Grimmig geschrijf
Cynisme in de literatuur

nr.114 - september 2005

VOORAF

‘Het zijn cynische tijden’ is een boutade die steeds vaker in de mond van opiniemakers en talkshowgasten bestorven ligt. Meestal laat men deze vaststelling vergezeld gaan van een diepe zucht, die het veroordelende karakter van deze uitspraak nog eens extra in de verf zet. ‘Cynisme’ is een woord dat maar al te dikwijls gebruikt wordt om iets slechts en verdorvens aan te duiden. Als het er in de politiek beroerd aan toe gaat, klinkt het unisono: ‘De politici zijn cynisch geworden.’ Als weer eens een zwartgallig boek de blits maakt, wordt er al spoedig veralgemeend: ‘De letteren zijn cynisch geworden.’ Iemand als Jozef Deleu heeft het er moeilijk mee, zo verklaarde hij onlangs in een interview in De Morgen: ‘Ironie wantrouw ik.(….) Echt verfoeien doe ik het cynisme.’
Is het begrip louter een stoplap om te wijzen op iets infaams, iets kwaadwilligs? Is een cynische houding ook wel eens een te prijzen attitude? Penetreert het cynisch denken intussen steeds meer geledingen van onze westerse samenleving? Of is het een te verwaarlozen oppervlakteverschijnsel? Toch is cynisme als filosofisch begrip eeuwenoud: Diogenes van Sinope wist er alles van.

Met Deus ex Machina willen wij zout strooien in deze maatschappelijke ‘wonde’ en nagaan hoe het cynisme zijn sporen nalaat in de hedendaagse literatuur. De redactie heeft een aantal Nederlandstalige auteurs benaderd op basis van vermeende cynische capaciteiten en hen gevraagd of ze een prozatekst met een ‘cynisch karakter’ wilden schrijven.
De vraag zaaide af en toe chaos en rumoer, verwarring en ongemak. Een veel voorkomende reactie was: ‘Ik, een cynisch schrijver? Hoe kom je daar nu bij?’ Sommigen vermeldden zelfs: ‘Ik ben toch echt wel een lieve jongen/ meid, hoor.’ Geen twijfel mogelijk: ‘cynisme’ schuurt en schaaft en zet de dingen op scherp.

Uiteindelijk wilden de meeste auteurs uitgedaagd hun medewerking verlenen. Het cynisme bleek een grote bron van inspiratie voor de meest diverse tekstvormen. Als inleiding verdedigt onze jonge redacteur Michiel Kroese zijn these over ‘cynisme als engagement’ en spiedt hij met zijn onfeilbare, zelfontworpen ‘cynisme-meter’ naar het C-gehalte in een aantal recente binnen- en buitenlandse romans.
Guido van Heulendonk greep de opdracht aan om eigenzinnige bespiegelingen over zijn schrijverschap te componeren. Stefan Hertmans bezorgde ons een lang en spitant filosofisch essay, opgehangen aan het werk van Michel Houellebecq. (Van deze Franse schrijver, met zijn nieuwe boek momenteel alweer over ieders tong gaand, hebben we trouwens speciaal een aantal van zijn vroege down to earth-teksten geselecteerd.) Verder schreef een plejade talentvolle jonge auteurs een novelle: vaandeldrager van de nieuwe generatie cynici Jan Van Loy, die vorig jaar zo sterk debuteerde met het inktzwarte Bankvlees (en daarmee zelfs de longlist van de Gouden Uil haalde) mocht natuurlijk niet ontbreken; evenmin als Christophe Vekeman, die dezer dagen ook met een nieuwe roman in de picture staat. Vier ontregelende verhalen van Nederlands aanstormend talent, te weten Floor Haakman, Walter van den Berg, Mark Verver en Bas van Putten, completeren dit themanummer.
En kijk, het thema bleek letterlijk de kwade genius in de auteurs naar boven te halen. De ene tekst is duister of bijtend, de andere luchtig of hilarisch. Eén tekst is misschien zelfs niet echt cynisch, maar de auteur wist wel beter: ‘Soms komt het cynisme op kousenvoeten.’
Hoe het cynisme ons ook besluipt (als een dief in de nacht of als een ploertendoder), laat u tegen de haren in strijken en meevoeren door dit ‘grimmig geschrijf’.

De redactie

terug