Koud vuur
Nieuwe literatuur uit IJsland

nr.113 - juni 2005

VOORAF

IJsland prikkelt de laatste tijd meer dan ooit onze verbeelding. Het merkwaardige landschap waarin de elementen tegelijk warm en koud blazen, zijn eigenzinnige bewoners die als meesterschakers en gulzige promille-adepten door het leven banjeren en het onwaarschijnlijk hoge leesdebiet per inwoner: aan curieuze clichés over IJsland geen gebrek.

Op cultureel gebied staat IJsland overal ter wereld volop in the picture. Naast wonderlijke popmuziek (Björk is natuurlijk uitgegroeid tot een icoon, maar ook Gus Gus, Sigur Rós en Múm trekken momenteel over de hele wereld volle zalen) en heerlijk bizarre films (zoals Reykjavík 101 en Havið van Baltasar Kormakur en Nói Albinói van Dagur Kári) gooit ook de literatuur hoge ogen. In het Nederlandse taalgebied duiken in de fondslijsten de laatste jaren steeds vaker IJslandse titels op, zoals Ólafur Jóhann Ólafssons De nacht in en Kristín Marja Baldursdóttirs De lach van de meeuw. De twee recentelijk gepubliceerde thrillers van Arnaldur Indriðason kregen zelfs uitmuntende kritieken.

De hoogste tijd dus voor Deus ex Machina om - letterlijk - poolshoogte te nemen en een royale selectie te maken van bekende, minder bekende en nog volkomen onbekende IJslandse auteurs. Van dezelfde generatie als Ólafur Jóhann Ólafssons en Kristín Marja Baldursdóttir hebben we vier auteurs geselecteerd, alle stevig geworteld in het IJslandse literaire landschap. Van Einar Kárason verschenen al eerder twee romans in Nederlandse vertaling, Het Duivelseiland (1996) en Goud-eiland (1998). Van Sjón, wereldbekend als dichter en als tekstschrijver van Björk, hebben we een kort verhaal gekozen. Bragi Ólafsson en Sigurður Pálsson zijn al jarenlang twee vaste waarden in de IJslandse poëzie, maar werden nooit eerder in het Nederlands vertaald.

En natuurlijk hebben we aandacht voor de nieuwste generatie IJslandse auteurs. Ook hier werden vier namen geselecteerd die eveneens hun Nederlandstalige debuut beleven. Andri Snær Magnason, prozaïst en dichter, en Mikael Torfason, schrijver en regisseur, zijn twee jonge dertigers die, mede dankzij hun productiviteit en inventiviteit, in de belangstelling van heel lezend Scandinavië kwamen, en ondertussen ook al daarbuiten lovende kritieken gekregen hebben. Tenslotte is er het werk van Gerður Kristný en Sigurbjörg Þrastardóttir, twee jonge dichteressen, die veel weerklank vinden in het buitenland. Kristjón Kormákur Guðjónsson, de zoon van de bekende dichteres Elísabet Kristín Jökulsdóttir die binnenkort in IJsland zijn tweede roman publiceert, is bijvoorbeeld nog nooit eerder in een andere taal vertaald.

Ook onze eigen literatuur wordt in dit nummer volop verkend. Frank Hellemans laat zijn licht schijnen over reality-proza en genealogisch schrijven in Vlaanderen. Voorts viel onze keuze op een intrigerend verhaal van Mischa Andriessen en een flinke lading poëzie van Lief Vleugels (die debuteert als dichteres), Maarten Crappé, Staf De Wilde, Hilde Pinnoo, Koen Sneyers en de Nederlanders Roelof J. Broekman, Wim van Calcar en Lucas Laherto Hirsch. Af en toe met een speelse zomerse toets, maar niet zonder momenten van ontnuchterende verkoeling.

De redactie

terug