Ik herinner het me als de dag van gisteren. Het moet 1979 zijn geweest, een zomeravond, mijn zoontje lag naast me in het gras, eindelijk in slaap, mijn pakje Drum bevatte nog net genoeg tabak voor één laatste shag, een bodempje droge kruimels waar geen fatsoenlijke sigaret meer van te rollen viel, maar het zou moeten volstaan want alle winkels waren al dicht en bovendien kon ik mijn zoontje niet alleen laten, dus voorzichtig, snakkend naar een trek nicotine na een volle middag wiegen en knuffelen, en de evolutie vervloekend die het verwerven van tanden tot zo’n lijdensweg heeft gemaakt (die de tand überhaupt heeft uitgeselecteerd als voornaamste middel tot soortelijk overleven), strooide ik de tabak op het vloeitje, verdeelde hem zo gelijkmatig mogelijk, begon omzichtig te rollen, en net toen ik een min of meer consistente cilinder klaar had en mijn tongpunt van speeksel voorzag om alles dicht te likken, scheet een overvliegende duif midden in het rolletje.
Een telegeleid projectiel had niet raker kunnen treffen: de witgrijze kwak bedekte elke kruimel, mijn vingers dropen.
Stilte in het universum. Ik keek op, wachtend op de luide schaterlach die zou aanzwellen ergens hoog boven de zakkende zon, waar men nu ongetwijfeld in een deuk lag, vingers nog aan de snaren, of in de ton met quarks, of wat er ook gebruikt was om via een snelle graai deze plooi in de tijdruimte te trekken.
Maar hij kwam niet.
Kijk, dit zou ik nu cynisme noemen. Was er een meteoriet op mijn hoofd gevallen, ik zou het aanvaard hebben. Maar vogelstront in mijn laatste shag? Dit vroeg meer dan Heisenbergs onzekerheidsprincipe om zichzelf kosmologisch te legitimeren.
Een duif dus.
God dobbelt niet, maar vliegt op Dourdan en Arras.
De Heilige Geest is een blauw geschelpte.
Mij is gevraagd aan dit DexM-nummer mee te werken. Reden: mijn reputatie een cynisch schrijver te zijn. Al bij mijn debuut kreeg ik dit etiket opgeplakt. ‘Haarscherpe en cynisch weergegeven observaties doen zowaar aan Elsschot denken,’ schreef Stefaan Praet over Hoogtevrees (1985). Ik ben het label nooit meer kwijtgeraakt. ‘Van Heulendonk wordt zo stilaan de cynicus par excellence van de Vlaamse letteren’: Jos Borré over Terug naar Killary Harbour (2004), mijn laatste roman.
Mij is gevraagd mee te werken aan dit nummer, omdat men cynische kopij wilde en in de Literaire Gele Gids had gevonden dat ik die leverde. Men ging ervan uit dat, zodra mijn pen papier raakt of mijn vinger een pc-toets, cynische tekst het resultaat is. Want toen ik vroeg: ‘Wat voor bijdrage willen jullie?’, was het antwoord: ‘Doet er niet toe. Als het maar cynisch is.’
Eigenlijk is dat al behoorlijk cynisch. Iemand de opdracht geven cynisch te zijn. Het deed me denken aan de oude mop over de masochist en de sadist. Zegt de masochist: ‘Doe me eens pijn’, waarop de sadist: ‘Nee hoor!’
Ik ben nog nooit aan een roman of verhaal begonnen vanuit de behoefte cynisch te doen. Ik vind mezelf geen cynicus. Diep in mij schuilt een blozend knaapje dat mama’s hand vastgrijpt, terwijl het een konijntje aait. Rode ogen associeer ik eerst met verdriet, pas daarna met een joint. Zou het desondanks kloppen dat ik, zoals een kip alleen maar eieren kan leggen, gedoemd ben teksten te produceren die getuigen van – om Van Dale te citeren – ‘een verbitterde twijfel als levenshouding’? Die volgens de Concise Oxford ‘incredulous’ zijn ‘of human sincerity and integrity’? Volgens de Winkler Prins ‘wereldminachting’ prediken, ‘onverschilligheid voor de burgerlijke moraal en schaamteloosheid’? Ben ik iemand die, in de woorden van Theophrastus van Eresus, ‘scheldt, vuil is, drinkt, liegt en bedriegt, steelt, bordelen openhoudt en indien nodig zelfs belastingontvanger wordt’?
Mijn goede moeder moest het eens horen.
Ik besloot mee te werken. Wilde zelf zien wat eruit zou komen, indien ik à l’improviste aan het schrijven sloeg. Voor de eerste keer in mijn leven aan een tekst beginnen die niet al vooraf in mij bestaat, want zo gaat het normaal. Een roman groeit in de baarmoeder van mijn hoofd, tot hij een graad van afheid heeft bereikt die enkel nog maar het opschrijven vereist. Het enige motief is expressiedwang: ik schrijf omdat ik bezig wil zijn met taal. Omdat het mij voldoening geeft te beitelen en te schaven aan zinnen tot er iets staat waarvan ik zeg: oké, bekijk dat nu maar eens van dichterbij. Voorwaar geen cynische impuls. Mijn drijfveer is geloof in gratie en ontroering. Ik streef naar verheffing, van mezelf, mijn lezers, mijn volk: de pracht van mijn woorden moet hen ontvankelijk maken voor schoonheid, cultuur, moet hen alert houden op nuances en subtiliteit, behoeden voor de afstomping, kortom. En ik met mijn kop in de krant. Papa, kijk dan.
Maar nu dus eens anders.
Nu eens cynisch.
Want er was ook nog dit. Het geval wil dat ik kamp met een writer’s block. Sedert Terug naar Killary Harbour, voltooid in 2002, heb ik geen letter meer geschreven. Ook geen behoefte meer aan gehad. Mijn vrouw zegt dat daar dringend een einde aan moet komen.
Ik ken minstens één criticus die het met haar oneens zal zijn.
Maar daar gaat het niet om. Niet om cynische critici. Het gaat erom dat ik mijn vrouw onvoorwaardelijk geloof. Mijn geloof in haar heeft me al voor veel onheil behoed. Ik volg haar adviezen altijd op, zonder nadenken, elke dag, al bij het verlaten van het ochtendlijk bed, wanneer mijn hand twijfelend dwaalt tussen de grijze en blauwe onderbroeken. Dankzij haar besta ik. Est, ergo sum. Ze mag altijd tussen mij en mijn zon komen. Geen bittere houding, voorwaar, getuigend van ongeloof in menselijke integriteit. Geen minachting en schaamteloosheid. Nee, dit is liefde.
Alleen heb ik geen zin om te schrijven.
Maar ik zal dus.
Ik wil weten wat eruit komt.
En misschien is dat dan tòch een cynische impuls. Misbruik van DexM, om mezelf weer aan de praat te krijgen.
Maar zij zijn begonnen.
Als paarden konden tekenen, zouden ze hun goden als paarden tekenen, zei Xenophanes van Colophon.
Als paarden konden schrijven, zouden ze het wellicht hebben over haver, horzels of veulens. Opstandige veulens – indien het een Bildungsroman moet zijn. Masochistische paarden zouden nostalgisch doen over leren laarzen met tandradsporen, sadistische zouden botten laten kraken onder hoefijzers tijdens een betoging in Santiago de Chile. De ruin schrijft elegisch over het verloren paradijs, dekhengsten zetten een Gangreen-cyclus op met hitsige Appaloosa’s. Lipizzaners verkiezen mainstream-proza vol orde en traditie, het polo-ros pleegt zinnelijke poëzie over de dijen van Camilla. In historische romans worden schimmels gepromoveerd tot consul van Rome, Conquista-paarden als goden aanbeden door de gevederde mens van Yucatán. Magisch-realisten halen eenhoorns van stal, minimalisten de pony, naturalisten de muilezel en Brabantse trekker. De postmodernen, ten slotte, begraven hinnikend het begrip ras en volbloed.
Boeken zijn cool, als het maar geen stamboeken zijn.
‘Kolophoon’ is Grieks voor hoogste punt, afsluiting, finishing touch – orgasme, zeg maar.
Ik weet absoluut niet waarom ik dit allemaal schrijf.
Ik doe maar.
Geeft niet, zegt de analist, we hebben nog een uur.
Theophrastus beschreef ook hoe de cynicus een pandjesbaas lijkt, gedreven door de arrogantie van wat wij nu een maffioso noemen. ‘Men ziet hem zijn ronde doen langs de kroegbazen, de verkopers van vis en gepekelde waar om zijn rente te innen.’
Voor niets gaat de zon op, in het Land van Kuoon.
Dit doet me denken aan een vertelling die ik in 1997 schreef voor mijn bundel Aimez-vous les moules? Het boek was, onder meer, een impliciet pleidooi voor het ultrakorte verhaal. Zo besloeg het eerste nog geen veertien regels. Uiteindelijk heb ik de vertelling in kwestie niet opgenomen, misschien wel omdat ik ze nog te lang vond. Ze is ook nergens anders gepubliceerd. Ik druk ze hier nu maar even af. Dat heet recycling, een hedendaags, door groene partijen ten zeerste gepromoot procédé. Groenen zijn het tegendeel van cynici. Zij geloven in de betere wereld, de maakbaarheid van de samenleving, de opvoeding van de mens. Het verhaal heet ‘The night Chicago died’.
THE NIGHT CHICAGO DIED
Guiseppe ‘Longshot’ Saronelli was een geslaagd maffioso. Zoals een bokser de punchbal in een hooghartig perpetuum mobile tegen zijn vuisten laat stuiteren, die nauwelijks bewegen, zo had hij mensen gemanipuleerd, zijn leven lang. Guiseppe was een overtuigd ergonoom – een minimum aan handeling voor het grootste effect. De hele stad op stelten, maar zijn krijtstreeppak ongekreukt.
Bijvoorbeeld bij het uitschakelen van concurrentie. Een voortreffelijk maal gebruiken bij Vincente, terwijl aan de andere kant van de stad het schot klinkt. Guiseppe ‘Longshot’ Saronelli. Hoeveel waren er gestorven na een telefoontje van hem?
En nu was hij zestig.
Zijn arts was net vertrokken.
Kanker dus.
Guiseppe schonk zich een whisky in en dacht na, lang.
De avond drong de lounge binnen en het gloeiende puntje van zijn havanna werd een eenzaam dwaallicht, heen en weer pendelend tussen zijn mond en de leuning van de stoel.
Toen greep hij de telefoon. Vincente nam op. Een contract? Zeker, Guiseppe. Toe te wijzen aan wie? – De hoogstbiedende. – Bedrag? – Te bepalen door contractant. – Bijzondere voorwaarden? – Uit te voeren binnen zeven dagen. – Locatie? – De straat of een openbare gelegenheid. In ieder geval niet dichter dan drie kilometer bij de residentie van het doelwit. – Doelwit? – Guiseppe Saronelli.
Zo, daar zijn we van af.
Over Aimez-vous les moules? schreef Onno Blom dat het boek de lezer binnenleidde in ‘Van Heulendonks sadistisch universum’. Jeroen Overstijns besprak het onder de kop ‘Halfgare mosselen’. Toen de bundel gepresenteerd werd, feliciteerde iemand me op de receptie met de titel. ‘Prachtig,’ zei hij, ‘en prikkelend. Houdt u van muilezels… je moet er maar op komen.’
Orwell heeft haarfijn beschreven hoe een wereld eruitziet waarin varkens het voor het zeggen hebben. Paarden worden er blinde handlangers in de zwijnenboel die revolutie heet, merries vluchten weg omdat ze geen suikerklontjes meer krijgen. Ezels blijven aan de kant staan, apathisch, verveeld, wachtend tot de storm over is, want dit weten ezels en muildieren: ooit houdt het getier op, valt de zweep stil.
Overigens vind ik belastingontvanger het mooiste beroep ter wereld. Na missionaris en Sioux-opperhoofd was het ooit mijn grootste ambitie. Zonder belastingontvangers geen belastingen, zonder belastingen geen beschaving. Geen onderwijs, geen gezondheidszorg, geen sloten, geen dijken. Geen zout bij sneeuwval, geen barbecue op 11 juli. Geen rechtvaardige wereld met rechtvaardige rechters, geen nationale omroep met beursberichten en nieuws voor de duivenmelkers. Arras: wachten, Dourdan: gelost.
Het getuigt van een pervers cynisme om de belastingontvanger de cynicus par excellence te noemen.
Foei, Theophrastus.
De belastingontvanger is Prometheus, hij staat aan onze kant.
Leve de belastingontvanger.
Mijn moeder zaliger volgde de receptie van mijn literaire werk op de voet. Op een dag, nog in het begin van mijn carrière, trof ik haar aan boven Het Nieuwsblad, viltstift in de hand. Ze las een interview met mij, waarin ik het had over determinisme, het fatum, over mijn overtuiging dat men maar kan zijn wie men is en dat niemand er bijvoorbeeld voor kiest om als Hitler op de wereld te komen. In mijn betoog had ik die naam nog een paar keer laten vallen, en telkens trok mijn moeder met een droge plop het dopje van haar stift en streepte hem door. Toen ik haar vroeg waarom ze dat deed, zei ze: ‘Die kerel heeft ons genoeg miserie bezorgd.’ Ik zweeg, keek toe tot de laatste ‘Hitler’, zoals naakte tepels op vroegere bioscoopaffiches, onder een zwart balkje was verdwenen. Stilte. Ik opende mijn mond, wilde uitleggen dat ik geen apologie van de Führer had bedoeld, maar wel patati, patata. Maar de woorden kwamen niet, verpletterd als ik opeens was door het besef dat mijn moeder wellicht gelijk had. Soms moet je dingen doorstrepen puur uit hygiënische overwegingen. Wat men niet kan zien, daar moet men niet naar kijken. Een tepel is in wezen een lelijk ding, filosofie geen voetveeg van de nuance. ‘It’s not just a question of clarity,’ zei Karl Popper, ‘it’s a question of professional ethics.’
Ooit heb ik een minipolemiekje gevoerd met Leonard Nolens, die zei dat de Twin-Towerpiloten weliswaar afschuwelijke dingen hadden gedaan, maar toch hadden gehandeld uit ‘mateloze liefde voor hun volk en godsdienst’. Ik vond dat een woord als ‘liefde’ in dit discours als een tang op een varken sloeg, en dat hier verder niet te veel moest worden gekletst. God moest gewoon zijn stift openschroeven en dit soort fanatici, mateloos in liefde of niet, wegstrepen uit zijn schepping.
Mijn moeder kende het woord cynisme niet, evenmin als ‘ethiek’.
Mijn vrouw zegt dat ik het karakter van mijn moeder heb.
Ik heb nog een ultrakort verhaal gevonden. Ook bestemd voor Aimez-vous les moules?, maar gesneuveld in de laatste rechte lijn naar de productiefase. Omdat er al een kindervertelling in de bundel zat. Ook nooit gepubliceerd. Het heet ‘Smells like teen spirit’.
SMELLS LIKE TEEN SPIRIT
Koentje kwam thuis, ging naar zijn kamer en knipte zijn goudvis middendoor. Het duurde even voor hij de grote schaar vond en nog langer voor hij het beestje te pakken had. Maar dan: knars.
Later zat iedereen aan tafel.
‘Leuke dag gehad?’ vroeg mama.
‘Ja,’ zei Koen.
‘Wiskunde meegevallen?’
‘Een acht.’
‘Een acht! Wat zeg je daarvan, papa?’
In zijn bed bad Koen tot God, zoals het hem geleerd was. Bidden was spreken tot de Heer.
God vroeg hoe het ging op school en Koentje antwoordde: ‘Ze hebben me weer gepest, Smeerlap.’
Ik moet natuurlijk ook iets zeggen over honden. In een cynisch universum hoort, naast gravitatie, elektromagnetische kracht en de twee kernkrachten, ook de hondse kracht in werking te zijn. Er zijn voldoende rimpels in de tijdruimte die dit doen vermoeden. Voldoende bescheten papieren. De kosmos als kennel, God als alfamannetje.
Er kan uit mijn boeken een compleet bestiarium worden samengesteld: paarden, varkens, raven, katten, stieren, goudvissen, lemmingen, meeuwen, grutto’s – zelfs de entelodont en diplodocus treden aan. Men kan gerust gewagen van een zekere preoccupatie met dieren. Een niet onbelangrijke vaststelling, want hetzelfde geldt voor de cynici uit de klassieke oudheid. Bekend zijn Diogenes’ onanerende haan, hysterische muis, haring aan een touwtje, zijn gekroonde paard (haalde Caligula hier de mosterd?), apathische duizendpoot, gemolken bok en nog veel meer. Met als pièce de résistance: de hond, koning der cynische dieren, etymologische vader van ons onderwerp.
Honden bij Van Heulendonk. Zo voor de vuist weg zie ik een teckel, in mijn laatste boek aan stukken gescheurd door twee Duitse herders op de oprit van zijn baasje, die hem vervolgens de genadeslag geeft met een bijl. En, kijk, nog een Duitse herder, in mijn tweede roman, Logboek van een narrenschip: hij heet Albard en vliegt een kind naar de keel. De Duitse herder maakt zich niet bepaald sympathiek in mijn oeuvre. Cynisch is hij echter niet: zijn recalcitrantie dient een idee. Niet voor onmiddellijke bevrediging van zijn behoeften contesteert hij de domesticatie, maar uit trouw aan zijn bloed, de wolvennatuur. Hij is realist, geen nominalist. Leeft volgens hogere waarden, een ordenende metafysica. ‘Albart’ lijkt trouwens op ‘Abélard’, merk ik nu. En Johann Gottfried was natuurlijk ook een Duitse Herder. In mijn vierde boek tref ik dan weer Krol, rasloos, platonisch, bron van troost voor zijn baas, die dankzij hem ten slotte de uitweg uit de hel van de psoriasis vindt, met name via de liefde voor een koe. Nog zo’n wegbereider dient zich aan in de mosselbundel, zij het in een iets afwijkende vorm. Als verzopen kreng, canis mortuus, zwalpt hij mee met autowrakken en boomstronken in een op hol geslagen rivier en vindt juist daarin de vervulling van zijn existentie, omdat hij, zelf op weg naar de deconstructie, de weg baant voor een gedicht dat in zijn kielzog naar zijn eindbestemming drijft: incorporatie, sublimatie en vereeuwiging op het doek van een landschapschilder.
Cynisch? Sadistisch? Halfgaar?
Nee, meneer, pure romantiek.
Te menselijk, al te menselijk.
De conclusie wordt stilaan duidelijk.
Wij poneren: dat alleen al de act van het schrijven het cynisme ontkent. En cynisch schrijven is nog altijd schrijven. ‘An sich’. Dat had de geniale nar uit Sinope alvast mis: een geplukte haan mag dan misschien een ongevederde tweevoeter zijn, z’n knieën zitten wel aan de verkeerde kant.
Vandaar: liever het woord dan de daad. Liever het concept dan concretisme. Liever Plato dan pladijzen. Liever halfgare mossels dan de rauwe inktvis die Diogenes, naïeve denunciator van vuur en beschaving, uiteindelijk de dood door voedselvergiftiging kostte.
Oef, ik ben niet cynisch.
Mijn vrouw is tevreden.
Tout est pour le mieux dans le meilleur des mondes possibles .
Guido VAN HEULENDONK (°1951) debuteerde in 1985 met de roman Hoogtevrees. Nadien volgden talrijke publicaties.