Adalet Ağaoğlu Anjerloos,
Verhaal. Vertaling: Dick Koopman
Anjerloos
'Mijn werk? Ach, laat maar...' Dat waren de woorden die mijn oren
troffen in de drukte op straat. Niet meer dan dat: Mijn werk? Ach, laat
maar... Zo'n stem zonder steel, met afgevallen kroonblaadjes. Ik keek niet
om. Ik heb niet gezien wie het was.
Een klein baantje dus. Een onbenullig baantje! Tot zijn vriend, die als
plaatwerker in de laadbakkenconstructie werkte, hem 's morgens en 's avonds
opzocht om hem dat met grote hardnekkigheid en veel geduld bij te brengen, was
hij er zich nooit van bewust geweest dat hij onbenullig werk verrichtte. Voor
hemzelf was het wel belangrijk, mooi en goed werk. Het werk waar hij het beste
in was. Hij beschilderde laadbakken van paardenwagens en vrachtauto's. Al dat
groen, geel, blauw en rood, al die rivieren, meren, bergen en anjers sierden ook
zijn innerlijk en verfraaiden zijn dagen. Het moest ook de bestuurders van die
wagens en vrachtauto's blij maken. Waarom zouden ze anders voor hem in de rij
komen staan en waarom zouden ze anders zo aandringen dat het een meer met een
zwaan moest worden? Hij beschilderde elke plank van een laadbak die hem werd
aangeboden. En aan de bloemen, insecten en de omlijsting die hij in kanten
krullen aanbracht voegde hij altijd een anjer toe van zichzelf. Dit was het
beroep van zijn grootvader. Daarna dat van zijn vader. Tijdens het schilderen
van de takken en het aanbrengen van de rietstengels langs de oevers van de meren
verscheen, zomaar midden in de nacht, zijn grootvader in zijn lange, witte
pyjamabroek - je zou zweren dat hij nog leefde - en kwam naast hem staan: 'Je
bent het geklater van het meer vergeten. Vergeet niet de golfjes in het water.
Wrijf de verf goed uit. Dan komt de kleur beter uit,' zei hij dan. 'Maak je er
niet met een Jantje van Leiden van af! Vergeet niet de volle maan in het water
te laten weerspiegelen!' Hij keek hem met fonkelende ogen aan. Ondanks zijn
nietsontziende blik wist hij dat zijn grootvader, net als zijn vader, trots op
hem was. Op die weggetjes die kronkelend de bergen in liepen, op zo'n
straalvliegtuig dat het blauw doorkliefde waren zij beiden nooit gekomen. En de
vrachtwagen neemt de bochten in die weggetjes met het grootste gemak! De
vrachtwagen op de laadbak van de vrachtauto die langs de slingerweggetjes
omhoogreed was ook rijk beschilderd. Net een bos bloemen... Wolken als plukken
watten doorbreken de witte streep achter het straalvliegtuig. Zo schilderde hij
vol overgave de beken schitterend wit, maakte het water oogverblindend door
zilverachtige spiegelingen. Dan vertroebelde opeens zijn blik, begon zijn rug
pijn te doen. Of dat hetzelfde was als het waas dat nu op zijn pupillen lag, was
niet duidelijk. Toen hij hem de kwast in handen gaf had zijn vader
gezegd: 'Doe wat je hart je ingeeft. Luister verder nergens naar.' Nu is
ook zijn vader er niet meer. Maar zijn vriend die in de laadbakkenwerkplaats
werkt laat nooit verstek gaan. Alleen, hij zegt niet: 'Je bent het hart van de
bloem vergeten; je bent de balans in het blauw kwijt.' Al toen hij nog jong was,
lang geleden, in de periode voor hij in de laadbakkenmontage ging werken was
zijn fascinatie voor al dat water, voor die anjers geleidelijk weggeëbd. Hoe
lang was het nu al geleden dat hij enthousiast in zijn handen geklapt had voor
een zwaan met opgezette veren op zijn witte vleugels? En dat hij had gezegd: 'En
nu daar een zeilboot!' Op zijn lippen had zich een onverschillige grijns
vastgezet. De ander wist aanvankelijk niet dat die grijns de uitdrukking was van
minachting voor het decoratiewerk. Het deerde hem niet. Hij gaat volledig op in
kleur, licht en vorm. Zijn verf vormt zijn repliek. In zijn hart schieten
telkens weer heel nieuwe anjers uit de grond. Voortdurend verandert hij het spel
van de kroonblaadjes, de zachte kromming van de steeltjes, het geklater van de
watervallen. Het misprijzende commentaar van de plaatwerker hoort hij
niet. Op een late namiddag was hij weer zo bij hem komen staan. Hij is net
bezig een klein bruggetje over de beek te leggen om daar fluitend overheen te
lopen. Een vrolijk liedje op zijn lippen. En dit keer de anjers achter zijn
oren. Die zullen als bekroning dienen voor de beek en de fonkelingen van de maan
in het water. Ze waren klaar voor gebruik. Dan zou hij de omlijsting maken en
alle hoeken van een ster voorzien. 'Alles voor niks,' zei de plaatwerker. 'Verf
en nog eens verf. En dat allemaal ter versiering!' Eerst reageerde hij
verbijsterd. Hij had altijd gedacht dat hij met dit koele water zijn
vermoeidheid van het carrosseriewerk had weggenomen, dat het hem van binnen en
buiten een stevige, verfrissende wasbeurt had gegeven. Opeens voelde hij angst
opkomen. Hij keek hem niet aan. Hij vermande zich. Hij trok een van zijn anjers
vanachter zijn oor om hem een plek te geven boven aan de beschilderde plank. Een
andere, nog in de knop, haalde hij uit zijn hart en gaf hem een plekje
onderaan. De man stond heimelijk te lachen. Maar hij keek niet op. Hij was
bang dat er een scheur in zijn enthousiasme zou komen. 'Geschonden enthousiasme
laat zich met geen stoplap repareren.' Dat was een uitspraak van zijn
grootvader. Bij een volgend bezoek zei de plaatwerker: 'Is dat nou werk,
wat jij doet?' 'Schilder ik dan niet goed? Zijn die zwanen lelijk? Zijn die
vogels dood?' Weer had hij niet opgekeken. En weer had de ander gelachen. Een
spottende lach. En zo was hij vertrokken, nog nalachend. Maar omdat hij opeens
dacht: 'Laat ik die zwanen wat witter en hun vleugels wat glanzender maken', had
hij zijn werk bedorven. Dit was de eerste keer dat hij iets bedierf. Bij zijn
vertrek had zijn vriend nog gezegd: 'Bij ons in de werkplaats hoef je alleen het
pistool maar in te drukken en heb je in een uurtje een hele laadbak gespoten.'
Dat bleef hem door het hoofd spoken. De zon kwam wat bleekjes op. De roos aan
het einde van het geitenpaadje was wat overjarig geworden. Er moest ook nog een
vlag bij. Maar hij kon niet beslissen waar hij die vlag tussen zou frommelen.
Zijn hart vol anjers. Nog altijd klaar voor gebruik. Ze wachtten er nog steeds
op daar te worden opgehaald, achter de oren te worden gestoken en daar te worden
weggehaald om een plekje in de hoeken te krijgen. Die dag kon hij de moed niet
opbrengen. Hij liet de anjers waar ze waren. Bij een volgend bezoek zei zijn
kennis, de plaatwerker: 'Waar dienen die kindertekeningen eigenlijk
voor?' Woedend pakte hij een van de anjers uit zijn hart, maar brak daarbij
het steeltje. Hij legde zijn kwast neer: 'Zijn mijn wateren vol waterlelies,
mijn bergtoppen in het maanlicht niet het afdoende middel om de eindeloze wegen
te verkorten?' 'Er is een nog kortere weg,' zei de ander. 'Eigenaars van
auto's en vrachtauto's zitten krap in de tijd. Kijk maar, er komen er steeds
minder voor je in de rij staan. Bij ons in de werkplaats leveren we de
laadbakken razendsnel af. Waarom zouden ze moeten wachten? Als het er alleen
maar om gaat houtrot te voorkomen...' Dus het gaat er alleen om houtrot te
voorkomen... Meer niet? Die meren vol waterlelies stellen dus niets voor? En al
die rode anjers met stelen vol knoppen? 'Er zijn altijd nog chauffeurs die
deze afbeeldingen wel waarderen,' zei hij met uitgebluste stem. Hij zette
zich weer aan het schilderen van grazige oevers en de bijbehorende witte
lammetjes. Weer had de ander gelachen en weer was hij nog nalachend vertrokken.
Hij versierde de vlakten waar het zilveren water stroomde met een krans van nog
grotere anjers. De stelen waren een beetje doorgebogen. Hij was verbaasd. Die
avond wist hij niet hoe gauw hij alle vier de hoeken van een goudgele halvemaan
moest voorzien. 'Doe wat je hart je ingeeft, luister verder nergens naar!' Het
was de stem van zijn vader. Hij hief zijn hoofd op en keek zijn vader bezorgd
aan. 'Hangt de wereld van ons hart af, vader?' vroeg hij. Het antwoord bleef
uit. Hij wreef de verf uit, maar te hard.
Al een paar dagen was de plaatwerker niet bij hem langs geweest. Het leek dan
ook of de onrust in hem een beetje was geluwd. In zijn hart gingen knop voor
knop nieuwe, roze anjers open. Bij het overzetten van de mooiste, roze anjers
kleurde hij ze zo rood als een fez. Hij voelde zich moe bij het schilderen. Hij
moest deze laadbak vandaag af hebben. Dat lukte hem niet. Iemand die over zijn
faam in het beschilderen van laadbakken had gehoord zou zijn laadbak komen
brengen om hem te laten opschilderen, omdat de oude verf was afgebladderd, maar
hij kwam niet. Misschien morgen... Toen die morgen aanbrak kwam er geen op te
schilderen laadbak, maar verscheen wel opeens de plaatwerker weer. Het liep
tegen zonsondergang. Hij kwam rechtstreeks uit de werkplaats. Hij vertelde dat
hij in de loop van de dag zes laadbakken had gespoten. In één kleur. 'Je drukt
het verfpistool maar in en hup! Je begint vooraan en in een wip ben je aan het
andere eind. Dat is pas mannenwerk!' zei hij. Hij had zo lang op hem ingepraat
dat hij de controle over zijn kwast had verloren. Hij had het accent vooral op
het woordje 'man' gelegd. Dat had hij zeer nadrukkelijk uitgesproken. De punt
van zijn kwast trilde. Een vogel liep een gebroken vleugel op. De vleugel vloog
weg. Het lukte hem niet hem te grijpen. Hij voelde een brandende steek achter
zijn oor en moest krabben. 'Bovendien is het beschilderen van laadbakken niet
genoeg,' zei de ander. 'Je moet ook laadbakken bouwen.' Hoezo, niet genoeg?
Dat begreep hij niet. Wat was er mis met zijn mannelijkheid? Laadbakken bouwen
kon hij niet. Hij wist hoe je die moest beschilderen. De anjers uit zijn
hart... 'Weet je nog van die oude vrachtwagen met de afgebladderde verf? Die
man wilde hem toch door jou met die vogels en bloemen van je laten versieren?
Hij heeft zijn laadbak bij ons gebracht. Hij wilde niet minstens een week zonder
werk zitten. Hij scheen weer een lading te hebben gekregen. Dus, liever dan te
laten beschilderen... Wij hebben hem in één dag groen gespoten en afgeleverd.
Over de hele lengte. Superglans. Hij is heel tevreden vertrokken. En nog
goedkoop ook.' Goedkoop hè? Nog goedkoop ook! Heel vaag trokken zijn
grootvader en zijn vader aan zijn oog voorbij. Alsof er geen spoor van leven in
hen was. Ze lieten geen rozen, waterlelies of wat dan ook opbloeien. Geen
goudglans over het water. Niets van een kogelronde volle maan die achter de
bergtoppen opkomt. Geen spoor van klaterend water. Hij verzette zich tegen de
leegte; hij liet in de weilanden reusachtige margrieten opbloeien. Voor hem
stond de laatste laadbak. Morgen komen er nieuwe. Nieuwe laadbakken. Maar
het enige wat kwam was een beukenhouten bruidskist. Hij probeerde er zo lang
mogelijk over te doen. Om het niet af te laten komen bracht hij op de kist alle
kleuren, vormen en glanseffecten aan die hij kende. De anjers gingen in deze
wirwar ten onder. Toch wist hij geen einde te maken aan het werk dat hij onder
handen had.
Wat is het druk op straat, op de weg. Mensen schouder aan schouder voor de
winkels en etalages. Gezichten met nauwelijks kleur, mat, ogen zonder
glans: Mijn werk? Ach, laat maar...
Uit: Hadi Gidelim (1982)
Adalet Aðaoðlu (°1929) studeerde Franse Taal en Letterkunde
aan de Universiteit van Ankara. Na 1970 publiceerde zij de romans en
verhalenbundels die haar tot een van de bekendste schrijvers van Turkije zouden
maken.