De plek waar een mens steeds weerkeert Dat is zijn kindertijd. De
ochtendoproep leert Deswege Moslims Gods zegen. Gods
kindertijd Begint bij zonsopgang Met het herdenken van de doden. En
moeder sterft Bij de gebedsoproep sterft moeder Elk kind op wie zijn zegen
rust Denkt aan God.
Een taal hebben de stenen. 's Ochtends in de regel Liggen zij op de
grond Nat en vredig Als vrouwen vochtig van binnen En verslapte, moede
mannen Ineengekropen slapen In de hoop gezegend te worden.
Dat alles is gebeuzel. Als je het mij vraagt Een zware stank van
urine Karaffen met een slanke buik De flanellen onderbroek Van vrouwen,
die naar hun natte liezen ruikt. Hier Begint de dag Met het verdriet
van een niet woord geworden stem. En er wordt gezegd: Hou van Uw
lot Heb Uw lot lief En noem het leven Een zoet toeval.
Een zware stank van urine Karaffen met een slanke buik Het flanellen
ondergoed van vrouwen, dat nat is van hun liezen En de schimmelvoeten van
mannen. Het schemerwater in de fontein van de moskee: Het druipt En
druipt. In de witheid van de handen schuilt de dood In de bocht van het
lichaam. In het vocht van mijn innerlijk Dat trilt als ik mijn man wil
Ik ben alles vergeten. Waar ik vandaan kom Mijn moeder, mijn
vader De gang naar de begraafplaats. De eik is daar gebleven moederziel
alleen De eik die van de doden daar de dood het best verklaart.
Waar een boom ook staat Daar lijkt hij op. Verschilt een eik
bijvoorbeeld Van de stenen aan de Middellandse Zee Waar hij tussen
staat? Een cipres is het slappe koord van het laatste ogenblik Waarop de
doden stilvallen met een donkere snik. De treurwilg een wilg in rouw Zijn
innerlijk gegrepen door het water, kwetsbaar. Alles lijkt op dat waarnaar het
kijkt. * Ik zal op mijn moeder lijken En op mijn vader uiteraard. En
op de kat in het huis van mijn oudtante. Stellen wij ons deze aarde niet
samen met de zeeën voor Dan maken wij een fout. Het was een eerste
ogenblik dat de wereld deed ademen, dat de zeeën schiep. Het was een woede,
die de bergen schiep Aldus de eerste boeken. Elke taal heeft lang,
lang Vóór zichzelf al een leven. En daarover Spreken enkel deze
boeken. Zwijgend kijken wij Zonder het ons te herinneren. De dichters
snappen er in wezen geen snars van De wereld heeft een pijn die kind gebleven
is En dat treedt in de oproep aan de dag. Gods zegen rust op al de
doden Iets als liefde wordt een mens bewust Hij leert terug te
keren Zich te bevrijden van de grond Door almaar weer te keren Met een
waarheid gefluisterd tot woestijnbewoners Verdort de aarde * Wat je een
rivier noemt verdwijnt in de woestijn. Wat je een rivier noemt verbergt haar
aarde. Wie het niets beschrijft begrijpt het niets. Zich in het niets
hullen dat eerste ogenblik. Ik ken een rivier Zij verdwijnt In de
begerige maag van een woestijn. Het is zonneklaar wellicht, Het meer dat
het dichtst bij haar ligt Houdt haar schuitjes in zich vast Slikt haar
slib in. Maar ze weet Als een meer haar water inslikt Ontheemdt
ze. Als een meer haar vissen inslikt Donkert ze. Zonder al de meren van
de aarde te kunnen zien Zullen we sterven. Wat bitter. * De rust die
met zonsopgang komt De weeën van zonsondergang Zijn jou vreemd. Zeg
eens, Jij bent niet de meester van de ochtend Dat is niemand. De weg is
van wie weggaat De dag van wie terugkomt De poëzie is van het leven En
van wie ziet.
Gods zegen Ruste in het land der moslims Op de doden, door dat te
zeggen Laat die de dag bloeden. De kindertijd van een mens begint met de
dood van zijn moeder De kindertijd houdt nooit op voor wie zijn moeder
verliest. Zeg eens, Jij bent niet de meester van de ochtend Dat is
niemand. Ik ben moe Van het kijken met bebloede adem Niemand is van
niemand.
uit Tanrý Görmesin Harflerimi (1999)
Bejan MATUR (°1968) werd geboren in Oost-Turkije in een
provinciestad waar veel alevitische Koerden leven. Behalve de artikelen over
kunst die ze van tijd tot tijd voor een internetkrant schrijft, houdt ze zich
uitsluitend bezig met poëzie.