Jonge Turken
Een nieuwe generatie Turkse auteurs

nr.112 - maart 2005


Adalet Ağaoğlu
Anjerloos,
Verhaal. Vertaling: Dick Koopman

Anjerloos

'Mijn werk? Ach, laat maar...'
Dat waren de woorden die mijn oren troffen in de drukte op straat. Niet meer dan dat:
Mijn werk? Ach, laat maar... Zo'n stem zonder steel, met afgevallen kroonblaadjes.
Ik keek niet om. Ik heb niet gezien wie het was.

Een klein baantje dus. Een onbenullig baantje!
Tot zijn vriend, die als plaatwerker in de laadbakkenconstructie werkte, hem 's morgens en 's avonds opzocht om hem dat met grote hardnekkigheid en veel geduld bij te brengen, was hij er zich nooit van bewust geweest dat hij onbenullig werk verrichtte. Voor hemzelf was het wel belangrijk, mooi en goed werk. Het werk waar hij het beste in was.
Hij beschilderde laadbakken van paardenwagens en vrachtauto's. Al dat groen, geel, blauw en rood, al die rivieren, meren, bergen en anjers sierden ook zijn innerlijk en verfraaiden zijn dagen. Het moest ook de bestuurders van die wagens en vrachtauto's blij maken. Waarom zouden ze anders voor hem in de rij komen staan en waarom zouden ze anders zo aandringen dat het een meer met een zwaan moest worden?
Hij beschilderde elke plank van een laadbak die hem werd aangeboden. En aan de bloemen, insecten en de omlijsting die hij in kanten krullen aanbracht voegde hij altijd een anjer toe van zichzelf. Dit was het beroep van zijn grootvader. Daarna dat van zijn vader. Tijdens het schilderen van de takken en het aanbrengen van de rietstengels langs de oevers van de meren verscheen, zomaar midden in de nacht, zijn grootvader in zijn lange, witte pyjamabroek - je zou zweren dat hij nog leefde - en kwam naast hem staan:
'Je bent het geklater van het meer vergeten. Vergeet niet de golfjes in het water. Wrijf de verf goed uit. Dan komt de kleur beter uit,' zei hij dan. 'Maak je er niet met een Jantje van Leiden van af! Vergeet niet de volle maan in het water te laten weerspiegelen!'
Hij keek hem met fonkelende ogen aan. Ondanks zijn nietsontziende blik wist hij dat zijn grootvader, net als zijn vader, trots op hem was. Op die weggetjes die kronkelend de bergen in liepen, op zo'n straalvliegtuig dat het blauw doorkliefde waren zij beiden nooit gekomen. En de vrachtwagen neemt de bochten in die weggetjes met het grootste gemak! De vrachtwagen op de laadbak van de vrachtauto die langs de slingerweggetjes omhoogreed was ook rijk beschilderd. Net een bos bloemen... Wolken als plukken watten doorbreken de witte streep achter het straalvliegtuig. Zo schilderde hij vol overgave de beken schitterend wit, maakte het water oogverblindend door zilverachtige spiegelingen. Dan vertroebelde opeens zijn blik, begon zijn rug pijn te doen. Of dat hetzelfde was als het waas dat nu op zijn pupillen lag, was niet duidelijk.
Toen hij hem de kwast in handen gaf had zijn vader gezegd:
'Doe wat je hart je ingeeft. Luister verder nergens naar.'
Nu is ook zijn vader er niet meer. Maar zijn vriend die in de laadbakkenwerkplaats werkt laat nooit verstek gaan. Alleen, hij zegt niet: 'Je bent het hart van de bloem vergeten; je bent de balans in het blauw kwijt.' Al toen hij nog jong was, lang geleden, in de periode voor hij in de laadbakkenmontage ging werken was zijn fascinatie voor al dat water, voor die anjers geleidelijk weggeëbd. Hoe lang was het nu al geleden dat hij enthousiast in zijn handen geklapt had voor een zwaan met opgezette veren op zijn witte vleugels? En dat hij had gezegd: 'En nu daar een zeilboot!' Op zijn lippen had zich een onverschillige grijns vastgezet. De ander wist aanvankelijk niet dat die grijns de uitdrukking was van minachting voor het decoratiewerk. Het deerde hem niet. Hij gaat volledig op in kleur, licht en vorm. Zijn verf vormt zijn repliek. In zijn hart schieten telkens weer heel nieuwe anjers uit de grond. Voortdurend verandert hij het spel van de kroonblaadjes, de zachte kromming van de steeltjes, het geklater van de watervallen. Het misprijzende commentaar van de plaatwerker hoort hij niet.
Op een late namiddag was hij weer zo bij hem komen staan. Hij is net bezig een klein bruggetje over de beek te leggen om daar fluitend overheen te lopen. Een vrolijk liedje op zijn lippen. En dit keer de anjers achter zijn oren. Die zullen als bekroning dienen voor de beek en de fonkelingen van de maan in het water. Ze waren klaar voor gebruik. Dan zou hij de omlijsting maken en alle hoeken van een ster voorzien. 'Alles voor niks,' zei de plaatwerker. 'Verf en nog eens verf. En dat allemaal ter versiering!'
Eerst reageerde hij verbijsterd. Hij had altijd gedacht dat hij met dit koele water zijn vermoeidheid van het carrosseriewerk had weggenomen, dat het hem van binnen en buiten een stevige, verfrissende wasbeurt had gegeven. Opeens voelde hij angst opkomen. Hij keek hem niet aan. Hij vermande zich. Hij trok een van zijn anjers vanachter zijn oor om hem een plek te geven boven aan de beschilderde plank. Een andere, nog in de knop, haalde hij uit zijn hart en gaf hem een plekje onderaan.
De man stond heimelijk te lachen. Maar hij keek niet op. Hij was bang dat er een scheur in zijn enthousiasme zou komen. 'Geschonden enthousiasme laat zich met geen stoplap repareren.' Dat was een uitspraak van zijn grootvader.
Bij een volgend bezoek zei de plaatwerker:
'Is dat nou werk, wat jij doet?'
'Schilder ik dan niet goed? Zijn die zwanen lelijk? Zijn die vogels dood?'
Weer had hij niet opgekeken. En weer had de ander gelachen. Een spottende lach. En zo was hij vertrokken, nog nalachend. Maar omdat hij opeens dacht: 'Laat ik die zwanen wat witter en hun vleugels wat glanzender maken', had hij zijn werk bedorven. Dit was de eerste keer dat hij iets bedierf. Bij zijn vertrek had zijn vriend nog gezegd: 'Bij ons in de werkplaats hoef je alleen het pistool maar in te drukken en heb je in een uurtje een hele laadbak gespoten.' Dat bleef hem door het hoofd spoken. De zon kwam wat bleekjes op. De roos aan het einde van het geitenpaadje was wat overjarig geworden. Er moest ook nog een vlag bij. Maar hij kon niet beslissen waar hij die vlag tussen zou frommelen. Zijn hart vol anjers. Nog altijd klaar voor gebruik. Ze wachtten er nog steeds op daar te worden opgehaald, achter de oren te worden gestoken en daar te worden weggehaald om een plekje in de hoeken te krijgen. Die dag kon hij de moed niet opbrengen. Hij liet de anjers waar ze waren.
Bij een volgend bezoek zei zijn kennis, de plaatwerker:
'Waar dienen die kindertekeningen eigenlijk voor?'
Woedend pakte hij een van de anjers uit zijn hart, maar brak daarbij het steeltje. Hij legde zijn kwast neer:
'Zijn mijn wateren vol waterlelies, mijn bergtoppen in het maanlicht niet het afdoende middel om de eindeloze wegen te verkorten?'
'Er is een nog kortere weg,' zei de ander. 'Eigenaars van auto's en vrachtauto's zitten krap in de tijd. Kijk maar, er komen er steeds minder voor je in de rij staan. Bij ons in de werkplaats leveren we de laadbakken razendsnel af. Waarom zouden ze moeten wachten? Als het er alleen maar om gaat houtrot te voorkomen...'
Dus het gaat er alleen om houtrot te voorkomen... Meer niet? Die meren vol waterlelies stellen dus niets voor? En al die rode anjers met stelen vol knoppen?
'Er zijn altijd nog chauffeurs die deze afbeeldingen wel waarderen,' zei hij met uitgebluste stem.
Hij zette zich weer aan het schilderen van grazige oevers en de bijbehorende witte lammetjes. Weer had de ander gelachen en weer was hij nog nalachend vertrokken. Hij versierde de vlakten waar het zilveren water stroomde met een krans van nog grotere anjers. De stelen waren een beetje doorgebogen. Hij was verbaasd. Die avond wist hij niet hoe gauw hij alle vier de hoeken van een goudgele halvemaan moest voorzien. 'Doe wat je hart je ingeeft, luister verder nergens naar!' Het was de stem van zijn vader. Hij hief zijn hoofd op en keek zijn vader bezorgd aan. 'Hangt de wereld van ons hart af, vader?' vroeg hij. Het antwoord bleef uit. Hij wreef de verf uit, maar te hard.

Al een paar dagen was de plaatwerker niet bij hem langs geweest. Het leek dan ook of de onrust in hem een beetje was geluwd. In zijn hart gingen knop voor knop nieuwe, roze anjers open. Bij het overzetten van de mooiste, roze anjers kleurde hij ze zo rood als een fez. Hij voelde zich moe bij het schilderen. Hij moest deze laadbak vandaag af hebben. Dat lukte hem niet. Iemand die over zijn faam in het beschilderen van laadbakken had gehoord zou zijn laadbak komen brengen om hem te laten opschilderen, omdat de oude verf was afgebladderd, maar hij kwam niet. Misschien morgen...
Toen die morgen aanbrak kwam er geen op te schilderen laadbak, maar verscheen wel opeens de plaatwerker weer. Het liep tegen zonsondergang. Hij kwam rechtstreeks uit de werkplaats. Hij vertelde dat hij in de loop van de dag zes laadbakken had gespoten. In één kleur. 'Je drukt het verfpistool maar in en hup! Je begint vooraan en in een wip ben je aan het andere eind. Dat is pas mannenwerk!' zei hij. Hij had zo lang op hem ingepraat dat hij de controle over zijn kwast had verloren. Hij had het accent vooral op het woordje 'man' gelegd. Dat had hij zeer nadrukkelijk uitgesproken.
De punt van zijn kwast trilde. Een vogel liep een gebroken vleugel op. De vleugel vloog weg. Het lukte hem niet hem te grijpen. Hij voelde een brandende steek achter zijn oor en moest krabben.
'Bovendien is het beschilderen van laadbakken niet genoeg,' zei de ander. 'Je moet ook laadbakken bouwen.'
Hoezo, niet genoeg? Dat begreep hij niet. Wat was er mis met zijn mannelijkheid? Laadbakken bouwen kon hij niet. Hij wist hoe je die moest beschilderen. De anjers uit zijn hart...
'Weet je nog van die oude vrachtwagen met de afgebladderde verf? Die man wilde hem toch door jou met die vogels en bloemen van je laten versieren? Hij heeft zijn laadbak bij ons gebracht. Hij wilde niet minstens een week zonder werk zitten. Hij scheen weer een lading te hebben gekregen. Dus, liever dan te laten beschilderen... Wij hebben hem in één dag groen gespoten en afgeleverd. Over de hele lengte.
Superglans. Hij is heel tevreden vertrokken. En nog goedkoop ook.'
Goedkoop hè? Nog goedkoop ook!
Heel vaag trokken zijn grootvader en zijn vader aan zijn oog voorbij. Alsof er geen spoor van leven in hen was. Ze lieten geen rozen, waterlelies of wat dan ook opbloeien. Geen goudglans over het water. Niets van een kogelronde volle maan die achter de bergtoppen opkomt. Geen spoor van klaterend water.
Hij verzette zich tegen de leegte; hij liet in de weilanden reusachtige margrieten opbloeien.
Voor hem stond de laatste laadbak.
Morgen komen er nieuwe. Nieuwe laadbakken.
Maar het enige wat kwam was een beukenhouten bruidskist. Hij probeerde er zo lang mogelijk over te doen. Om het niet af te laten komen bracht hij op de kist alle kleuren, vormen en glanseffecten aan die hij kende. De anjers gingen in deze wirwar ten onder. Toch wist hij geen einde te maken aan het werk dat hij onder handen had.

Wat is het druk op straat, op de weg. Mensen schouder aan schouder voor de winkels en etalages. Gezichten met nauwelijks kleur, mat, ogen zonder glans:
Mijn werk? Ach, laat maar...

 

Uit: Hadi Gidelim (1982)

Adalet Aðaoðlu (°1929) studeerde Franse Taal en Letterkunde aan de Universiteit van Ankara. Na 1970 publiceerde zij de romans en verhalenbundels die haar tot een van de bekendste schrijvers van Turkije zouden maken.