Frank Hellemans
Van kleine tot grote geschiedenis
30 jaar autobiografisch schrijven in Vlaanderen (1975 - 205)
*
'Ga niet voor jezelf staan als je schrijft'
(Leo Geerts, in: Alstein, De vermiste wereld, blz.19)
*
Een tijdje terug stond er nog eens goed nieuws in mijn krant. Een berichtje signaleerde op de cultuurbladzijden de nieuwste, hoopgevende trend in Amerika: 'Reality-tv zo goed als dood'. Het ging erom dat een nieuw reality-programma, genaamd Who's your daddy?, op Fox TV vroegtijdig werd afgevoerd. Een jonge geadopteerde vrouw moest in het gebuisde programma proberen uit te vissen wie van de acht mannen haar echte vader was. Tot zover het goede nieuws, want in de fameuze boekenbijlage van dezelfde krant (De Standaard van 20 januari 2005) was het weer prijs. Dat blote achterste van een pin-up aan het strand (in putje winter) tot daar aan toe. Dat heeft wel iets, zeker commercieel bekeken. Maar in de bijlage zelf werd het pas echt tenenkrommend. De bekendste literaire exhibitioniste van Vlaanderen moest weer zo nodig vertellen dat ze met haar vriendje en de tandem tijdens de kerst op reis was geweest naar een ver exotisch land ergens in 'het wilde Oosten'. Twintig dollar voor een bezoekje aan Angkor, kun je nagaan. En nee, van de tsunami geen spoor in de guesthouses die ze met haar vriendje in Cambodja enzovoorts en zo verder. Kortom, reality-tv mag dan in Amerika over haar hoogtepunt zijn, de vloedgolf aan reality-proza scheert in Vlaanderens zogenaamde kwaliteitsmedia nog altijd hoge toppen.
Ten huize BV
Maar genoeg reclame voor de krant in kwestie. Laat ik overgaan tot de kern van mijn betoog en die is vrij simpel. Terwijl de reality-tv, genre Big Brother of Who's your daddy, haar beste tijd heeft gehad, blijft een groot deel van schrijvend (en uitgevend) Vlaanderen nog altijd in de ban van het reality-proza: vertel in de eerste persoon wat voor strapatsen je allemaal hebt meegemaakt in het echte leven, en klaar is een nieuwe bestseller. Het wordt met andere woorden hoog tijd dat schrijvers zich weer bezinnen op het eigen literaire ambacht in plaats van tv-formats achterna te hollen en te speculeren op een lezer-voyeur die graag weet hoe het eraan toegaat ten huize BV. Want laten we wel wezen: met autobiografische literatuur is niets mis. Sterker nog: elk schrijven is eigenlijk autobiografisch. Anders krijg je ghostwriting, hol proza zonder ziel of lijf. Wapperende kleren zonder body. En van zulke heilloze schoonschrijverij hebben we al meer dan genoeg. Hoe, zult u zeggen, kan authentiek autobiografisch schrijven er dan wel uitzien? Ik ga het huidige virus van het om zich heen grijpende reality-proza contrasteren met hetgeen echte autobiografische schrijvers ervan bakken. Laat ik daarom eerst eventjes de opkomst van het autobiografische proza in Vlaanderen situeren.
Genealogisch schrijven
We schrijven jaren zeventig. Het experimentele proza heeft zijn beste tijd gehad. Door de oliecrisis wordt het menens. Erst das Fressen und dann die Kunst. Gedaan met formele spelletjes: back to basics. Terug naar Kunta Kinte, het legendarische tv-personage uit de legendarische Amerikaanse tv-soap Roots. Auteurs lieten de avant-garde of de nouveau roman voor wat ze waren en plooiden zich terug op het verkennen van hun eigen roots, hun eigen stamboom, de eigen familie. Walter van den Broeck (Aantekeningen van een stambewaarder – 1977 en Brief aan Boudewijn – 1980) is het bekendste voorbeeld van dit zogenaamde genealogische schrijven dat culmineerde in Het verdriet van België (1983) van Hugo Claus. Je kunt discussiëren over de literaire kwaliteiten van het genealogische werk van Van den Broeck of van Claus. Maar, ook al wordt de verteller hier en daar te wijdlopig, zijn vertelprocédé werkt wel aanstekelijk. Hoe werkt die genealogische aanpak? Laat een min of meer jeugdig hoofdpersonage onderduiken in het familiearchief en via de petite histoire van zijn nonkels en tantes de lezer een glimp opvangen van de grande histoire van de maatschappelijke geschiedenis, die als een soort atmosfeer het familieleven omhult en voedt. De grote verbanden van de echte geschiedenis zijn de zuurstof van de alledaagse familiale verwikkelingen op kleine schaal. Wie als auteur in zijn autobiografische boeken de lezer geen zicht geeft op die grote werkelijkheid, die verzandt volgens mij in de slappe anekdotiek die zo typisch is voor het hersenloze reality-proza van vandaag.
In de details van het kleine, alledaagse verhaal weerspiegelt zich de gang van de grote geschiedenis. Wie Van den Broeck en Claus leest, krijgt ondertussen ook een interessant beeld van een bepaald hoofdstuk uit de Vlaamse geschiedenis. In de jaren tachtig gingen heel wat Vlaamse auteurs die piste volgen. Leo Pleysier, Eric De Kuyper en ook Alstein met zijn roman Het uitzicht op de wereld (1984 en nu opnieuw uitgebracht) zijn volgens mij de meest geslaagde voorbeelden van autobiografisch proza uit die periode. Door minutieus te beschrijven hoe het eraan toegaat in kleine familiale kring laten deze auteurs de grote maatschappelijke kringen eromheen meedeinen. Ook Pierre Platteau en wijlen Leo Geerts schrijven in die dagen verdienstelijk autobiografisch proza met een sociaal perspectief. Een held die armoe zaait (1988) van Geerts is zeker geen meesterwerkje maar zijn verhaal over Grote en vooral Kleine Primus – alias Geerts zelf – bevat hier en daar charmante passages in een aparte stijl.
Glokale literatuur
Wanneer in 1989 de Koude Oorlog voorbij is en de wereld ons dorp wordt, krijgt dit genealogische schrijven een nieuwe dimensie in het zogenaamde 'glokale' schrijven. Toegegeven, 'glokaal' is het misschien het lelijkste neologisme van de laatste tijden, maar het zegt wel goed wat er sinds kort aan de hand is in onze wereld. Door de globale schaalvergroting gaan we bij wijze van compensatie opnieuw steun zoeken in onze eigen, lokale leefwereld. Wie globaal mee wil doen, kan maar het best een lokale verankering hebben. Het is opvallend dat de Vlaamse genealogische familieschrijvers uit de jaren zeventig en tachtig nog een tandje bijsteken en met name hun verkenning van het plaatselijke familieweefsel met literaire middelen verder gaan verfijnen. Erwin Mortier en Erik Vlaminck zijn de beste exponenten van deze glokale literatuur.
Zij diepen beiden de stof van hun verhalen op uit de eigen familie maar gebruiken geraffineerde spitstechnologie voor de verwerking ervan. Mortier is de estheet. In zijn familietrilogie Marcel (1999), Mijn tweede huid (2000) en Sluitertijd (2002) probeert hij al schrijvend tot in de poriën van de werkelijkheid door te dringen. Hij hanteert een tactiele stijl, zoals die in het sensitivistische proza van de Tachtigers hoogtij vierde. Bepaalde maniërismen moet je er dan maar bij nemen. Vlaminck is meer realist dan estheet. Hij is een verbale 'portrettentrekker', zoals het vierde deel van zijn zevendelige familiecyclus heet. Hij maakt kiekjes in woorden van zijn familieleden van vaders- en moederskant. Daardoor worden zijn romans fotoalbums die zo eerlijk mogelijk de familieleden in hun respectievelijke levens willen tonen. Je ziet de haast onzichtbare hand van de fotograaf-schrijver in de manier waarop de literaire foto's worden gemonteerd. Al bij al is de herkenningsfactor in het werk van Vlaminck heel wat groter dan bij Mortier, omdat Mortier zich via zijn hoofdpersonage en alter ego meer verdiept in de eigen zinnelijke bewustwording, terwijl Vlaminck eerder sociologisch geïnteresseerd is in zijn familie.
Reality-proza
Met de intrede van de Vlaamse commerciële televisie aan het einde van de jaren tachtig mag elke dorpsidioot, bij wijze van spreken, zijn verhaal komen doen. Mensen houden immers van freaks en reclamemakers van hoge kijkcijfers, want hoge kijkcijfers zijn gegarandeerd zolang er weer een nieuwe boer Charel kan worden gevonden. Een win-winsituatie dus voor de commerciële media, en de reality-soap was geboren. De genealogische en glokale auteur stond erbij en keek ernaar. Hoe moest hij reageren op een medium dat min of meer deed wat hij met literaire middelen trachtte te realiseren: namelijk het leven van de Vlaamse volksmens tonen, zoals het was en is? De schrijvers uit één stuk haalden de schouders op en rolden verder aan hun steen. Misschien deden ze een enkele keer ook inspiratie op door te kijken naar reality-soaps van niveau, zoals het onovertroffen Heimat, want niemand leeft immers op een eiland, ook de meest eigenzinnige auteur niet. Ze schaafden geduldig verder aan hun magnum opus in feuilletonvorm, zoals Mortier en Vlaminck. Ze beseften immers dat zij met hun literair materiaal iets heel anders deden dan de tv-makers. Mortier en Vlaminck geven al schrijvend inzicht in een bepaald tijdsgewricht, terwijl tv-soaps in de regel alleen maar inkijkjes in andere levens presenteren.
De ongeduldige gelegenheidsauteurs die graag op korte termijn scoren, benijdden echter hun tv-collega's en gingen bewust of onbewust leentjebuur spelen bij de reality-tv. Trouwens, wie proza schrijft met de eisen van de reality-soap in zijn achterhoofd, wordt zoveel meer bekeken en gelezen. Zeker in een kleine literaire markt als Vlaanderen is die economische logica niet onbelangrijk. Waarom zouden er vandaag anders zoveel thrillerauteurs opstaan? De auteurs van hapklaar realtity-proza gingen hun lezers dus eveneens vergasten op sterke verhalen die ze zelf hadden meegemaakt, zoals ze achteraf op tv maar al te graag kwamen verzekeren. Het literaire gehalte van hun ontboezemingen of bekentenissen in boekvorm was ver te zoeken. Maar ook hier speelde dus het beruchte boer Charel-effect: de voyeur in ons kreeg een inkijk in de spinnige slaapkamergeheimen van auteurs die zonet nog moeder waren en dan al weduwe tot ze zelfs met een vriend op een tandem in populaire tv-bladen gingen poseren bij wijze van primeur. Over uit de kleren gaan, zullen we het maar niet hebben. Alhoewel een dergelijke striptease op een tandem du jamais vu zou zijn. Het hoeven niet altijd vrouwenbillen op het strand te zijn. Het berijden van een fiets, en zeker een tandem, is immers zoveel suggestiever, zoals psychoanalytici u zullen verzekeren.
Een/de geschiedenis
Tegenover de terreur van het tv-scherm dat de voyeur op zijn wenken bedient, opereert de authentieke schrijver, zoals gezegd, met heel andere wapens. Hij laat zich niet meeslepen door de aandachtseconomie van tv- of computerschermen die eist dat je iets in scène zet wat zoveel mogelijk opvalt. Wie begaan is met literatuur, is begaan met de wereld, niet met de vergankelijke grandeur van zijn eigen persoontje en diens narcistische wensdromen. Hij wil via het geschreven woord een wereld zichtbaar maken die door de massamedia al te vaak over het hoofd wordt gezien. Dat is de kracht maar ook de onmacht van literatuur. Wie geduldig en op de juiste manier de petite histoire van zijn literair onderwerp binnenschuift in de grande histoire van de maatschappelijke werkelijkheid, voegt kennis van en inzicht in die werkelijkheid toe aan ons begrip van de dingen. Hij schrijft letterlijk geschiedenis. En ook die link tussen de literaire, kleinschalige geschiedenis en de echte, grote geschiedenis is niet toevallig. Want de romaneske geschiedenissen in het klassieke Griekenland zijn geboren uit de documentaire geschiedenis die historiografen als Herodotus oorspronkelijk schreven over vreemde culturen, zoals de Perzische in zijn geval. Om maar te zeggen dat een literaire geschiedenis, een verhaal, pas af is wanneer het boven zichzelf uitstijgt tot dé geschiedenis.
In de marge van hetgeen Mortier en Vlaminck met hun authentieke, autobiografisch geïnspireerde familiegeschiedenis presteren, werken andere Vlaamse auteurs aan hun onnadrukkelijke familieportretten. Joris Note bracht met Timmerwerk (2002) een veelzeggende hommage aan zijn vader én aan een bepaald soort Vlaamse katholieke ontvoogdingsstrijd. Hij liet de talloze documenten en brochures waarmee zijn vader zich ooit omringde voor zichzelf spreken. De haast anonieme puzzel van tekstfragmenten geeft een treffend beeld van een Vlaanderen dat verdwenen is. Note speelt het hard want zijn schrijverspersoonlijkheid verstopt zich quasi totaal achter de lappendeken van documenten. Alleen op het einde klinkt de stem van de zoon. Ook Paul Claes zette zijn privé-persoontje tussen haakjes toen hij nota bene zijn eigen autobiografie versnipperde in Het hart van de schorpioen (2002). Hij spreekt over zichzelf als over een ander. Wat kun je verwachten van een auteur die al in zijn tienerjaren dweepte met het werk van de grote Arthur Rimbaud, die zelf schreef onder de leuze: 'Je est un autre'. Zo ver en vooral zo paradoxaal dient de autobiografische auteur echter niet te gaan, maar het motto dat Claes uit Plato's Alcibiades citeert is de beste weerlegging van elke vorm van reality-proza waarin de auteur zonder omwegen zijn eigen ziel wil uitstorten en liefst zo open en bloot mogelijk: 'Wie zichzelf wil kennen / moet kijken in de spiegel / van een andere ziel.'
Kijk goed
Alstein hoort ook thuis in dit gezelschap van auteurs die lak hebben aan onmiddellijk succes of instantbekendheid op tv of andere podia. In zijn nieuwste verzameling uitgespaarde gedachten gaat het hoofdpersonage op zoek naar De vermiste wereld (2005), zoals het in de titel heet. Die wereld wordt alleen zichtbaar wanneer het hoofdpersonage zich als het ware bukt of stilhoudt of simpelweg een beetje voortstrompelt in de wijde natuur. Dan is er plots de genade van een paard dat opdoemt uit de mist en de auteur confronteert met de unheimliche kern van het bestaan, met de huiver voor het mysterie dat dingen en mensen zomaar bestaan terwijl niemand echt weet waarom. Maar wat ik hier zeg, klinkt allemaal zoveel holler dan wanneer Alstein zelf die momenten van epifanie, van momentane vervulling beschrijft. Ik ga niet voorlezen hoe Alstein via zijn notities in het klein die wereld in het groot oproept maar ik kan het toch niet laten om uit zijn brevier iets te citeren. Vooral omdat ik daarmee ook recht doe aan de auteur die mij vandaag hiernaartoe bracht. Ik heb het al gehad over zijn roman Een held die armoe zaait, maar eigenlijk was Leo Geerts onovertroffen als criticus. Alleen Joris Note is misschien met hem te vergelijken. Ook voor mij als beginnend criticus bij Knack nu bijna twintig jaar geleden was Geerts een lichtbaken. Ik was dan ook bijzonder getroffen door de manier waarop Alstein in enkele korte zinnen de poëtica van Geerts in De vermiste wereld ter sprake brengt: een poëtica die heel precies de vinger legt op wat volgens mij het geheim is van authentiek autobiografisch proza. Samengevat komt het hierop neer dat je als schrijver niet met jezelf bezig moet zijn maar met datgene wat in en vooral om en rond jezelf te zien is. Richt je blik niet op de eigen navel, kortom, maar op de ander en het andere. Of, zoals Alstein Geerts' wijze lessen aan beginnende schrijvers in De vermiste wereld citeert: 'Maak geen show van jezelf. Wees zo helder mogelijk. Speel geen spelletjes in je boeken. (…) Word geen poseur. (…) Je bent in Vlaanderen geboren, niemand verplaatst zijn wieg. Roei rustig tegen de stroom in. (…) Gebruik nooit iemand. Schuw de marge niet. Vlei nooit iemand en wees op je hoede als je wordt gevleid. Interesseer je voor de mensen. (…) Ga niet voor jezelf staan als je schrijft. (…) Kijk goed.'
*
Tekst van de tweede Leo Geerts-lezing, die plaatsvond te Antwerpen op 27 januari 2005
Frank Hellemans (°1957) doceert mediageschiedenis aan de Katholieke Hogeschool Mechelen en is medewerker van Knack Magazine en Ons Erfdeel.