Liever dan de dagen zijn mij
de woorden die niet meer kunnen
spreken, de verzopen lemmingen
van de taal. Ze liggen in de kamer
als onachtzaam gevallen kleren
– een vormloze vorm, nog even
warm van een inhoud
die rillend is vertrokken. Morgen
zullen ze verkreukeld zijn en lichtjes
klam, alleen nog goed om in een zak
gestoken en vergeten te worden. Daar
zal ik ze zoeken, met dichte ogen
langs hun naden strijken en hun doffe
geur betrappen, iets van rook en zeep
en wakke lijven. Bijna hoorbaar
het oude knarsetanden van de tijd
toen ze nog konden bedekken
of verwarmen, toen ze alles wilden
geven voor een oor dat kon proeven,
de verbazing van een vingertop.
Dorst
Ik heb gewacht. Te lang, langer
dan winters, op deze dag die alles
is maar niet meer, nog niet overgaat.
Hij is alleen de laatste. De laatste
dag van de gesloten deuren, van hout
dat nat is, niet wil branden. Vuur heb ik
door de kamer gegooid, de rode
druppels van wat wij niet kunnen
zeggen. Tegen je schenen, je tenen
van ijs. Maar je hebt niet
bewogen, je hield mijn dorst
in je hand en gaf hem het witte
blikkeren van tanden, verkilde
mijn dagen tot ijsklompen op mijn dorre
tong. Nooit werden ze water, tot nu,
tot deze laatste dag. Nu zal ik
drinken, de zure regen die jij was.
Grens
Niemand heeft de grens
gezien, verborgen tussen gras
en dovenetels, het land
dat stottert, nooit de zee
zal voelen. Er is alleen
de zandweg die grijnzend
langs mijn schaamte strijkt,
bij elke ademstoot een stoffig
spoor verhuist, van hier
naar ver en altijd terug.
Hilde Pinnoo (°1962) studeerde theologie en toegepaste economie aan de K.U. Leuven en hield er een voorliefde voor spanningsvelden aan over: tussen wachten en weggaan, tussen liefhebben en verliezen, tussen zwijgen en schrijven.