tot dan toe werden zwarten in Europa beschouwd als 'passanten'.
Ze kwamen naar het westen voor een beperkte tijd. Ze logeerden hier om te studeren
of om te werken. Maar hun eigenlijke plaats was in Afrika, het zwarte continent.
Stilaan groeide het besef dat dit in veel gevallen een illusie was. Heel wat
mensen realiseerden zich dat ze in Europa woonden en dat ze in de eerste plaats
deel uitmaakten van de Europese samenleving. Hun Afrikaanse afkomst was belangrijk,
maar hun referentiekaders waren in de eerste plaats die van de wereld waarin
ze leefden, dat wil zeggen: Europa. De hedendaagse auteurs die in dit nummer
van Deus ex Machina voorgesteld worden, staan eigenlijk voor een nieuwe vorm
van 'ontvoogding'. Ze benadrukken hun recht op eigenheid, maar weigeren ook
de 'stem van een continent' te zijn, of verdedigers van de gemeenschappelijke
normen en waarden van de negers, zoals die door de negritude wa-ren voorgesteld.
Postkolonialisme, deconstructie, post-modernisme.
'Afrika' wordt steeds meer beschouwd als een ideologische constructie dan als
een realiteit, en de hopeloze verdeeldheid van het Afrikaanse continent en de
verbrokkeling van bepaalde staten verwijzen veralgemenende essentialiseringen
als 'gemeenschappelijke normen en waarden' naar de prullenmand. In een boek
als The Invention of Africa analyseerde V.Y. Mudimbe op een briljante manier
niet alleen het hele discours over Afrika als gevangen in een westers keurslijf,
maar ook het idee van 'Afrika' als een Europese uitvinding, een projectie van
'de Andere'. 'Afrika' is een Europees concept en de inhoud ervan kan enkel volgens
Europese categorieën ingevuld worden.
Vanuit dit perspectief is de negritude een Europees concept dat deel uitmaakt
van het Parijse artistieke klimaat van de eerste helft van de twintigste eeuw;
de schrijvers speelden de rol van de Andere, het spiegelbeeld van de 'blanke'
beschaving. Dit betekent meteen ook dat de Afrikaanse of 'neger'-literatuur
zoals die door hen werd voorgesteld, geen autonoom literair veld is, maar onderdeel
van de Europese literaturen (in hun geval, van de Franse). De Keniaanse schrijver
Ngugi wa Thiong'o ziet in zijn essay Decolonizing the Mind Afrikaanse literatuur
in Europese talen als een koloniaal fenomeen en aanvaardt voor zichzelf de consequenties.
Vanaf dat ogenblik schrijft hij enkel nog in het Gikuyu, zijn moedertaal, en
zoekt hij ook verteltechnisch inspiratie in de orale literatuur.
Jongere schrijvers weigeren echter in te gaan op deze problematiek, die ze weinig
relevant vinden. Het is niet mogelijk om te spreken van een 'beweging', sommigen
van die schrijvers staan lijnrecht tegenover elkaar. Er zijn schrijvers die
uitsluitend of vooral over Afrika schrijven (zij het vanuit de positie van een
buitenstaander), er zijn er die resoluut elke associatie met Afrika weigeren.
Ook de problematiek van de relatie tussen de Afrikaanse schrijver en zijn publiek
heeft voor de meesten van hen geen belang. Om heel wat verschillende redenen
is het moeilijk om een Afrikaans publiek te bereiken: analfabetisme (sterk toegenomen
sinds het IMF strenge besparingsprogramma's oplegde aan de armste Afrikaanse
staten, ook in het onderwijs), te weinig lokale cultuurindustrie, te geringe
koopkracht, te weinig interesse. Uitzichtloos en deprimerend voor een schrijver.
Behalve als je zegt: ik schrijf voor welke lezer dan ook. En inderdaad, de jongere
generatie geeft er niet om of de lezer in Afrika of in Europa dan wel in Amerika
woont en welke huidskleur hij heeft.
Sterk veralgemenend zou men kunnen stellen dat er twee soorten 'Afrikaanse literaturen'
bestaan: de internationale en de lokale, of de gedelokaliseerde en de plaatselijke.
Vaak worden ze voorgesteld als elitaire versus populaire literaturen, maar dan
gaat men voorbij aan het feit dat ook lokale literaturen 'elitair' kunnen zijn
door vorm of inhoud en slechts door een bepaalde klasse van de bevolking gelezen
worden. Ook het idee dat literatuur in Afrikaanse talen dichter bij 'het volk'
staat, is een simplistische voorstelling die niet veralgemeend kan worden voor
het hele continent. Bovendien zijn er nogal wat schrijvers die probleemloos
tot beide literaturen gerekend kunnen worden. De Keniaanse schrijver Meja Mwangi
maakt met romans als Carcase for Hounds en Going Down River Road deel uit van
de internationale literatuur, maar hij publiceert ook romans bij kleine uitgeverijen
in Nairobi. Hetzelfde geldt voor Florent Couao-Zotti uit Benin. Chenjerai Hove
laat zijn romans uitgeven door Britse uitgeverijen, maar behoudt de rechten
voor Zimbabwe voor aan lokale uitgeverijen. En dit zijn slechts enkele voorbeelden.
Men kan veronderstellen dat via het internet de 'internationale' literaturen,
die in Europa gepubliceerd worden, veel makkelijker lokaal ontsloten zullen
kunnen worden.
Zwarte Europese schrijvers
Maar, zoals gezegd, is er de laatste jaren een golf van 'internationale' schrijvers
die niet langer tot de 'Afrikaanse' auteurs gerekend willen worden. Koffi Kwahulé
is een theaterauteur uit Ivoorkust die zichzelf beschouwt als een Parijzenaar.
Hij verwijst slechts in een beperkt aantal van zijn teksten rechtstreeks naar
Afrika; meestal zijn ze gesitueerd in een zeer specifieke westerse urbane omgeving
(de voorsteden, de bourgeoisie, verpauperde wijken in de binnenstad) waarin
'de andere' of 'het andere' binnendringt, zonder dat het per se als Afrikaans
geduid wordt. Dit is ook zo in het werk van Marie Ndiaye, van Frans-Senegalese
afkomst.
Kossi Efoui, uit Togo, schept een surreëel Afrika in zijn toneelstukken
en romans en wil - op een eerste niveau - niet waarheidsgetrouw zijn. Hij stelt
dat Afrikaanse literatuur niet bestaat en eigent zich het recht toe 'Afrikaanse
authentieke waarden en normen' af te wijzen als ze hem niet aanstaan, en obscure
Russische mystieke dichteressen als 'literaire voorvaderen' te verkiezen boven
de Afrikaanse 'klassieken'.
Nimrod schrijft over Tsjaad (zij het meer in zijn proza dan in zijn poëzie),
maar zegt meteen ook dat dat land onleefbaar is, zowel voor de mens als voor
de schrijver, en dat niet alleen vanwege het politieke en intellectuele maar
ook vanwege het natuurlijke klimaat. Zijn literaire referenties zijn, op Senghor
na, uitsluitend Frans. Provocerend raadt hij elke jonge schrijver aan het Afrikaanse
continent te verlaten.
Een dergelijk literair postkolonialisme is het meest uitgesproken in het werk
van Franstalige schrijvers. Bij Engelstalige schrijvers is het eerder uitzonderlijk.
De Angelsaksische culturele wereld heeft nog altijd een 'aparte' black culture,
waarin eventueel nog de restanten van de Britse koloniale politiek herkenbaar
zijn. Ben Okri wordt dikwijls beschouwd als de Afrikaan van dienst in het Engelse
literaire establishment (Okri is Britser dan de Britten, zegt men), en de meeste
andere Engelstalige schrijvers van Afrikaanse afkomst worden als exponenten
van een 'gemeenschap' naar de marge teruggedrongen.
Jamal Mahjoub is daarvan een goed voorbeeld. Deze Brits-Soedanese schrijver
werd geboren in Engeland, groeide op in Soedan en keerde terug naar Engeland
om te studeren. Hij trouwde met een Deense, ging ook in Denemarken wonen, maar
vestigde zich na zijn scheiding in Barcelona. Mahjoub is, meer dan wie ook,
een 'nieuwe Europeaan'. Hij schrijft in het Engels, wordt ook in het Engels
uitgegeven, maar kan op meer erkenning rekenen in Frankrijk en Spanje. Van de
oorspronkelijke, Engelse versie van zijn werk is alleen nog zijn laatste boek
verkrijgbaar; de Franse vertalingen van zijn romans worden nog altijd herdrukt.
Biyi Bandele is de schrijver die zich het meest complexloos in die postkoloniale
ruimte begeeft. Zijn romans en toneelteksten zijn soms uitgesproken 'Nigeriaans',
terwijl hij in andere zeer Brits is. Zo is The Street een Londense roman (zijn
eigen toneelbewerking heet Brixton Stories) waarvan je als lezer kunt veronderstellen
dat die zich in een zwart milieu afspeelt, maar dit wordt nergens letterlijk
in het boek vermeld. Bandele heeft een bewerking gemaakt van Garcia Lorca's
Yerma, waarin hij de plaats van handeling verplaatst naar een vissersdorp in
Nigeria. Van die bewerking heeft hij nu ook een filmscenario gemaakt voor de
populaire Nigeriaanse video-industrie van Nollywood.
Deze schrijvers zien zichzelf veelal als vrijbuiters of als eenlingen (in tegenstelling
tot de 'collectieve stem' uit de periode van de dekolonisatie), of soms ook
als ontheemden. Het nomadische leven, de ballingschap en de periferie zijn vaak
voorkomende topoi. Dat was ook al het geval in de literatuur van de schrijvers
van en rond de negritude, maar terwijl het bij hen over een 'uitwendige' ballingschap
ging (het leven van een Afrikaan in Europa bijvoorbeeld), is dit bij deze generatie
geïnterioriseerd: elk individu is fundamenteel een ontheemde, een balling.
In vele gevallen is dit een bewuste keuze en heeft het een positieve connotatie
van bevrijding. Tegenover de deterministische 'Blut und Boden'-visie van de
negritude staat de idee van een vrije, onderhandelde identiteit. Het is geen
toeval dat elk van de teksten die in dit nummer voorgesteld worden daar op een
of andere manier naar verwijst.
Paul Kerstens
(°1961) studeerde Germaanse Filologie aan de Universiteit
Antwerpen en Afrikaanse Talen en Culturen aan de Universiteit Gent. Hij werkte
als assistent van Leen Laenens (toenmalig parlementslid voor Agalev) voor de
Lumumba-commissie en is verbonden aan de Koninklijke Vlaamse Schouwburg te Brussel.
In KVS richtte hij Green Light op, een denktank van Brusselse kunstenaars met
Afrikaanse wortels, en houdt hij zich met verschillende Afrika-projecten bezig.
Hij publiceerde verschillende artikelen in binnen- en buitenland over Afrikaanse
literatuur en over de Belgische koloniale erfenis.