Jonge Turken
Een nieuwe generatie Turkse auteurs


nr.112 - maart 2005

Auteurs

Bejan Matur (°1968) werd geboren in Oost-Turkije in een provinciestad waar veel alevitische Koerden leven. Haar middelbare school doorliep ze ook in het oosten, in Antep. Nadat ze afstudeerde aan de juridische faculteit van de universiteit van Ankara werd ze advocaat. Tegenwoordig is ze echter niet als advocaat werkzaam. Behalve de artikelen over kunst die ze van tijd tot tijd voor een internetkrant schrijft, houdt ze zich uitsluitend bezig met poëzie. Met de bundel Van wind vervulde landhuizen maakte ze in 1997 haar verrassende debuut en vestigde ze meteen haar naam als een intelligent en origineel dichter. Ze publiceert tegenwoordig regelmatig in verschillende literaire bladen. De stijl van haar gedichten is anders dan die van haar generatiegenoten en wijkt sterk af van de in Turkije gebruikelijke tradities en uitdrukkingswijzen. Met haar eerste bundel won ze twee belangrijke literaire prijzen. Haar tweede bundel Laat God mijn letters niet zien kwam dit jaar uit.
Matur groeide op met het Koerdisch, dat jarenlang officieel verboden was en waarvan het gebruik ook nu nog altijd onderdrukt wordt, en het Turks, dat ze op school leerde. Haar gedichten schrijft ze, zoals veel dichters van Koerdische afkomst, in het Turks, hoewel de klanken en het ritme van haar moedertaal wel belangrijk voor haar poëzie zijn, zoals ze zelf zegt. Volgens Matur is het misschien wel een voordeel om in het Turks te schrijven, omdat de poëzie haars inziens 'een dode taal' vereist. Levende talen wekken de indruk dat ze het leven kunnen beschrijven. De poëzie is de vertaling van een beleving van voor de taal en buiten de taal, zij schept iets wat niet door de taal omvat wordt. Maturs taal is geworteld in de eenzaamheid die ontstaat wanneer je denkt in de niet-tijd van de poëzie; ze heft een klaaglied aan voor het verlorene, op het ritme van een verloren taal. Haar verbeelding heeft de kleur van het provinciale leven in het oosten van Turkije.
Publicaties: Van wind vervulde landhuizen (1997), Laat god mijn letters niet zien (1999), In zijn woestijn (2002), Zonen grootgebracht door de maan (2002). In 2004 verscheen een keuze uit haar gedichten in Engelse vertaling onder de titel In the Temple of a Patient God.

Aslı Erdoğan (°1967) publiceerde twee romans en een bundel korte verhalen. Daarnaast verscheen een selectie uit de deels politieke columns die ze in de periode 1998-2001 voor het dagblad Radikal schreef. Veel van haar literaire werk is gesitueerd buiten Turkije, in landen waar ze voor haar werk als natuurkundige verbleef, of waar een van haar reizen haar heen voerde. Haar meest recente roman, Kırmızı pelerinli kent (Stad in scharlaken cape), die onder andere in het Frans is vertaald, speelt zich af in Rio de Janeiro en beschrijft indringend de omzwervingen van een Turkse vrouw in deze stad vol gekte, chaos en dood, haar observaties van zichzelf en haar omgeving en haar pogingen een boek te schrijven. Het is Erdoğans meest beeldend en poëtisch geschreven verhaal tot nu toe. Voor het verhaal 'Houten vogels' ontving ze in 1997 de eerste prijs in een Turkse literatuurwedstrijd van de Duitse radiozender 'Stem van Duitsland'.

İlhan Berk (°1918) publiceerde sinds 1935 meer dan 20 poëziebundels. Hij studeerde Frans in Ankara. Tussen 1945 en 1955 werkte hij als leraar Frans en vertaler in verschillende steden in Anatolië. Hij vertaalde Rimbaud, Saint-John Perse en Apollinaire in het Turks. Tot 1950 schreef hij realistische gedichten waarin hij maatschappelijke problemen aan de orde stelde. In deze gedichten gebruikte Berk het dynamische leven van de grote stad als decor en schreef hij, zoals hij het zelf formuleerde, een poëzie 'gebaseerd op het gesproken woord'. Berks dichtbundel Meer van Galilea, die in 1958 uitkwam, luidde een periode in van een meer experimentele poëzie. Deze werkwijze zet Berk nog altijd voort. Naast vele dichtbundels publiceerde hij vele geschriften en aantekeningen over het ontstaansproces van zijn eigen poëzie. Hij was een van de oprichters van de İkinci Yeni, de Tweede Nieuwen, die vergeleken kunnen worden met de Vijftigers in Nederland. Voor Berk is alles materiaal voor de poëzie: de natuur, de geschiedenis, het dagelijks leven, de Middeleeuwen, Istanboel; en dit materiaal is slechts van belang voor zover het tot poëzie leidt. Zoals Berk het zelf zegt: 'Voor een dichter is de natuur een boek, om het even welk. Een boek dat geleerd en vervolgens weggegooid zal worden. Wat een kunstenaar maakt is een andere natuur. Dat is het werk van menselijke activiteit, van het menselijk verstand, van de hand van een creatieve mens.' En elders: 'Ik krijg nooit genoeg van de vertelling. De geschiedenis van de poëzie is niets anders dan de geschiedenis van de taal, van de techniek. Ik ga uit van de techniek, van de taal, het gebruik van de taal. Betekenis is mijn hele leven een probleem voor mij gebleven. Ik heb steeds geworsteld met de taal, met betekenis. Wat betekenis betreft ben ik net als met de taal en de techniek bij nul begonnen, ik heb haar in haar meest naakte vorm genomen en geprobeerd haar tot uitersten te brengen.' In 2004 is zijn verzameld werk van ongeveer 2000 pagina's uitgegeven.
In vertaling verschenen: Estambul (Madrid, 1988); Histoire Secrète de la Poésie (Paris, 1991); Poemas (Madrid, 1992); Rio Hermoso (Madrid, 1995); Selected Poems (New York, 2004).

Adalet Ağaoğlu is in 1929 in Konya geboren. Zij studeerde Franse Taal en Letterkunde aan de Universiteit van Ankara. Tussen 1950 en 1970 werkte ze bij de publieke omroep Turkse Radio en Televisie (TRT). Zij nam ontslag als afdelingshoofd van het radiodepartement was toen de staat een einde maakte aan de autonomie van de omroep. Adalet Ağaoğlu begon haar literaire carrière als scenarioschrijfster. Na 1970 publiceerde zij de romans en verhalenbundels die haar tot een van de bekendste schrijvers van Turkije zouden maken. In haar triologie Dar Zamanlar (Benauwde Tijden) beschreef ze de sociale transformatie van Turkije tussen de jaren 1950 en 1970. Ze heeft bijna alle belangrijke Turkse literaire prijzen gekregen. Haar roman Curfew: A Novel is verschenen bij University of Texas Press in 1997.

Mehmet Çetin werd in 1955 in Dersim geboren. In de jaren zeventig begon hij gedichten en korte verhalen te schrijven. Terwijl Çetin een studie aan de universiteit volgde, werd hij om politieke redenen gearresteerd en zat hij tussen 1981 en 1990 een gevangenisstraf uit. Inmiddels zijn vijf poëziebundels en boeken met korte verhalen van zijn hand verschenen. Het werk van Çetin, die zijn gedichten in het Turks en de Koerdische taal Kurmançi publiceert, is ook in verschillende andere talen vertaald. Sinds 1996 is de dichter in het algemeen woonachtig in Amsterdam.

Nesan Erdoğan werd in 1964 geboren in Elazığ in Kurdistan (Turkije). Hij kwam in 1985 naar Nederland en woont sinds die tijd in Rotterdam, waar hij in 1994 met dichten is begonnen. Hij schrijft in het Turks en wordt vertaald door Sytske Sötemann. Hij publiceerde in enkele Turkse en Nederlandstalige literaire tijdschriften en nam deel aan poëzieprojecten. Sinds 2001 is hij opgenomen in het Fonds der Letteren. Bij diverse gelegenheden las hij voor uit eigen werk, ondermeer tijdens Poetry International, Poëzie in de Consul te Rotterdam, Turks-Nederlands poëziefestival in De Balie te Amsterdam – waar hij in 2001 de eerste prijs van de jury won –, Dunya en Gedichtendag(en).

Hasan Ali Topta is in 1958 in Denizli geboren. Hij is van eenvoudige komaf. Zijn moeder was huisvrouw en zijn vader chauffeur. Hij werkte als ambtenaar op verschillende belastingkantoren, later werkte hij bij het ministerie van Financiën in Ankara, terwijl hij in de avonduren aan zijn romans werkte. Er zijn drie verhalenbundels van hem uitgegeven en vier romans, waarvan de laatste Bin Hüzünlü Haz (Plezier met Duizend Zorgen) heet. Hij kreeg meerdere literatuurprijzen voor zijn boeken. Zijn grote voorbeelden binnen de Turkse literatuur zijn Oğuz Atay, Bilge Karasu en Yusuf Atılgan en binnen de wereldliteratuur Kafka en Milan Kundera. Doordat hij in zijn werk speelt met de grenzen van taal en stijl zou je hem postmodernist kunnen noemen. Zijn buitengewone plots trekken de lezer in een fantasiewereld. Indirect behandelt hij maatschappelijke problemen zoals het huwelijk, de werkloosheid, de druk van de grote massa op het individu, door ze in het individu te verankeren. Hoewel hij geen makkelijke boeken schrijft heeft hij een groot lezerspubliek.

Enis Batur (°1952) In Parijs voltooide hij de universitaire opleiding waarmee hij in Turkije was begonnen. Zijn eerste poëziebundel, Een middeleeuwse eenzaamheid, werd in 1973 gepubliceerd. Batur, bekend om zijn enorme productiviteit, heeft ongeveer twintig poëziebundels geschreven en van zijn hand zijn bovendien meer dan vijftig boeken verschenen met essays en literaire kritieken. Mondale, Mallarmé, Char, Montaigne, Céline, Barthes and Rilke hebben zijn ontwikkeling beïnvloed. Zijn poëzie heeft een hoog intertekstueel gehalte, waarbij hij in gelijke mate gebruik maakt van islamitische mythologie, oosterse literatuur, Anatolische mystiek en de Franse 'poètes maudits'. Zijn bundels die tussen 1973 en 1987 verschenen, werden onder de titel Geschriften en zegels opnieuw uitgebracht. In 1997 publiceerde hij zijn beroemdste bundel, Oost-West Divan en in 1996 onder de titel Opera 1-4004 zijn prozagedichten. Een keuze uit zijn gedichten verscheen in het Italiaans in twee bundels met de titels: Scritti e sigilli: 1973-1990 (1992), Imago Mundi (1994). Voor dit laatste boek ontving hij de poëzieprijs Sibilla Aleramo. In het Frans verscheen in 2000 La Sacrophage des Pleureuses en in het Perzisch werden achtereenvolgens twee bundels gepubliceerd in 1996 en 2000. In Turkije heeft hij jarenlang leiding gegeven aan de belangrijke Uitgeverij Yapı Kredi voor Kunst en Cultuur. Onder zijn redactie verschenen klassiekers zoals Canterbury Tales, Vita Nuova, Ulysses en A la recherche du temps perdu in Turkse vertaling. Volgens de vooraanstaande literatuurhistoricus T.S. Halman is Batur onder de auteurs van zijn generatie degene die het meest intrigerende literair bewustzijn heeft. In velerlei opzichten is hij volgens Halman bovendien een ideaal symbool en woordvoerder van de culturele synthese die in Turkije wordt nagestreefd.

Roni Margulies (°1954) beschrijft zichzelf als een 'politiek activist, dichter en econoom'. Hij groeide op in een joods gezin in Istanboel. Na de middelbare school in Turkije te hebben doorlopen, studeerde hij economie in Groot-Brittannië. Margulies, die zich na zijn afstuderen in Londen vestigde, verricht zijn activiteiten op het gebied van poëzie, kritiek en vertalingen voornamelijk in Turkije. Zijn eerste bundel, Iedere levensgenieter weet het, kwam in 1991 uit. Daarop volgden nog vijf bundels. In 1994 verscheen een bundel met gedichten over de levens en belevingswerelden van de moderniserende Ottomaanse intelligentsia. Margulies werd door de poëzierecensies die hij in Turkse literaire tijdschriften schreef bekend als een scherp polemicus. De vertalingen die hij maakte van het werk van Ted Hughes, Philip Larkin en Yehuda Amichai zijn verzameld in drie bundels. Onlangs vertaalde hij Birthday Letters van Ted Hughes. Margulies put voor zijn gedichten uit het dagelijks leven en historische gebeurtenissen. Hij schrijft vaak over het grootstedelijke dagelijkse leven in Istanboel. Zijn gedichten zijn verhalend en geschreven in een heldere taal. Volgens Margulies is 'alle poëzie verbonden met positionering: met het kiezen van een positie tegenover de wereld, met commentaar leveren en het maken van kanttekeningen bij het weefsel van gebeurtenissen waaruit mensenlevens bestaan. Natuurlijk kan niet alle poëzie een totale houding tegenover de wereld uitdrukken, maar als de dichter geen houding heeft, als de poëzie niet geschreven is vanuit de wens zo'n houding uit te drukken, kan er geen poëzie ontstaan.' Voor hem staat authenticiteit voorop; een weergaloze taal of pakkende beelden kunnen de plaats van authenticiteit niet innemen. Zijn essays verschenen onder de titel Poëzie Jodendom Et cetera (2004).

Oğuz Atay (1934-1977) publiceerde onder andere verschillende romans, een toneelstuk en een verhalenbundel. Binnen de moderne Turkse literatuur van de jaren zeventig betekent Atay's werk, waarvan wel gezegd wordt dat het met één voet in de modernistische en met de andere in de postmoderne traditie staat, een keerpunt. De grote rol die is weggelegd voor de vorm, waarbij binnen de tekst allerlei genres worden gecombineerd, en het bijzondere taalgebruik vol taalspelletjes onderscheiden hem van zijn voorgangers. Monologue intérieur en ironie spelen daarbij steeds een belangrijke rol. Daarnaast onderscheidt Atay zich door de thematiek die hij kiest: veel van zijn werk gaat over individuen die zich afzetten tegen een kleinburgerlijke mentaliteit, die zich vervreemd voelen in een maatschappij die in een identiteitscrisis verkeert. Gaandeweg vervreemden de personages daarbij soms ook van zichzelf.

Hüseyin Sahin werd in 1961 in Malatya geboren en zat tussen 1977 en 1991 een gevangenisstraf uit. Zijn gedichten zijn in het Nederlands vertaald en inmiddels zijn er drie gedichtenbundels van hem verschenen. Uitgeverij Piya is momenteel bezig met de voorbereiding van de publicatie van een bundel met zijn laatste werk: De afdrukken van de kleine kamer. ªahin woont sinds 2002 in Amsterdam.

küçük iskender (1964), in het Nederlands 'alexander de kleine', is een van de meest besproken Turkse dichters van na 1980. Hij werd in Istanboel geboren, studeerde vijf jaar medicijnen en vervolgens nog vier jaar sociologie, zonder deze studies echter te voltooien. Ondertussen was hij actief op het gebied van literatuur en film. Zijn eerste poëziebundel, Mijn ogen passen niet in mijn gezicht, werd in 1988 gepubliceerd. In 1991 volgde de bundel Erotica Deze bundels zorgden ervoor dat de aandacht blijvend op hem werd gevestigd. Tigris en Eufraat en Lijk niet nog eens op mij angel verschenen in 2004.
küçük iskender is een dichter van de kosmopolitische stad. De chaos en de gebrekkige communicatie in het stadsleven is een van zijn centrale thema's. In een land waar marteling, geweld en het kwaad aan de orde van de dag zijn verkiest hij het 'een vervloekt dichter' te zijn. De dichter, die verklaart de zelfkant van de samenleving goed te kennen, beoogt een kroniek te schrijven van een metropool. Hij kiest ervoor in zijn gedichten, die spotten met slappe romantiek en gevoeligheid en zeer kritisch zijn tegenover conventies en instituten, 'niet zozeer tegen dan wel anders te zijn'. Hij deinst er niet voor terug straattaal en scheldwoorden te gebruiken. Ook een homo-erotische thematiek schuwt hij niet. De taalspelletjes en zelf verzonnen woorden uit zijn eerste gedichten blijven in de laatste gedichten achterwege; klank daarentegen blijft een belangrijk element. Tot de voorbeelden van küçük iskender, die van zichzelf zegt 'ik ben niemands zoon. Ik ben de bastaard van de Turkse poëzie', behoren uiteenlopende dichters: van Nâzim Hikmet en de Turkse dichters van de experimentele groep de Tweede Nieuwen tot de dichters van de beat generation. Een andere karakteristiek van küçük iskender is zijn succes in het bespelen van de populaire media met zijn vrijmoedige levensstijl, ironie en provocatieve optreden, waardoor hij ook onder de mensen die geen poëzie lezen bekendheid wist te verwerven.

Yusuf Atılgan (1921-1989), schrijver van verhalen en romans, is in 1921 in Manisa geboren en is er opgegroeid. Hij studeerde Turkse Taal en Letterkunde aan de universiteit van Istanboel. Gedurende een jaar gaf hij literatuurles op het lyceum. Hij werd veroordeeld tot gevangenisstraf vanwege het ontplooien van communistische activiteiten en het lidmaatschap van een geheime vereniging tijdens zijn studententijd. Na tien maanden gevangenschap vestigde hij zich in 1946 in een dorp in Manisa, waar hij lange tijd een boerderij bezat. In 1952 stopte Atılgan met boeren en begon hij opnieuw te schrijven. Hij is bekend geworden met zijn romans Aylak Adam (De Flierefluiter) en Anayurt Oteli (Hotel Vaderland) en is een van de voorlopers van de moderne Turkse roman. Thema's als vervreemding en eenzaamheid spelen een belangrijke rol in zijn boeken. Anayurt Oteli is in 1987 ook verfilmd. Zonder zijn laatste roman Canistan (Land der Zielen) afgemaakt te hebben stierf hij in Istanboel op 9 oktober 1989 aan een hartaanval.

İsmet Özel (1944) studeerde in Ankara politieke wetenschappen en Franse literatuur. Zijn eerste bundel, Een nachtelijke race, publiceerde hij in 1966. Met Ja, opstand dat in 1969 uitkwam, oogstte hij veel bewondering onder de jonge poëzielezers. Daarin nam het thema van het kennen en veranderen van jezelf en de wereld de plaats in van het saaie provinciale leven. Woorden als 'verstikking', 'lijk' en 'walging', die in zijn eerste bundel veelvuldig voorkwamen, verdwenen naar de achtergrond. Özels gedichten verschilden zeer van het werk van de sociaal-realistische dichters van de jaren veertig. Zijn stijl ademde de modernisering die de experimentele groep de Tweede Nieuwen, waarvan ook İlhan Berk deel uitmaakte, in de Turkse poëzie had bewerkstelligd. Zijn gedurfde, onverzoenlijke gedichten vol vragen, onderbrekingen, en originele beelden gaven nieuwe poëtische betekenissen aan alledaagse woorden. Met Geloofsbelijdenis, dat hij in 1974 publiceerde, maakte Özel duidelijk welke ideologische ommekeer hij had gemaakt. Hij manifesteerde zich nu als een islamitisch dichter en na korte tijd werd aan zijn dichterschap de rol van islamitisch intellectueel toegevoegd. Nog altijd publiceert hij in bundels de politiek-religieuze geschriften die hij voor kranten en tijdschriften produceert.
Volgens Özel, die zijn poëzieopvatting uitgebreid beschreef in zijn essay 'Gids voor de poëzielezer' (1980), 'ontstaat de poëzie uit een melodie in de mens en uit zijn verlangen naar eenheid in een omgeving waar het eenheidsgevoel is aangetast, waar alle losse delen en begrippen door elkaar zijn gaan lopen en de mens zijn plaats in het geheel is kwijtgeraakt.' Özels eigen poëzie is een 'zoektocht naar de plaats van de mens in het bestaan'. Een vers is het waard geschreven te worden wanneer het iets onthult van de wereld waarvan ook de dichter deel uitmaakt.
Enkele publicaties: Een nachtelijke race (1966), Ja, opstand (1969), Geloofsbelijdenis (1974), Het boek van de moorden(1975), Terwijl ik glimlachte naar mijn beul (1984), Een Jozefsprookje (2000)

Orhan Pamuk is in 1952 in Istanboel geboren en hij groeide op in Nisanta?ı zoals hij in zijn boek İstanbul: Hatıralar ve ?ehir (Istanboel: Herinneringen en de stad) vertelt. Zijn architectenopleiding aan de Technische Universiteit van Istanboel maakte hij niet af. In 1976 studeerde hij af aan het Instituut voor Journalistiek van de Universiteit van Istanboel. Zijn eerste roman Cevdet Bey ve Oğullari (De heer Cevdet en zijn zonen) verscheen in 1982. Pamuk brak internationaal door met zijn tweede roman Beyaz Kale (De witte vesting). Na de Franse vertaling van De witte vesting in 1991 kreeg Pamuk de Prix de la découverte européenne. Pamuks Kara Kitap (Het zwarte boek) is wellicht de meest gelezen en besproken roman in Turkije. Na de publicatie en de vertaling van zijn roman Benim Adım Kırmızı ( Ik heet Karmozijn) kreeg hij in Ierland de Impac Dublin-prijs. Zijn laatste roman, Kar (Sneeuw), werd in 2002 gepubliceerd.

Vertalers en inleiders

 

Hamide DOĞAN (°1972) werd geboren in Turkije (Ürgüp). Na het VWO volgde ze de opleiding Tolk-Vertaler in Maastricht (Engels en Frans). Daarna studeerde ze Turkse Taal en Cultuur aan de universiteit van Leiden, waar ze na haar afstuderen een jaar heeft gewerkt aan het woordenboek Nederlands-Turks. Ze studeerde af op een scriptie over de roman Tutunamayanlar van Oğuz Atay, die ze momenteel vertaalt. Naast literair vertaalster is ze ook juridisch vertaalster en geeft ze Turkse les.

Çimen GÜNAY (°1977) studeerde aan de Bilkent Universiteit, afdeling Turkse Literatuur. Als extern student bereidt ze sinds 2002 aan de Universiteit Leiden, afdeling Turks, een proefschrift voor. Ze bestudeert romans uit de jaren zeventig vanuit een genderperspectief, met bijzondere aandacht voor het corpus van de '12 maart-romans'. Ze woont in Groningen.

 

Hanneke VAN DER HEIJDEN (°1964) studeerde Turkse talen en culturen aan de universiteit van Utrecht. Na enige jaren als docent verbonden te zijn geweest aan de universiteit van Ankara, werkt zij nu als tolk en vertaler. Samen met Margreet Dorleijn vertaalde ze de romans Ik heet Karmozijn en Sneeuw van Orhan Pamuk. Momenteel werken beiden aan een bloemlezing van moderne Turkse verhalen, die in het najaar van 2005 zal verschijnen.

 

Katelijne DE VUYST (°1958) vertaalt romans en poëzie voor diverse uitgevers in Vlaanderen en Nederland. Ze is medewerker van de Poëziekrant. Ze vertaalde werk van onder anderen Borges, Cioran, Mina Loy, Pierre Péju, Olivier Rolin, Anne Sexton, Stevie Smith (verschijningsdatum 2005) en Dylan Thomas.

Dick KOOPMAN (°1944) studeerde Arabisch, Turks en Perzisch aan de Universiteit Leiden. Hij behaalde in 1972 cum laude het doctoraal Turks en werkte van 1973 tot 1974 als coördinator onderwijs bij de Stichting Hulp aan Buitenlandse Werknemers Rijnmond in Rotterdam. Na een jaar als wetenschappelijk medewerker onderzoek te hebben gedaan in een ZWO-project naar de vergelijking van de morfologie van drie Altaïsche talen, keerde hij in 1975 terug naar de Leidse Universiteit. Vanaf die tijd is hij daar de hoofdverantwoordelijke voor de taalopleiding Turks. Gedurende tien jaar was hij een van de centrale vertalers Turks voor de Nederlandse overheid. Hij maakt regelmatig literaire vertalingen, o.a. voor Poetry International en de Stichting Papyrus in Amsterdam. Een deel van zijn vertalingen is terug te vinden op de website van de afdeling Turks van de Universiteit Leiden (http://www.let.leidenuniv.nl/tcimo/tulp). Verschillende vooraanstaande vertalers Turks zijn mede door hem opgeleid. Voorts is hij actief als docent over de achtergronden van de Turkse gemeenschap in diverse opleidingen (justitie, sociale verzekering e.d.).

Sytske SÖTEMANN (°1947) voltooide in 1971 de studie cultureel werk aan de Sociale Academie en was tot 1976 achtereenvolgens werkzaam als vormingswerker en buurtwerker. Daarna werkte ze in Rotterdam als vrijwilliger in het buurtwerk. In 1986 volgde ze de avondopleiding Turks te Utrecht, waarna ze overstapte naar de studie Turks bij de Vakgroep Talen en Culturen van het Islamitische Midden-Oosten van de Universiteit Leiden, waar ze in 1997 haar doctoraalbul verwierf. Vervolgens raakte ze intensief betrokken bij diverse vertaalprojecten van Turkstalige poëzie. In 2000 hervatte ze het in haar doctoraalscriptie begonnen onderzoek naar de Turkse poëzie uit het begin van de vorige eeuw, dat inmiddels is uitgemond in een proefschrift: Yahya Kemal Byatlı - Turkse poëzie in de vroege twintigste eeuw. Een analyse. (Te bestellen bij de auteur: ssotemann@freeler.nl). Sinds november 1995 is ze fulltime werkzaam op het Albeda College te Rotterdam en als vrijwilliger actief in het Rotterdamse letterencircuit, o.a. als voorzitter van het onlangs opgerichte Letterenhuis (Rotterdam) (http://www.letterenhuis.nl/).

Ireneus (René) SPIT (°1954) studeerde biologie, filosofie en Turks en is beëdigd vertaler Turks. Thans werkt hij voor de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. Hij schreef het proefschrift Multisubjectieve activiteit en morele verantwoordelijkheid (Universiteit Utrecht, 1986) en redigeerde de prisma Nederlandse en Turkse zegswijzen (Utrecht, Het Spectrum, 1992). Hij vertaalde onder andere Turkse gedichten voor Poetry International Rotterdam 2002.

Annemarike STREMMELAAR (°1972) studeerde Turkse Taal en Letterkunde. Zij voltooit momenteel haar proefschrift met de titel Legitiem gezag en rechtvaardig bestuur bij de Osmanen.

Mehmet Emin YILDIRIM (°1952) doceert Turkse taal en letterkunde aan de Universiteit Leiden. Hij vertaalde een selectie uit de gedichten van Benno Barnard in het Turks en stelt momenteel samen met Mehmet Çetin een anthologie van moderne Turkse poëzie samen. Voorts vertaalde hij de memoires van A. Papandreu (Democratie at Gunpoint) in het Turks.

Erik-Jan ZÜRCHER (°1953) studeerde Turks aan de Universiteit Leiden, waar hij in 1984 promoveerde op The Unionist Factor, over de Turkse onafhankelijkheidsstrijd na de Eerste Wereldoorlog. Van 1977 tot 1997 werkte hij aan de Universiteit Leiden, eerst als docent Turks, later bij de afdeling Geschiedenis van het Midden-Oosten. Van 1989 tot 1999 stond hij aan het hoofd van het departement Turks van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. Sinds 1997 leidt hij de afdeling Turkse Studies aan de Universiteit Leiden. Zijn voornaamste onderzoeksterrein is de politieke en sociale geschiedenis van het late Ottomaanse Rijk en de Vroege Turkse Republiek. Turkey. A modern history, dat hij publiceerde in 1993, wordt gebruikt als tekstboek op universiteiten in de VS, Groot-Brittanië, Nederland en Turkije. Hij adviseerde de Nederlandse regering over de Turkse toetreding tot de Europese Unie, o.a. ten aanzien van de vraag of de islam een hindernis zou kunnen vormen voor de toetreding.

terug