Ivo Holmqvist
IJsland van binnen en van buiten uit,
een overzicht van het hedendaagse IJslandse proza
Inleidend essay (vertaling: Erik Verhaar)
IJsland is een land van paradoxen. Het ligt ver weg, in ieder geval vanuit een continentaal perspectief bezien, maar tegelijkertijd bevindt het zich op een knooppunt tussen twee continenten en is het zowel vanuit Scandinavië als de Verenigde Staten gemakkelijk bereikbaar. Het is de jongste republiek in de regio, maar heeft een uiterst goed gedocumenteerde geschiedenis, die zo'n duizend jaar teruggaat tot het moment waarop het gesticht werd door Noorse stamhoofden. IJsland telt maar weinig inwoners maar hun levensverwachting behoort tot de hoogste ter wereld. Er zijn geen spoorwegen maar wel verrassend veel autosnelwegen (meer dan een halve auto per persoon) en net geen honderd luchthavens. Het land is minstens tweetalig (Deens is een verplicht vak op IJslandse scholen) en verwelkomt een groot aantal toeristen (waarvan het merendeel uit de Verenigde Staten komt). Net als Noorwegen blijft het land buiten de Europese Unie, maar het is wel lid van de NAVO, de EFTA, de OESO, de Noordse Ministerraad, enzovoort. IJsland is een land dat zich zeer bewust is van zijn roots, terwijl het tegelijkertijd in snel tempo geďnternationaliseerd wordt.
Juist deze laatste paradox levert ons een goede en gemakkelijke manier om IJslandse auteurs bij een buitenlands publiek te introduceren. Het is namelijk mogelijk om hen vanuit een internationaal perspectief te benaderen, om zo het typisch IJslandse te contrasteren met het universele, zoals ook in het volgende citaat lijkt te gebeuren:
De auteur van dit boek, die zijn eerste roman publiceerde toen hij negentien was en een zestigtal romans schreef in de loop van zijn lange (hij stierf op 95-jarige leeftijd) en verre van provinciale leven, was al 66 jaar oud [toen hij deze roman schreef]. Geboren op het IJslandse platteland leefde hij in de Verenigde Staten in de recente jaren '20, voornamelijk in Hollywood. Hij ging om met Brecht. In de jaren '30 bracht hij enige tijd in de Sovjet-Unie door. Hij had reeds de Stalin Peace Price (1952) ontvangen, evenals de Nobelprijs voor de Literatuur (1955). Hij stond bekend om zijn epische romans over arme IJslandse boeren. Hij was een schrijver met een geweten. Hij was (decennialang) op een haast stompzinnige manier russofiel en raakte vervolgens geďnteresseerd in taoďsme. Hij las Sartres Saint Genet en hekelde publiekelijk de Amerikaanse bases in IJsland, evenals de oorlog in Vietnam.
Zo introduceerde de Amerikaanse critica Susan Sontag Halldór Laxness, slechts een paar weken voor haar dood in december 2004, in een voorwoord bij een Amerikaanse editie van zijn roman Under The Glacier, uitgegeven door Vintage in februari 2005 in een vertaling van Magnus Magnusson (de titel is misschien bedoeld als een verwijzing naar een ander meesterwerk uit de twintigste eeuw: Malcolm Lowrys Under The Vulcano, dat zich afspeelt in Mexico – Laxness' oorspronkelijke titel was Christianity at Glacier). Sontag was vol lof en bewondering voor deze roman, maar ze was van mening dat hij onmogelijk te categoriseren was. Ze probeerde uiteenlopende labels (waaronder sciencefiction, fabel, allegorie, droomroman, visionaire roman, fantastische literatuur, parodie en zelfs prikkellectuur), maar vond ze allemaal even beperkend als toepasselijk. Tot besluit (na verklaard te hebben dat het een uiterst grappige roman was) stelde ze deze IJslandse roman tegenover andere nationale literaturen:
De schaamteloze lichtheid waarmee de diepgaande kwesties in Under The Vulcano naar voren worden gebracht is ververwijderd van de plechtstatigheid waarmee ze in de Russische en Duitse literatuur worden opgevoerd. Dit is een roman van een immense charme, die tegen de parodie aan hangt. Dit is religieuze satire, vol met vermakelijke new age-abracadabra. Dit is een ideeënboek, zoals Laxness er nooit eerder een schreef.
Wat zijn dan die ideeën? Aan de hand van een citaat uit de roman (die min of meer beschouwd kan worden als een parodie op Jules Vernes' overbekende avonturenverhaal Naar het middelpunt der aarde, dat zich eveneens in IJsland afspeelt) kunnen we ons een vaag idee vormen van wat er zich allemaal afspeelt in dit boek. Voordat een Reykjavikse bisschop een jongeman als zijn afgezant op pad stuurt om over de situatie in een afgelegen landelijk dorp te rapporteren, geeft hij hem deze wijze raad:
Vergeet niet dat waarschijnlijk maar weinig mensen meer zullen vertellen dan een klein deel van de waarheid: niemand vertelt veel van de waarheid, laat staan de hele waarheid... Wanneer de mensen spreken openbaren ze zich, of ze nu liegen of de waarheid vertellen… Denk eraan, elke leugen die je verteld wordt, zelfs doelbewust, is vaak veelzeggender dan een waarheid die in alle oprechtheid wordt verteld. Verbeter hen niet en probeer ook niet hen te interpreteren.
'Wat zou dit anders kunnen zijn,' voegt Susan Sontag er retorisch aan toe, 'dan een spiritualiteits- en een literatuurtheorie?' Het zou kunnen. In ieder geval geeft dit citaat een goed idee van de complexiteit van de psychologische inzichten die in veel van Laxness' romans kunnen worden aangetroffen. Laxness was een productief schrijver, van zowel fictie als non-fictie (hij schreef 62 boeken in 68 jaar schrijverschap, hoewel dat zeker niet allemaal romans zijn en er ook een groot aantal artikelen bij zitten over sociale en politieke aangelegenheden). Tijdens zijn leven was hij een vooraanstaande persoonlijkheid in IJsland, een overweldigende en af en toe ontzagwekkende vaderfiguur.
En Laxness' invloed is nog altijd groot, hetgeen gemakkelijk aangetoond kan worden. Zo droeg een cd van de populaire rockgroep Minus, waaraan de prestigieuze prijs Islensku Tonlisterverdlaunin is toegekend, de naam van de Nobelprijslaureaat als titel – de cd zelf bevatte geen woord IJslands (een veelzeggend feit in een land dat zich geconfronteerd ziet met een snel globariseringsproces). In een nieuwe roman van Hallgrímur Helgason, getiteld Höfundur Íslands (`De auteur van IJsland'), wordt een schrijver wakker in zijn eigen roman. Deze fictieve auteur in de grijze zone tussen verbeelding en werkelijkheid vertoont duidelijke overeenkomsten met Laxness, en Helgasons verhaal draagt duidelijk de sporen van Laxness' beroemdste roman Sjálfstćtt fólk (in het Nederlands uitgegeven als Onafhankelijke mensen, De Geus 2002) en bespreekt daarnaast de politieke schermutselingen tussen linkse en rechtse groeperingen in de laatste eeuw.
Er is dus nog altijd een sterke traditionele tendens in de IJslandse literatuur. Alles wat in dit eerste decennium van de nieuwe eeuw wordt geschreven houdt verband met het werk van Laxness en zijn tijdgenoten, zijn voorgangers en zijn opvolgers, maar grijpt eveneens ver terug naar de tijden van de saga's en naar de Scandinavische mythologie. IJslanders zijn zeer geletterde mensen die de banden met het verleden kunnen waarderen, maar tegelijkertijd het vernieuwende zeker niet uit de weg gaan.
Traditionalisme, oké, maar met een noodzakelijk gevoel voor vernieuwing.
Met zijn huidige bevolking van 286.000, waarvan bijna de helft in de hoofdstad Reykjavik woont, is IJsland het dunst bevolkt van alle Scandinavische landen (die sowieso al, op de grootstedelijke gebieden na, dunbevolkt zijn). Dat relatief kleine inwonertal vormt echter geen enkele belemmering voor een gevoel van nationale trots, en zeker niet op literair vlak. De IJslanders zijn gretige lezers en literatuur, vandaag nog evenveel als vroeger, betekent enorm veel voor de IJslanders, die, zoals wel eens met enig recht beweerd wordt, in twee categorieën kunnen worden verdeeld: zij die boeken lezen en zij die ze ook schrijven. Zelfs een aantal van hun meest vooraanstaande politici zijn schrijvers: hun minister van Buitenlandse Zaken, Davíđ Oddsson, publiceerde in 2002 een bundel korte verhalen, Stoliđ frá höfundi stafrófsins ('Gestolen van de auteur van het alfabet'). Toen aan Thor Vilhjálmsson, een van de meest gelezen auteurs van de generatie na Laxness, op een Noord-Europese schrijversbijeenkomst werd gevraagd hoeveel mensen er in de hoofdstad leefden (een vraag die leek te insinueren dat er niet veel van literair belang uit zo'n kleine plaats kon voortkomen), zette hij, met een antwoord vol assertiviteit, de vragende persoon op zijn plaats en plaatste hij de vraag in perspectief: 'Ongeveer evenveel als er in Florence leefden ten tijde van Dante'.
Laxness en zijn tijdgenoten waren getuige van de snelle veranderingen in een maatschappij met een recent verleden van koloniale overheersing eerst door de Noren en daarna door de Denen die niet eerder dan 1944 tot een republiek werd uitgeroepen en waarvan de hoofdzakelijk landelijke bevolking pas na de Tweede Wereldoorlog verstedelijkte. En het land verandert nog altijd, en zelfs zeer radicaal. Zozeer zelfs dat iemand die Reykjavik tien jaar geleden bezocht vandaag de stad nog nauwelijks zou herkennen. De oude provinciale hoofdstad is verdwenen en moderniteit rukt op, de stad dijt uit en lijft de vroeger afgelegen voorsteden in. Deze tendens komt tot uiting in de huidige IJslandse literatuur.
Zoals bijvoorbeeld in de trilogieën van twee ongeveer even oude schrijvers: Einar Kárason en Einar Már Guđmundsson. Einar Kárason neemt een specifiek gebied aan de rand van Reykjavik onder de loep en concentreert zich op het precaire leven van hen die tijdelijk huisvesting vonden in de oude legerbarakken en die er niet zozeer van dromen om naar de stad te trekken, maar eerder overzee hun geluk willen beproeven en de gouden kansen van Amerika met beide handen willen grijpen. Slechts een enkeling is succesvol, getuige de grote opzichtige auto's die mee naar huis worden gebracht als bewijs van hun plotselinge, in het buitenland verworven rijkdom. Het hoofdpersonage uit Kárasons satirische roman Stormur ('Storm') uit 2003 is een dronkaard die maar wat aanmoddert als ghostwriter, zich strak houdt aan de regels voor het schrijven van populaire fictie en zo uiteindelijk een successchrijver wordt.
Einar Már Guđmundsson, die eveneens de voorkeur geeft aan romantrilogieën om zijn familiekronieken uit de doeken te doen, becommentarieert de snelle veranderingen in zijn land door te verwijzen naar de mythische strijd tussen de Goden (die in Midgĺrd verblijven) en de Reuzen (die in Udgĺrd wonen):
Aan het begin van de twintigste eeuw vertegenwoordigden de vissersdorpen de kwade reuzenwereld die het binnenland binnenviel en ervoor zorgde dat het uiteenviel. De visindustrieën spoorden jongeren aan om zich van Midgĺrd naar Udgĺrd te begeven, waar moreel verval hoogtij vierde, in tegenstelling tot het heilzame en beschaafde leven op het platteland. Na de Tweede Wereldoorlog kwam hierin verandering, toen enerzijds de stad, de hoofdstad, en anderzijds het platteland twee tegengestelde werelden vertegenwoordigden, alhoewel anders dan eerst het geval was. Onze nauwe band met het verleden hangt niet alleen samen met het feit dat wij als onafhankelijke staat zo jong zijn, maar ook met het feit dat het heden zo nieuw voor ons is.
En hij voegt een korte samenvatting van de groeistadia van deze jonge staat toe:
IJsland heeft geen geschiedenis van industrialisatie, die zich over meer dan drie eeuwen uitstrekt, en geen succesvolle hogere klassen, die eeuwenlang in welvaart en spirituele verwikkelingen hebben geleefd. Ziektes, die in andere landen in geďsoleerde hogere klassen hebben gewoed, hebben hier in IJsland meestal in verafgelegen fjorden toegeslagen. Onze geschiedenis doet denken aan die van de derde wereld, de geschiedenis van een koloniaal verleden. En bovendien, het heden overspoelt ons zo overweldigend snel en botst hevig met het verleden, maar tegelijkertijd vloeien die twee samen.
Nafnlausir vegir ('Naamloze wegen') is het laatste realistisch vertelde deel van Einar Márs trilogie (voorafgegaan door Fótspor á himnum, 'Voetsporen in de hemel', en Draumar á jörđu, 'Dromen op aarde'). Het is een aaneenschakeling van verhalen over de ooms en tantes van de verteller, voornamelijk over twee van hen, die twee totaal verschillende politieke overtuigingen belichamen. Oom Ragnar is de onbeschofte communist die meegevochten heeft in de Spaanse Burgeroorlog en zijn hele leven opgekomen is voor de rechten van de arbeiders, maar zelf altijd arm gebleven is en neigt naar alcoholisme. De andere oom, de niet al te sympathieke Ívar, is de slimme en meedogenloze 'social climber', die zich op alle mogelijke manieren snel verrijkt en zijn arme afkomst ver achter zich laat, een nouveau riche. Het is een roman waarin de auteur regelmatig van de hak op de tak springt en in een snel tempo van het ene naar het andere moment in tijd verspringt. De roman is anekdotisch, fragmentarisch en staat vol met vrije associaties. 'Ach, misschien is dit de moeite van het vertellen niet waard,' merkt de verteller op een bepaald moment op. Maar, zoals de lezer uiteindelijk te weten komt, al die schijnbaar triviale details dragen bij tot het totaalbeeld. Deze roman schetst niet alleen de contouren van de tumultueuze tijden in een groot deel van de laatste eeuw, maar kleurt ze ook in.
Wanneer Einar Már het dreigende gevaar van isolationisme op dit verre eiland overdenkt, ziet hij dit niet als een bedreiging, maar eerder als een waarde:
De eilandbewoner kijkt uit over zee en beeldt zich de avonturen aan de andere kant in.
Maar omdat wij eilandbewoners zijn, zijn wij altijd in beweging. De eilandbewoner kijkt uit over zee en beeldt zich de avonturen aan de andere kant in. Maar wanneer hij dan zo ver komt, realiseert hij zich dat die avonturen al die tijd al nabij waren. Dan keert hij terug, vergezeld van die buitenlandse invloeden. Op die manier gaan wij IJslanders altijd een dialoog aan met de wereld. We zijn wie we zijn, maar we leren ook van anderen. En misschien is de wereld niet veel groter dan wij. Ik bedoel maar, het is mogelijk dat er maar 280.000 menselijke wezens op de aarde zijn en dat die anderen enkel kopieën van ons zijn, terwijl er daar op dat rotsachtige eiland van elk origineel één rondloopt. Met andere woorden: als landen klein zijn, telt elk individu.
Niettemin verandert IJsland in ijltempo in een multiculturele samenleving. Van oudsher moesten IJslandse universiteitsstudenten hun studie in het buitenland afronden, voornamelijk in Kopenhagen, waar de grootste collectie IJslandse manuscripten werd bewaard (ondertussen zijn deze manuscripten teruggebracht). Sinds 1944 kwamen er steeds meer alternatieven, met Frankrijk en de Verenigde Staten als de aantrekkelijkste en in de jaren '60 en '70 ook andere landen zoals Nederland. Sommige invloedrijke schilders en beeldhouwers hebben hun opleiding genoten in Parijs, Den Haag, Bologna, enzovoort. Björk, de zangeres, woont afwisselend in IJsland en de Verenigde Staten – haar partner is de Amerikaanse schilder Matthew Marney – en de populariteit van folkzangeres Hera is in eigen land niet verminderd door het feit dat ze de afgelopen tien jaar in Nieuw-Zeeland heeft gewoond (het antipodische land is in veel opzichten vergelijkbaar met IJsland: beide hebben een groot aantal geisers, kokende modder en hete lentes, hoewel in Nieuw-Zeeland het landschap gevarieerder en het klimaat een stuk milder is dan in de noordpoolgebieden).
Sporen van zulke banden met de buitenwereld kunnen in recente romans worden teruggevonden. Sigurbjörg Þrastardóttirs Sólar saga ('De Saga van Sól') vertelt het verhaal van een jong IJslands meisje dat in Italië woont en door middel van flashbacks haar afschuwelijke ervaringen in haar geboorteland (waar ze is overvallen en verkracht) herbeleeft. Deze roman contrasteert het leven in koude en afschrikwekkende gebieden, inclusief de gespannen relatie met haar naaste familie, met haar huidige, gemakkelijkere en zonnigere bestaan in het Middellandse Zee-gebied. Guđmundur Steingrímsson, romanschrijver en muzikant, laat een IJslandse emigrant in Londen, waar hij als fotograaf werkt, het leven in de Engelse hoofdstad (hoewel hij zich er geen duidelijk beeld van kan vormen na een zware avond doordrinken) vergelijken met dat thuis, te dicht op de huid van zijn ouders. Steingrímsson gaf het boek de goedgekozen en zeer ironische titel Áhrif mín á mannkynssöguna ('Mijn invloed op de wereldgeschiedenis').
In Ólafur Jóhann Ólafssons Höll minninganna (een roman die onder de vereenvoudigde vorm van zijn naam, Olaf Olafsson, met de titel De nacht in is uitgegeven door Nijgh en Van Ditmar in 2004), dat gedeeltelijk op een waar gebeurd verhaal is gebaseerd, wordt Kristján, de zoon van een visser (nog altijd IJslands belangrijkste industrie), verliefd op de dochter van een rijke handelaar uit Reykjavik en trouwt in in een familie die verscheidene trappen hoger staat op de sociale ladder. Het kost hem moeite om zijn underdoggevoelens te overwinnen en hij blijft zich onbehaaglijk voelen, ook al maakt hij de firma die zijn schoonvader hem heeft nagelaten tot een commercieel succes. Hij pakt zijn koffers, verlaat zijn vrouw en kinderen en vertrekt richting Amerika. Uiteindelijk raakt hij als butler verzeild op San Simeon, het pseudo-middeleeuwse kasteel van William Randolph Hearst in Californië (bij fans van Orson Welles bekend als het kasteel uit Citizen Kane). Hij schrijft brieven vol berouw aan zijn vereenzaamde vrouw, maar verzendt ze nooit, terwijl zijn oudste zoon elke dag de kades inspecteert in de hoop dat zijn vader ooit zal terugkeren. Zoals al uit deze beknopte samenvatting blijkt, is dit een zeer sentimentele roman. Het feit dat Olaf Olafsson woont en werkt in de Verenigde Staten (zijn eerdere roman Slóđ Fiđrildanna, 'De Reis naar Huis', wordt nu verfilmd, geregisseerd door Liv Ullman) kan hem misschien hebben aangezet om zijn roman voor een massapubliek te schrijven, in plaats van voor het beperkte aantal lezers dat hij thuis zou hebben gekregen.
Vigdís Grímsdóttir situeert Hjarta, tungl og bláir fuglar ('Hart, maan en blauwe vogels'), het tweede deel van een trilogie, in exotische landschappen wanneer een jonge jongen en zijn moeder IJsland voor New Mexico verruilen. Frida Kahlos geest dwaalt door dit verhaal vol verrassende wendingen, bizarre familiekwesties en exotisch coloriet, dat onmiddellijk doet denken aan het Latijns-Amerikaanse magisch realisme. In het laatste deel van de trilogie, Ţegar stjarna hrapar ('Wanneer sterren vallen'), komen veel verhaallijnen uit het eerste (Frá ljósi til ljóss, 'Van licht tot licht') en het tweede deel bij elkaar.
In New Mexico bracht ook D.H. Lawrence de laatste jaren van zijn leven door, tot aan zijn dood in 1930. Kristmann Guđmundsson, min of meer een tijdgenoot van Laxness, werd wel eens smalend de 'noordse D. H. Lawrence' genoemd vanwege de openhartigheid in zijn literaire werk. Hij had aanzienlijk succes in de jaren '20 en '30, vooral in Noorwegen, waarnaar hij als jongeman was verhuisd. Hij werd veel vertaald en goed ontvangen, ook door de critici. Voor de oorlog repatrieerde hij en zag een scherpe daling in zijn populariteit in de loop van de volgende decennia. Dit veroorzaakte begrijpelijke bitterheid en misantropie, en ook zijn privé-leven – hij huwde negen keer – werd een bron van aanhoudende roddel. In de roman Borgir og eyđimerkur ('Steden en woestijnen') heeft Sigurjón Magnússon Guđmundsson geportretteerd op een doorslaggevend moment in zijn leven: in 1964 werd Guđmundsson aangevallen door de nog belachelijk jonge aankomende romancier Thor Vilhjálmsson, die bezwaar aantekende tegen de staatssubsidie die aan de oudere schrijver was toegekend.
Het culturele naoorlogse landschap werd minder tolerant.
Het verhaal toont aan hoe het culturele naoorlogse landschap minder tolerant werd ten aanzien van een doorgewinterde schrijver die als ouderwets werd bestempeld in het hardvochtigere klimaat tijdens de koude oorlog. Deze roman, evenals die van Hallgrímur Helgason met zijn verhulde portret van Halldór Laxness, kan worden beschouwd als een commentaar op de sociale en politieke veranderingen die IJsland recentelijk heeft doorgemaakt.
Historische fictie is een populair genre, in IJsland evenzeer als elders. Thor Vilhjálmsson gebruikt het genre in zijn roman Morgunţula í stráum ('Ochtendgedicht in het gras'), die zich afspeelt in de tijd van de Sturlunga en hem in 1998 de felbegeerde IJslandse Prijs van de Literatuur opleverde. Diezelfde prijs werd vijf jaar later toegekend aan Ólafur Gunnarsson voor zijn roman Öxin og jörđin ('De bijl en de aarde'), die zich afspeelt tegen de achtergrond van de zestiende-eeuwse Hervorming in IJsland en focust op de confrontatie tussen IJslands allerlaatste katholieke bisschop, Jón Arason in Hólar, en de lutheraanse bisschop Gizur Einarsson in Skálholt. (Deze roman is niet de eerste fictionalisering van deze turbulente periode. Zo is bijvoorbeeld ook de tetralogie van Guđmundur Kamban over de jaren '30 zeer bekend.) Volgens Gunnarsson verloren de IJslanders hun onafhankelijkheid vanwege de Hervorming.
Detectiveromans en thrillers zijn redelijk nieuwe genres in de IJslandse literatuur, maar het genre heeft de laatste jaren een enorme bloei doorgemaakt. Aan Arnaldur Indriđason werd de 'Glerlykilinn' toegekend ('De glazen sleutel', de prijs voor het beste Scandinavische misdaadboek) voor zijn verhaal Mýrin (Noorderveen; Signature, 2004). In zijn zesde roman, Roddin ('De stem'), treedt een uitgebluste politieambtenaar als hoofdpersonage op, een beproefd gegeven. Het verhaal speelt zich af in een hotel in Reykjavik, in de kersttijd. Het slachtoffer in deze roman blijkt de kerstman te zijn. Hij is de vereenzaamde kluizenaar die zich al twintig jaar in de kelders verstopt en over wie zo goed als niets bekend is. Parallel aan de uiteenzetting van dit ongelukkige bestaan loopt de strenge kritiek van de auteur op de sociale onrechtvaardigheid in het hedendaagse IJsland. Op sommige vlakken herinnert deze roman aan de tien delen tellende Det slutna rummet van het Zweedse misdaadduo Maj Sjöwall en Per Wahlöö uit de jaren '60 en '70. In Bettý ('Betty') creëert Arnaldur een IJslandse variant van het film noir-thema over een jonge advocaat die verstrikt raakt in een sensuele affaire met een jonge en elegante femme fatale, nadat hij aanvankelijk door haar rijke (en veel oudere) echtgenoot werd ingehuurd, met alle gevolgen van dien.
Ævar Örn Jósepsson heeft tot dusver twee speurdersromans geschreven. De eerste (getiteld Skítadjobb, 'Vuil werk') concentreert zich op de inspanningen van een conventioneel detectivepaar, een al wat oudere speurder en zijn jonge assistent, alhoewel hier eerstgenoemde de goedgeluimde is en zijn junior het chagrijn. Dit verhaal, waarin het tweetal volkomen in het duister tast zonder ook maar enige aanwijzing over de aard van hun opdracht, bevat een aantal interessante kafkaëske dimensies. In het vervolg, Svartir englar ('Zwarte engelen'), wordt ijverig gespeurd naar een – onder al even duistere omstandigheden –verdwenen dame. De auteur is vooral geďnteresseerd in de woekerende strijd om macht en prestige tussen een oudere mannelijke agent en zijn jongere vrouwelijke chef en levert terloops commentaar op seksuele discriminatie bij het politiekorps.
Ook kritisch ten opzichte van de eigen tijd is Stefán Máni, wiens vierde roman Ísrael: Saga af manni ('Israël: het verhaal van een man') geschreven is in een bijtende, kernachtige stijl, vergelijkbaar met die van een kort verhaal van Raymond Carver. Israël is de bijnaam van het hoofdpersonage Jacob, een rondtrekkende arbeider die zich door een reeks tweederangs banen heen worstelt, totdat hij in Reykjavik aankomt en zichzelf een leven vol middenklassepretenties aanmeet, zoals het inrichten van zijn flat met Ikea-meubels (een indicatie voor zijn afvalligheid van zijn oorspronkelijke klasse). Maar zijn strijd stopt daar niet, want hij is niet in staat zijn proletarische afkomst van zich af te schudden. Het verhaal staat vol met bijtende commentaren op de kleinburgerlijkheid die Jacob overal om zich heen observeert. Ook Steinar Bragi bekritiseert het glamourleven van de grote stad, hoewel zijn aanvallen uit een andere en minder klassenbewuste hoek komen. In zijn meest recente roman (Sólskinsfólkiđ, 'Sunshine people') richt hij de aandacht op de voortreffelijke boekwinkel Mál og Menning in het centrum van Reykjavik en op de oppervlakkige conversaties over culturele aangelegenheden van het chique groepje bijdehante jongeren, die door de auteur met giftige spot worden beschreven op een manier die doet denken aan die van Evelyn Waugh.
Stillistische experimenten bij de jongere schrijvers.
Een aantal jongere schrijvers legt zich toe op stilistische experimenten, bijvoorbeeld Elisabet Ólafsdottir. Haar eerste roman Ég vaknađi í Brussel ('Ik werd wakker in Brussel') bevat ellenlange episodes over het hoofdpersonage, een au pair-meisje dat haar verhaal vertelt op een manier die doet denken aan een internet-blog. Het semi-autobiografische Albúm ('Album') van Guđrún Eva Mínervudóttir vertelt eveneens in korte episodes het levensverhaal van een jong meisje, wat ongebruikelijk is in IJsland, waar biografieën (een van de populairste genres) meestal in een traditionele en ongecompliceerde narratieve stijl geschreven zijn. Haar roman Sagan af sjóreknu píanóunum ('Saga van de aanspoelende piano's') loopt over van het plezier en het enthousiasme waarmee de auteur drie generaties binnen dezelfde familie portretteert: de avontuurlijke grootouders, hun iets minder ondernemende kinderen en ten slotte hun kleinkinderen, die zich proberen te schikken in hun eigen tijd en in het verleden.
De schrijver die zijn werk publiceert onder het enigmatische pseudoniem Sjón (zijn eigenlijke naam luidt Sigurjón Birgir Sigurđsson) werd lange tijd beschouwd als het enfant terrible van de literaire undergroundscene, voornamelijk populair in esoterische kringen, maar zijn complexe surrealistische stijl bereikte geen groot lezerspubliek. In zijn recentste boeken is hij, stilistisch gezien, iets toegevender en meer ruimdenkend en hartelijk dan een lezer van zijn vroegere werk zou vermoeden. Međ titrandi tár ('Met trillende tranen') gaat over het leven van recente immigranten in IJsland en hun benarde toestand, terwijl zijn novelle Skugga-Baldur (die later dit jaar in Nederlandse vertaling bij De Geus zal verschijnen) doet denken aan André Gides De pastorale symfonie. In dit verhaal, dat zich afspeelt aan het einde van de negentiende eeuw, leiden de bemoeienissen van een weerzinwekkende predikant met een lid van zijn congregatie, een botanist wiens jonge protégé een meisje is dat lijdt aan het Down syndroom, uiteindelijk tot haar dood en begrafenis.
Ten slotte een schrijfster die zeker niet mag ontbreken in een opsomming als deze: Steinunn Sigurđardóttir. Bijna twintig jaar geleden brak zij door met de roman Tímaţjófurinn (in 1996 bij Meulenhoff uitgegeven als De dief van de tijd), een enorm succes zowel in IJsland als daarbuiten. Tímaţjófurinn vertelt het trieste verhaal van de universiteitsdocente Alda, die als eind dertiger een reeks avontuurtjes heeft gehad, waarvan het laatste eindigde met de zelfmoord van haar minnaar (en collega). Alda is een charmante en zelfverzekerde vrouw, die zich met gemak in het leven beweegt, vol initiatieven is, uit een welgestelde familie komt, houdt van haar baan en populair is bij haar studenten. Alles lijkt haar voor de wind te gaan totdat ze zich in een losbandige relatie stort en verliefd wordt op een nieuwe collega. De vonk slaat meteen over, geleidelijk wordt hun liefde steeds eenzijdiger: terwijl haar hartstocht steeds hoger oplaait, raakt hij steeds ongeďnteresseerder. Toch bijt ze zich in de relatie vast, getuige de wanhopige maar geleidelijk steeds berustender aantekeningen in haar agenda en in de brieven naar haar verloren geliefde. Tegen het eind is ze verlamd, zowel fysiek als mentaal. Steinunn Sigurđardóttir, een van de prominentste dichters van haar generatie, wisselt zeer doeltreffend de prozanotities van haar fictieve Alda af met lyrische erupties.
In een wat meer recente roman, het bondige Hundrađ dyr í golunni ('Honderd deuren in de wind'), vertelt ze het al even droevige verhaal van een IJslandse vrouw die naar Parijs reist waar ze verwikkeld raakt in een pijnlijke liefdesaffaire, maar waar ze ook in het reine moet zien te komen met gebeurtenissen uit het verleden toen ze, als jonge studente, eveneens in Parijs verliefd werd, toen al net zo ongelukkig. Het verhaal is kernachtig en verfijnd en doet denken aan zowel Jean Rhys als Nina Berberova.
Tot besluit: is het mogelijk om het moderne IJslandse proza met één kernachtige formule te karakteriseren? Wanneer de criticus Fredrik Rafnsson (in zijn artikel 'Le peuple narrateur: Quelques aspects du roman islandais contemporain' in een recente anthologie van IJslandse poëzie en proza, “Islande de glace et de feu”, Babel no. 18) een dergelijke formule probeert te vinden, stelt hij beduusd vast: 'Donc, essayer de dire en quelques mots ce qui se passe dans le roman islandais contemporain, c´est un peu comme décrire un éléphant en palpant une de ses pattes avec les yeux bandés'. Ik houd mij dan ook aan zijn (en Susan Sontags) advies, en zie af van labels en categoriseringen. In plaats daarvan geef ik het laatste woord aan Einar Már Guđmundsson. In zijn bespreking van de geglobaliseerde jeugd van vandaag schuilt misschien ook een rechtvaardiging van de IJslandse literatuur, zowel die van vandaag als die van de toekomst:
De jongeren van vandaag zijn veeleisend. Als een plaats niet aan hun verwachtingen voldoet, vertrekken ze gewoon. De plaats waar iemand zich bevindt wordt steeds minder belangrijk. Dit wordt weerspiegeld in het feit dat de mensen niet alleen naar dichter bevolkte gebieden verhuizen, maar ook van het ene naar het andere land. De jonge generatie van vandaag is er een van kosmopolieten. Deze situatie vraagt veel van ons. Wij moeten waken over de kwaliteiten in het moderne leven die jongeren de kans geven om bij de toekomst betrokken te zijn, maar tegelijkertijd moeten wij het lokale natuurlijke afweersysteem zodanig versterken dat diezelfde jongeren zich bewust worden van hun band met hun afkomst, en zelfs, als puntje bij paaltje komt, willen leven op de plaats waar ze vandaan komen…