Feit en f(r)ictie Literaire Non-fictie in de Lage Landen
nr.111 - december 2004
VOORAF
Wanneer verdient een boek het predikaat 'literair'? Het is een vraag die in
kringen van literatuurwetenschappers wel eens tot verhitte discussies leidt.
Er was een tijd - niet eens zo lang geleden - dat het literaire gehalte van
een boek vooral afgemeten werd aan de verhouding tussen inhoud en verwoording.
In niet-literaire teksten zou het eerder gaan om wat verteld wordt, terwijl
literaire boeken het vooral moeten hebben van de vorm waarin iets verteld wordt.
Die hardnekkige vooronderstelling lijkt nog steeds voort te leven in de tweedeling
'fictie' / 'non-fictie' die in de toptienen van literaire bladen en boekenbijlagen
steevast gehanteerd wordt. Ambitieuze literatuur belandt gewoonlijk in de rubriek
'fictie', terwijl boeken die een welomschreven aspect van de werkelijkheid als
onderwerp hebben, veelal een plaatsje krijgen in de vergaarbak van de non-fictie.
Op de keper beschouwd is die tweedeling uiteraard moeilijk vol te houden. Enerzijds
is in zgn. bellettrie de scheidslijn tussen feit en fictie vaak moeilijk te
trekken, anderzijds hebben boeken die als non-fictie zijn opgevat vaak een uitgesproken
'literaire' uitstraling.
Voor het ongemeen boeiende grensgebied dat zich uitstrekt tussen het domein
van de fictie en de lappendeken van de non-fictie bestaat sinds enige tijd een
(nieuwe) naam: literaire non-fictie, oftewel - zoals David Van Reybrouck schrijft
in het opiniestuk dat deze focus opent - 'dat moeilijk te omschrijven genre
van boeken die de historische en actuele werkelijkheid tot thema hebben gemaakt,
maar over die onderwerpen schrijven met de schwung en gedrevenheid van literair
proza'. Dat dergelijke niet-fictionele werken in ons taalgebied op almaar meer
bijval kunnen rekenen, blijkt uit de vele non-fictietitels die de voorbije jaren
op de shortlists van belangrijke literaire prijzen prijkten. Toch is het bedrijven
van dergelijke literatuur allesbehalve een vanzelfsprekendheid, niet alleen
in Nederland, maar ook en vooral in Vlaanderen, niet in de laatste plaats omdat
auteurs van 'literaire non-fictie' nog te vaak tussen twee (of zelfs drie) stoelen
vallen: die van wetenschap, journalistiek en literatuur. In samenwerking met
het Fonds Pascal Decroos, dat al enige jaren ondersteuning biedt aan bijzondere
journalistieke projecten, ook op het vlak van literaire journalistiek, deed
de redactie een oproep aan wetenschappers, journalisten en auteurs om zich aan
het schrijven van literaire non-fictie te wagen. Wetenschapsfilosoof Nargilah
V.H. (een allesbehalve fictief pseudoniem) bijt de spits af met een stuk over
het boek The Meme Machine van Susan Blackmore. De Nederlandse journalist Henk
Boom kruipt vervolgens in de huid van een zestiende-eeuwse Brabantse kroniekschrijver
en interviewt in die hoedanigheid Macchiavelli. Kunstenares en essayiste Nicole
Montage laat zich in haar stuk inspireren door het eerder dit jaar in het Nederlands
vertaalde De Katalinstraat van Magda Szabó. Ger Groot grasduint op zijn
beurt in de Nederlandstalige literaire non-fictie van de voorbije tien jaar
en maakt de balans op. Aansluitend laten de Nederlandse essayiste Joke Hermsen
en de Vlamingen Joris Van Bladel en Erik Raspoet (respectievelijk slavist en
journalist) hun licht schijnen over uiteenlopende non-fictiefenomenen als Peter
Sloterdijk, de Russische geheime dienst anno 2000 en de Brusselse hondenpopulatie.
Het laatste woord is aan Frank Westerman, een van de coryfeeën van de Nederlandse
literaire non-fictie, die van goede literatuur vooral veel 'frictie' verwacht
en er meteen ook voor pleit het etiket 'fictionaliteit' in de categorisering
en beoordeling van literatuur overboord te gooien.
Tja, en dan wordt het moeilijk voor ons om consequent te blijven, want de term
'fictie' zouden we dan niet meer mogen gebruiken voor het andere gedeelte van
dit nummer, onze oogst aan inzendingen, die stuk voor stuk zo fictioneel zijn
als het maar kan. Hoe het ook zij, wij hopen dat u ook valt voor onze keuze
aan poëzie: Cathérine De Kock (met Histoire d'O; als dat geen titel
is die frictie oproept!), drie gedichten voor drie dagen van Mark Bruynseel,
Jozua Douglas, bij wie er vogels tussen de lijntjes vliegen, Kees Henniphof,
die gezeten op een grijze stadskameel poëzie maakt, de fijne landschapsportretjes
van de Oost-Belgische Leo Gillessen, de prachtige beelden in de gedichten van
de Britse Selima Hill: 'In mijn dromen breng ik varkens weer tot leven.' Het
proza komt uitsluitend uit het buitenland: twee Mexicaanse verhalen van auteurs
die hier nog volslagen onbekend zijn maar dat vermoedelijk niet zullen blijven,
en, als een geestige kers op de taart, een schitterend verhaal van de Italiaanse
'jonge kannibaal' Tiziano Scarpa: 'De wonderlijke geschiedenis van Samuel J.
Konigsberg, de man die in zijn eigen penis verhuisde.'
Wij hopen dat al deze feiten voldoende frictie oproepen om uw leeszin gaande
te houden.