Het zijn cynische tijden is een boutade die steeds vaker in de
mond van opiniemakers en talkshowgasten bestorven ligt. Meestal laat men deze
vaststelling vergezeld gaan van een diepe zucht, die het veroordelende karakter
van deze uitspraak nog eens extra in de verf zet. Cynisme is een
woord dat maar al te dikwijls gebruikt wordt om iets slechts en verdorvens aan
te duiden. Als het er in de politiek beroerd aan toe gaat, klinkt het unisono:
De politici zijn cynisch geworden. Als weer eens een zwartgallig
boek de blits maakt, wordt er al spoedig veralgemeend: De letteren zijn
cynisch geworden. Iemand als Jozef Deleu heeft het er moeilijk mee, zo
verklaarde hij onlangs in een interview in De Morgen: Ironie wantrouw
ik.( .) Echt verfoeien doe ik het cynisme.
Is het begrip louter een stoplap om te wijzen op iets infaams, iets kwaadwilligs?
Is een cynische houding ook wel eens een te prijzen attitude? Penetreert het
cynisch denken intussen steeds meer geledingen van onze westerse samenleving?
Of is het een te verwaarlozen oppervlakteverschijnsel? Toch is cynisme als filosofisch
begrip eeuwenoud: Diogenes van Sinope wist er alles van.
Met Deus ex Machina willen wij zout strooien in deze maatschappelijke wonde
en nagaan hoe het cynisme zijn sporen nalaat in de hedendaagse literatuur. De
redactie heeft een aantal Nederlandstalige auteurs benaderd op basis van vermeende
cynische capaciteiten en hen gevraagd of ze een prozatekst met een cynisch
karakter wilden schrijven.
De vraag zaaide af en toe chaos en rumoer, verwarring en ongemak. Een veel voorkomende
reactie was: Ik, een cynisch schrijver? Hoe kom je daar nu bij?
Sommigen vermeldden zelfs: Ik ben toch echt wel een lieve jongen/ meid,
hoor. Geen twijfel mogelijk: cynisme schuurt en schaaft en
zet de dingen op scherp.
Uiteindelijk wilden de meeste auteurs uitgedaagd hun medewerking verlenen.
Het cynisme bleek een grote bron van inspiratie voor de meest diverse tekstvormen.
Als inleiding verdedigt onze jonge redacteur Michiel Kroese zijn these over
cynisme als engagement en spiedt hij met zijn onfeilbare, zelfontworpen
cynisme-meter naar het C-gehalte in een aantal recente binnen- en
buitenlandse romans.
Guido van Heulendonk greep de opdracht aan om eigenzinnige bespiegelingen over
zijn schrijverschap te componeren. Stefan Hertmans bezorgde ons een lang en
spitant filosofisch essay, opgehangen aan het werk van Michel Houellebecq. (Van
deze Franse schrijver, met zijn nieuwe boek momenteel alweer over ieders tong
gaand, hebben we trouwens speciaal een aantal van zijn vroege down to earth-teksten
geselecteerd.) Verder schreef een plejade talentvolle jonge auteurs een novelle:
vaandeldrager van de nieuwe generatie cynici Jan Van Loy, die vorig jaar zo
sterk debuteerde met het inktzwarte Bankvlees (en daarmee zelfs de longlist
van de Gouden Uil haalde) mocht natuurlijk niet ontbreken; evenmin als Christophe
Vekeman, die dezer dagen ook met een nieuwe roman in de picture staat. Vier
ontregelende verhalen van Nederlands aanstormend talent, te weten Floor Haakman,
Walter van den Berg, Mark Verver en Bas van Putten, completeren dit themanummer.
En kijk, het thema bleek letterlijk de kwade genius in de auteurs naar boven
te halen. De ene tekst is duister of bijtend, de andere luchtig of hilarisch.
Eén tekst is misschien zelfs niet echt cynisch, maar de auteur wist wel
beter: Soms komt het cynisme op kousenvoeten.
Hoe het cynisme ons ook besluipt (als een dief in de nacht of als een ploertendoder),
laat u tegen de haren in strijken en meevoeren door dit grimmig geschrijf.