Orhan Pamuk Hüzün - melancholie - tristesse
fragment vertaald door Dick Koopman en Tineke Peppinck
In het voorafgaande legt Pamuk uit dat het woord 'hüzün' weliswaar verwijst
naar de met melancholie verwante pijn en ziekte, maar dat het in de gedachtewereld
van de klassieke islam met maatschappelijke waarden werd gemeten en positief werd
gewaardeerd omdat het zou bijdragen tot onze terugkeer in de samenleving.
Mijn uitgangspunt was het gevoel dat een kind krijgt bij het kijken door een
beslagen ruit. Nu komen we bij het element dat 'hüzün' van 'melancholie'
onderscheidt. We richten ons nu niet op de melancholie van één
persoon, maar op 'hüzün', het sombere gevoel dat miljoenen mensen
gezamenlijk ervaren. Ik probeer de 'hüzün' van een hele stad, van
Istanboel, onder woorden te brengen.
Alvorens een poging te doen dit unieke gevoel dat de stad met zijn inwoners
verbindt te begrijpen, wil ik in herinnering brengen dat het werkelijke onderwerp
van een landschapsschilderij evenzeer het landschap zelf is als het gevoel dat
het oproept. Dit was een gebruikelijke opvatting in het midden van de negentiende
eeuw, in het bijzonder bij de Romantici. Wanneer Baudelaire beweert dat het
opvallendste kenmerk van Eugène Delacroix' schilderijen de melancholie
is, gebruikt hij dat woord, net als de Romantici en later de Decadenten, in
absoluut positieve zin, als lof. Théophile Gautier, zijn schrijversvriend
en criticus, die in 1846 zijn mening over Baudelaire en Delacroix had opgeschreven
en zes jaar later naar Istanboel kwam, gebruikte het woord ook in positieve
zin in zijn boek Constantinople, dat later grote invloed zou uitoefenen op Istanboelse
schrijvers als Yahya Kemal en Tanpinar en waarin hij bepaalde stadsgezichten
als uiterst melancholiek beschreef.
Maar ik wil hier niet proberen de melancholie van Istanboel te verwoorden,
maar veeleer de 'hüzün', die op dit gevoel lijkt, die men zich met
trots heeft toegeëigend en die door een hele gemeenschap wordt gedeeld.
Hiervoor moet men de plaatsen en momenten kunnen waarnemen waarop de sfeer die
dit gevoel op de stad overdraagt en het gevoel zelf in elkaar overgaan. Ik heb
het over vroeg invallende avonden, over vaders die in het schijnsel van de lantarens
in afgelegen buurtjes met een tas in hun hand naar huis terugkeren. Ik heb het
over bejaarde boekhandelaren die, na de zoveelste economische crisis, rillend
van de kou de hele dag in hun winkeltje op een klant zitten te wachten; over
barbiers die klagen dat de mensen zich na de crisis veel minder laten knippen;
over scheepslieden die met een emmer in de hand de aan lege kades aangemeerde
oude veerboten schoonboenen, met één oog op het kleine zwart-wit-tv'tje
in de verte, om even later aan boord in slaap te vallen; over kinderen die in
smalle, met veldkeien geplaveide straatjes tussen de auto's voetballen; over
vrouwen met hoofddoekjes en plastic tassen in de hand die, zonder een woord
te wisselen, bij een afgelegen bushalte staan te wachten op een bus die nooit
komt; over lege botenhuizen van oude villa's; over theehuizen barstensvol werklozen;
over onvermoeibare pooiers die op een zomeravond op het grootste plein van de
stad de trottoirs afstruinen in de hoop een dronken toerist te treffen; over
de massa's die zich op winteravonden naar de veerboten haasten; over vrouwen
die de gordijntjes even opzij schuiven om een blik op straat te werpen in afwachting
van hun man die 's avonds maar niet thuis wil komen; over oude mannetjes met
een kalotje die op de binnenplaats van een moskee religieuze pamfletten, rozenkransen
en pelgrimsolie verkopen; over portalen van tienduizenden appartementen die
allemaal op elkaar lijken; over houten gebouwen die, terwijl het om villa's
als kleine paleizen ging, tot een kantoorpand van de gemeente zijn verworden
waar elke plank bij elke stap zucht en kraakt; over gebroken wippen in lege
parken; over scheepsfluiten in de mist; over vervallen stadsmuren uit de verre
Byzantijnse tijd; over marktplaatsen die tegen de avond worden opgeruimd; over
tot ruïnes vervallen oude kloostergebouwen; over tienduizenden flats met
door vuil, roest, roet en stof kleurloos geworden façaden; over meeuwen
die roerloos in de stromende regen op met mosselen en zeewier begroeide pontons
zitten; over honderd jaar oude, monumentale gebouwen waar, op de koudste dag
van het jaar, uit slechts een van de schoorstenen een nauwelijks zichtbaar sliertje
rook opstijgt; over massa's mannen die op de Galatabrug staan te vissen; over
koude bibliotheekzalen; over straatfotografen; over de naar slechte adem riekende
etablissementen die eens gerenommeerde bioscopen met vergulde plafonds waren
en die nu zijn verworden tot pornofilmzalen waar mannen schichtig binnengaan;
over straten waar je na zonsondergang geen enkele vrouw zult aantreffen; over
de toeloop van mensen op dagen met zuidenwind, half warm, half stormachtig,
voor de poorten van door de gemeente gecontroleerde bordelen; over jonge vrouwen
die in de rij staan voor de ingang van een distributiepunt voor afgeprijsd vlees;
over het zwakke schijnsel van de lampjes die op feestdagen, opgehangen aan een
kabel tussen twee minaretten, een religieuze tekst vormen; over de aan alle
kanten gescheurde en bevuilde muuraffiches; over vermoeide Amerikaanse auto's
uit de jaren vijftig die in een westerse stad naar het museum zouden worden
overgebracht en die als dolmuº hijgend en puffend in de vuile straten en
op de steile hellingen voortzwoegen; over mensenmassa's die de autobussen tot
de laatste plaats vullen; over moskeeën waarvan de loodbedekking en de
dakgoten steeds weer gestolen worden; over begraafplaatsen die midden in de
stad een leven leiden als een tweede, aparte wereld en over de bijbehorende
cipressen; over de zwakke lampjes 's avonds in de veerboten die tussen Kadiköy
en Karaköy varen; over kleine kinderen die op straat aan iedere voorbijganger
een pakje zakdoekjes trachten te slijten; over klokkentorens waar niemand naar
omkijkt; over de Grote Osmaanse Overwinningen waarover kinderen in geschiedenisboekjes
lezen en over het pak slaag dat zij thuis krijgen; over het angstige wachten
op de komst van de 'ambtenaren' wanneer voor de zoveelste keer een uitgaansverbod
is afgekondigd onder het mom van het tellen van de kiezers, de volkstelling
of de opsporing van terroristen; over door niemand gelezen lezersbrieven in
de trant van: de koepel van de driehonderd zeventig jaar oude zus-en-zo-moskee
in onze wijk staat op instorten; waar blijft de overheid?, weggestopt in een
uithoekje van de krant; over traptreden van ondergrondse passages en voetgangersbruggen
op de drukste punten van de stad, waarvan de randen op telkens weer andere plekken
zijn afgebrokkeld; over de man die al sinds onheuglijke tijden op dezelfde plaats
ansichtkaarten van Istanboel verkoopt; over bedelaars die op de meest onmogelijke
plaatsen opeens voor je staan en bedelaars die elke dag op dezelfde plaats dezelfde
woorden prevelen; over de sterke urinelucht die opeens op een drukke straat,
op een veerboot of in een passage je neus binnendringt; over jonge meisjes die
de 'Lieve Lita-rubriek' van de krant Hürriyet zitten te lezen; over
zonsondergangen die de ruiten in Usküdar oranjerood kleuren; over de prilste
uren van de ochtend waarin, behalve de vissers die naar zee gaan, iedereen nog
ligt te slapen; over de twee geiten en de drie verveelde katten in de kooien
in dat deel van het Gülhane-Park dat je geen dierentuin zou durven noemen;
over derderangs zangeressen die in de nachtclubs Amerikaanse zangeressen en
Turkse popsterren imiteren en over eersterangs zangeressen; over scholieren
die zich zitten te vervelen tijdens eindeloze lessen Engels, waar in zes jaar
tijd niemand veel meer heeft geleerd dan yes en no zeggen; over migranten wachtend
op de kade van Galata; over de resten groente, fruit, straatvuil, papier, plastic
zakken, jutezakken, dozen en kisten, achtergebleven afval van op winteravonden
opgebroken markten; over knappe vrouwen met hoofddoeken die verlegen staan af
te dingen op de markt; over jonge moeders die zich met hun drie kinderen moeizaam
over straat voortbewegen; over het uitzicht over de Gouden Hoorn wanneer je
van de Galatabrug naar Eyüp kijkt; over simitverkopers geheel in dit uitzicht
verzonken in afwachting van een klant; over scheepssirenes die in de verte allemaal
tegelijk beginnen te loeien wanneer de hele stad, gedurende één
minuut per jaar, vol overgave onbeweeglijk in de houding staat om Atatürk
te gedenken; over eeuwenoude buurtfonteintjes, ooit een plaats waar je via een
trapje moest komen, maar nu onder het wegdek geraakt door de lagen asfalt die
steeds weer over de keien worden gelegd, en vervallen tot een hoopje marmer
waarvan de kraan is gestolen; over flatjes in achterstraatjes waar in mijn jeugd
de vrouwen en kinderen van de middenklasse, van artsen, advocaten en leraren
naar de radio zaten te luisteren en die nu volgestouwd staan met zoom- en knopenmachines
en waar jonge meisjes zich tot laat in de avond inspannen om voor het laagste
loon in de stad een bestelling op tijd af te krijgen; over hoe alles vervallen
en versleten is; over hoe de hele stad bij het naderen van de herfst op de uitkijk
staat naar de ooievaars die van de Balkan, uit Oost- en Noord-Europa over de
Bosporus en de Prinseneilanden naar het zuiden trekken en over grote groepen
mannen die in mijn jeugd, hevig paffend, naar huis terugkeerden na een van die
interlandwedstrijden die steevast in een zware nederlaag eindigden. Wanneer
wij ons voldoende bewust zijn van dit gevoel en van de taferelen, plekjes en
mensen die het op de stad overdragen, wanneer we ervan doortrokken zijn, krijgt
het gevoel van 'hüzün', vanaf een bepaald moment, van welke kant je
ook naar de stad kijkt, een zodanige helderheid dat je het in het landschap
en de mensen kunt onderkennen, zoals de nevel die op koude winterochtenden,
wanneer de zon plotseling doorkomt, heel lichtjes begint te bewegen boven het
water van de Bosporus.
Op dit punt wijkt 'hüzün' behoorlijk af van het gevoel van melancholie,
waarmee de geestestoestand van één persoon wordt beschreven, en
krijgt het een betekenis die lijkt op wat Claude Lévi-Strauss bedoelt
in zijn Tristes Tropiques. Ook al laat Istanboel, gelegen op de eenenveertigste
breedtegraad, zich qua klimaat, geografie en schrille armoede absoluut niet
vergelijken met steden in de tropen, toch roept het, met de kwetsbaarheid van
het leven, zijn grote afstand tot de centra van Europa en een voor een westerling
op het eerste gezicht moeilijk te definiëren 'geheimzinnige sfeer' in de
menselijke relaties, eerder associaties op met het begrip tristesse zoals Lévi-Strauss
dat hanteert. Om niet over het verdriet van één persoon, dat men
als iets ziekelijks zou kunnen beschouwen, te spreken, maar over een cultuur,
een sfeer, een gevoel waarin miljoenen leven, is 'hüzün', net als
tristesse, een heel geschikt woord.
Het wezenlijke verschil tussen de twee woorden en gevoelens ligt niet in het
feit dat Istanboel veel rijker is dan Delhi of Sao Paulo (wanneer men de achterbuurten
in gaat lijken de verschillende vormen van armoede en de steden op elkaar),
maar in het feit dat in Istanboel de geschiedenis en restanten van vergane glorie,
van hele beschavingen zo nabij zijn. Niet alleen de grote, monumentale moskeeën
en historische gebouwen van de stad, ook de kleinste poortjes, fonteintjes en
gebedshuizen ergens achteraf maken de miljoenen mensen die ertussen leven pijnlijk
duidelijk dat zij de laatste restanten zijn van een groot rijk, ook al zijn
ze nog zo verwaarloosd, veronachtzaamd en bedolven onder massa's beton. Anders
dan in grote westerse steden waarvan het verleden teruggaat op verdwenen grote
rijken, zijn in Istanboel historische monumenten geen zaken die als in een museum
worden bewaard en die men met trots tentoonstelt. Hier wordt er slechts tussen
geleefd. Dit is iets wat sommige westerse auteurs van reisgidsen en reizigers
zeer aanspreekt. Maar voor de bewoners van de stad met wat gevoeliger zintuigen
herinneren ze eraan dat de macht en rijkdom van het verleden met die cultuur
ten onder is gegaan en hoe armzalig en ontredderd het heden is in vergelijking
met het verleden. Deze gebouwen, door hun verwaarloosde toestand, onder vuil,
stof en modder, 'één geworden met hun omgeving', bieden, net als
de monumentale villa's uit mijn jeugd, die een voor een afbrandden, niet eens
het genoegen ermee te kunnen pronken.
We kunnen dit gevoel vergelijken met de situatie van Dostojevski, die, toen
hij in 1867 in Zwitserland was, niet kon begrijpen dat de inwoners van Genève
zo op hun stad gesteld waren. In één van zijn brieven fulmineert
de op het Westen gebeten nationalist Dostojevski: 'De eenvoudigste zaken, zelfs
de lantarenpalen op straat, beschouwen zij als iets heel moois en bijzonders.'
Zelfs bij een simpele routebeschrijving laten ze zich vol trots uit over de
historische omgeving waarin zij wonen en uiten zich in bewoordingen als: 'Voorbij
die excellente en bijzonder kunstige bronzen fontein.' In een vergelijkbare
situatie zou een Istanboeler zeggen: 'Sla bij die opgedroogde fontein af en
loop dan die straat met die afgebrande huizen helemaal uit', waarbij hij zich
ook nog zou generen voor alles wat die buitenstaander in die arme straatjes
te zien zou krijgen. Een willekeurig voorbeeld kan men vinden in het verhaal
'Bedia ve Güzel Eleni' (Bedia en de Schone Helena) van Ahmet Rasim, een
van de grootste schrijvers van Istanboel, op wie ik later nog zal terugkomen:
'Loopt u voorbij het Badhuis van Ibrahim Pasha. Loopt u nog even door. Dan ziet
u aan uw rechterhand een vervallen huis dat op de bouwval (het badhuis) aan
het begin van de straat uitkijkt.'
Een wat optimistischer bewoner van Istanboel zou, zoals misschien wel iedereen,
het adres beschrijven aan de hand van Istanboels grootste rijkdom: kruideniers
en koffiehuizen. Want de kortste weg om je te bevrijden van de 'hüzün',
van nazaat te zijn van een machtig rijk, is historische gebouwen volledig te
negeren en vooral geen aandacht te schenken aan de namen van de gebouwen en
de architectonische details waarmee ze zich van elkaar onderscheiden. Zo doen
Istanboelers dat, geholpen door armoede en onwetendheid. Ze trekken zich van
het begrip 'geschiedenis' helemaal niets aan, behandelen die gebouwen alsof
ze pas zijn neergezet, slopen stenen uit de stadsmuren om die bij hun eigen
metselwerk te gebruiken of proberen ze met beton te restaureren. Ook het slopen
en afbreken om er een 'westers, modern' flatgebouw voor in de plaats te zetten,
is een manier om te vergeten. Al deze onachtzaamheid en die sloopactiviteiten
dragen er uiteindelijk toe bij dat het gevoel van 'hüzün' nog wordt
versterkt, waarbij hieraan ook nog een ondertoon van zinloosheid en uitzichtloosheid
wordt toegevoegd. Het door de pijn van afbraak, verlies en armoede opgeroepen
gevoel van 'hüzün' bereidt de Istanboeler voor op nieuwe tegenslagen
en andere vormen van armoede.
Op dit punt is het onderscheid tussen 'hüzün' en tristesse heel duidelijk.
De tristesse waarover Claude Lévi-Strauss in zijn onvolprezen boek vertelt,
is het gevoel dat al die grote en arme steden, de uitzichtloosheid en de mensenmassa's
in de tropen bij een westerling oproepen. Het verwoordt niet de geestesgesteldheid
van die steden of van de mensen die daar wonen, maar het schuldgevoel van een
westerling die daar is beland, zijn voornemen zich te ontdoen van vooroordelen
en clichés en het zeer menselijke, van mededogen doortrokken verdriet
dat hij voelt. 'Hüzün' is daarentegen niet de reactie van iemand die
van buitenaf toekijkt, maar de reactie die de Istanboeler door zijn eigen situatie
heeft ontwikkeld. De 'klassieke' Osmaanse muziek, de Turkse popmuziek en de
in de jaren tachtig opgekomen en als arabesk aangeduide muziek brengen dit gevoel
steeds weer tot uitdrukking in verschillende gradaties van zelfbeklag tot diepe
treurnis. De westerling die de stad als buitenstaander binnenkomt voelt meestal
niets van deze 'hüzün' of melancholie. Zelfs Gérard de Nerval,
die zo melancholiek was dat hij uiteindelijk met succes zelfmoord pleegde, heeft
volop genoten van de kleuren, het leven, het geweld en de tradities in de stad
en heeft zelfs op begraafplaatsen nog het geschater van vrouwen gehoord. Misschien
komt dit niet eens zozeer doordat in de jaren waarin hij naar Istanboel kwam,
het gevoel van afbraak en verlies nog niet echt werd ervaren en het Osmaanse
Rijk nog krachtig overeind stond, maar vooral door het feit dat Nerval zijn
boek Voyage en Orient juist had geschreven om, door het oproepen van de kleuren
van de cliché-oriëntaalse droom van de westerling, zijn eigen melancholie
te kunnen vergeten.
Omdat ik heb gezegd dat armoede, tegenslagen en een gevoel van verlies de grondslag
vormen voor het gevoel van 'hüzün' in Istanboel, kom ik weer uit bij
de betekenis van het woord 'hüzün' in de koran. Istanboel draagt de
'hüzün' niet als 'een tijdelijke kwaal' met zich mee, of als ' iets
verdrietigs dat hem is overkomen en waar hij zich van moet bevrijden', maar
als iets waar hij zelf voor gekozen heeft. Ook al komt deze betekenis van 'hüzün'
in de buurt van de melancholie van Burton toen hij schreef: 'Alle andere genoegens
zijn zinloos. Geen enkel genoegen is zo heerlijk als melancholie', de zelfspot
en humor van Burton worden in de Istanboelse beleving van 'hüzün'
vervangen door trots, arrogantie, snoeverij zelfs. De moderne Turkse poëzie
van na de Republiek omhelst het begrip 'hüzün' in dezelfde zin, als
een onontkoombaar noodlot en als een gevoel dat diepgang geeft door de menselijke
geest te bevrijden. Dit gevoel heeft tegelijkertijd iets weg van een beslagen
ruit tussen de dichter en het leven. Een door 'hüzün' gekleurde projectie
van het leven is voor de dichter aantrekkelijker dan het leven zelf. Eenzelfde
vorm van inkeer kent ook de Istanboeler als het gaat om zijn eigen armoede en
onderdrukking. Terwijl dit gevoel, dat een bewuste afscherming voor het leven
betekent, enerzijds het voordeel heeft van het respect dat het in de mystieke
literatuur heeft verworven, wekt het anderzijds de indruk dat het om een door
de stadsbewoners bewust en vol overtuiging gekozen reden is voor hun falen,
besluiteloosheid, neerslachtigheid en armoede. In deze betekenis wordt 'hüzün'
niet alleen als een gevolg van tekortkomingen en grote verliezen in het leven
voorgesteld, maar - nog belangrijker - als de eigenlijke oorzaak daarvan.
Het lijkt wel of de helden in de films uit mijn jeugd, net als de hoofdpersonen
van een hele reeks werkelijke gebeurtenissen waarvan ik getuige ben geweest
of waarover ik heb gehoord, door dit gevoel van 'hüzün', dat zij al
vanaf hun geboorte bij zich dragen, geen motivatie konden opbrengen voor hun
geliefden, geld of succes. 'Hüzün' houdt de Istanboeler gegijzeld
en is tegelijkertijd een excuus voor zijn gijzeling.
Het najagen van succes en het bewustzijn als individu in de samenleving te
staan, zoals Balzac dat in hoofdpersonen als Rastignac als een positief element
presenteert en een centrale plaats laat innemen in de moderne stad, ligt ver
af van 'hüzün'. De 'hüzün' van de Istanboeler onderdrukt
elke creativiteit ten aanzien van waarden en normen of maatschappijvormen en
draagt bij tot de instandhouding van de moraal van met weinig genoegen te nemen,
met zijn allen op elkaar te lijken en bescheiden te blijven. 'Hüzün'
zet, in tijden van armoede en ontbering, het solidariteitsgevoel op een voetstuk
en leidt tot een omgekeerde interpretatie van het leven en de stad. Door neerslachtigheid
en armoede niet als een gevolg voor te stellen, maar als een respectabele voorfase
voordat men aan het leven begint, is het een opstelling die zowel respectabel
als misleidend is. De maar niet te onderdrukken en als lot ervaren armoede,
die als een ongeneeslijke ziekte het leven in Istanboel is binnengeslopen, de
ontreddering en de overmacht van zwart-wit-opvattingen, wordt op deze manier
niet als een vorm van falen en onbekwaamheid ervaren, maar als een eer.
Deze opstelling is de exacte tegenhanger van de op zelfvertrouwen gebaseerde
rationaliteit en het individualisme van Montaigne (en van Flaubert jaren later),
die al in 1580, hoewel hij zelf ook melancholicus was, sprak over het begrip
tristesse als een gevoel dat hem vreemd was. Montaigne suggereert dat de associatie
van tristesse met in hoofdletters geschreven noties als Wijsheid, Deugd en Geweten,
volkomen onterecht is en stemt in met de Italianen, die het woordje tristezza
de betekenis geven van een schadelijk en onbeheersbaar soort kwaadaardigheid.
Voor Montaigne was smart, net als bij zijn opstelling tegenover de dood, iets
wat een geleerde die alleen te midden van boeken leeft, in zijn eentje en met
zijn verstand moet trachten te overwinnen. Maar Istanboel ervaart 'hüzün'
als één grote stad, waar het door iedereen samen positief wordt
gewaardeerd. Wat de moderne Turkse literatuur, poëzie en muziek ten aanzien
van Istanboel hebben teweeggebracht door aandacht te schenken aan dit gevoel,
zich er vol trots over te ontfermen en het tot iets glorieus te verheffen, is
dat ze 'hüzün' tot een centraal begrip hebben gemaakt om de stad als
gemeenschap te beschrijven en bijeen te houden. In de roman Huzur ('Gemoedsrust'),
de grootste onder de romans die over Istanboel geschreven zijn, is de vastberadenheid
van de hoofdpersonen aangetast door de 'hüzün', die bij hen wordt
opgeroepen door de geschiedenis van de stad en het gevoel van afbraak en verlies,
en zijn zij tot de nederlaag gedoemd. Door 'hüzün' eindigt de liefde
niet met 'huzur'. In zwart-wit-films over Istanboel eindigt het aangrijpendste
en het meest realistisch lijkende liefdesverhaal in een melodrama, door de a
priori gegeven, vanaf de geboorte aanwezige 'hüzün' van de ware jongen.
Bij de Arbeiderspers verschijnt in de zomer van dit jaar Istanboel. Herinneringen
en de stad (werktitel) in een vertaling van Hanneke van der Heijden, die eerder
ook, samen met Margreet Dorleijn, Sneeuw en Ik heet Karmozijn vertaalde. Margreet
Dorleijn vertaalde eerder Het zwarte boek en Het huis van de stilte en Veronica
Divendal Het nieuwe leven en De witte vesting, alle bij de Arbeiderspers.
Orhan Pamuk (°1952). Zijn eerste roman Cevdet Bey ve
Oğullari (De heer Cevdet en zijn zonen) verscheen in 1982. Pamuk brak
internationaal door met zijn tweede roman Beyaz Kale (De witte vesting).