Feit en f(r)ictie Literaire Non-fictie in de Lage Landen
nr.111 - december 2004
David van Reybrouck
Tussen werktafel en nachtkastje,
Literaire non-fictie in Vlaanderen
Essay
Thuis heb ik twee boekenkasten staan. Links van de schouw, dicht bij de werktafel,
staat de non-fictie. Rechts ervan, bij de fauteuils, de fictie. Het is een rudimentaire
indeling, maar zoals elke categorisatie verschaft ze mij de prettige illusie
van orde. Ik ben er dan ook tamelijk rigide in: links komen de boeken over geschiedenis,
archeologie en biologie; rechts de romans, de novellen en de dichtbundels. De
ene komen niet verder dan mijn werktafel, de andere belanden op mijn nachtkastje.
De ene raadpleeg ik, de andere koester ik.
Toch is er een half plankje vervelende boeken dat eens per halfjaar van kast
verhuist. Ik weet er geen weg mee. En wat nog vervelender is: een aantal van
mijn favoriete boeken behoort ertoe. Maar wat me helemaal dwarszit, is dat daar
zo weinig Vlamingen tussen zitten. Ik heb het over 'literaire non-fictie', dat
moeilijk te omschrijven genre van boeken die de historische en actuele werkelijkheid
tot thema hebben gemaakt, maar over die onderwerpen schrijven met de schwung
en gedrevenheid van literair proza. Literaire non-fictie begeeft zich in het
braakliggende niemandsland tussen de percelen van het essay, de populaire wetenschap,
de reportage, het reisverhaal, de onderzoeksjournalistiek en de biografie.
In Engeland weten ze er wel weg mee. De afgelopen jaren hebben we ons mogen
laven aan een nimmer opdrogende stroom van boekwerkjes over de geschiedenis
van de tulp, van het kussen, van de mug, van de haring, van de kleur lila, van
de eerste giraf in Europa. Dichter bij huis, in Nederland, is het genre in de
voorbije tien jaar tot ongekende bloei gekomen. Bovenaan de lijst van de non-fictieauteurs
prijkt de figuur van Geert Mak. Met zijn boeken over de geschiedenis van Amsterdam
(Een kleine geschiedenis van Amsterdam), de teloorgang van de Friese plattelandssamenleving
(Hoe God verdween uit Jorwerd), het Nederlandse gezinsleven in de twintigste
eeuw (De eeuw van mijn vader) en het wedervaren van het avondland in diezelfde
periode (In Europa: reizen door de twintigste eeuw) is hij zonder meer de succesvolste
literaire non-fictieschrijver in het Nederlandse taalgebied. Van De eeuw van
mijn vader werden maar liefst 350.000 exemplaren verkocht. Zelden haalde een
non-fictieboek zo'n hoge oplage. Maar daarnaast is er Tijs Goldschmidt, die
in Darwins hofvijver verhaalde over zijn biologisch veldwerk in het Victoriameer
en reportage-elementen afwisselde met beschouwingen over de evolutietheorie.
Het werk werd inmiddels vertaald in het Engels, Frans, Duits, Italiaans, Pools,
Japans en Chinees. En dan is er Frank Westerman. Na zijn onvolprezen De graanrepubliek
- een meeslepende studie over de landbouw in Groningen en de landbouwpolitiek
van de Europese Commissie - verscheen het fascinerende werk Ingenieurs van de
ziel, over de rol van literatoren in het stalinisme (ondertussen verschenen
in het Frans, Duits, Engels, Italiaans en Spaans) en El negro en ik, over de
geschiedenis van de fysische antropologie. Van de Groningse psycholoog Douwe
Draaisma werd het zeer lezenswaardige De metaforenmachine (over het menselijk
geheugen) vertaald in het Pools, Spaans, Engels, Duits, Hongaars, Tsjechisch
en Japans; zijn bestseller Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt
is inmiddels verkrijgbaar in het Engels, Duits, Hongaars en Italiaans. Literaire
non-fictie in Nederland is de laatste jaren een echt exportproduct geworden.
Maar in Vlaanderen? Ik laat mijn ogen over het twijfelplankje van mijn boekenkast
glijden. Er wordt opvallend weinig Zuid-Nederlands gesproken, daar bij dat groepje
pendelaars. Ja, er zijn de voortreffelijke essays van Patricia De Martelaere,
die academische filosofie naar een breder publiek vertalen. Er staan inspirerende
werken van Van Istendael, Reynebeau en De Stoop bij. En mooie kunstkritieken
van Leen Huet en Bernard Dewulf. Maar dan heb je het wel zo ongeveer gehad.
De koffietafelboeken over wandtapijten en begijnhoven die het Davidsfonds door
Leuvense hoogleraren laat schrijven tellen niet mee: dat zijn vaak eerstejaarscursussen,
opgefleurd met een karrenvracht vierkleurenplaatjes. Vanwaar die schaarste?
Vanwaar dat lege middenveld tussen fictie en non-fictie, tussen wetenschap en
letterkunde, tussen kennis en leesplezier? Hoe komt dat?
Een en ander is natuurlijk te verklaren doordat er in Engeland en Nederland
veel langere tradities bestaan van wat nu zo hip als 'literaire non-fictie'
wordt omschreven. De literaire biografie is in Engeland een begrip, al meer
dan een eeuw lang. En al vanaf de jaren zestig verdienen science writers hun
brood met populariserende wetenschap over sterrenkunde, paleontologie en genetica.
De Nederlandse letterkunde wordt dan weer gekenmerkt door een lange traditie
van de literaire historiografie en het polemische essay. Huizinga's Herfsttij
der Middeleeuwen uit 1919, de essays van Ter Braak en Du Perron uit het interbellum,
de geslepen werken waarmee Karel van het Reve ons de Russische literatuur blootlegde
noem ze voorlopers, uitvinders of vaandeldragers, maar allen schreven ze met
virtuoze pennen over pertinente onderwerpen. Op zo'n traditie kunnen we in Vlaanderen
niet bogen en het heeft ook geen zin er lijdzaam op te zitten wachten. Maar
veel belangrijker dan het gebrek aan traditie is het ontbreken van de nodige
structuren die een dergelijk genre vandaag wel mogelijk zouden maken. Sterker
zelfs, wie de vijvers bekijkt waaruit dat talent voor literaire non-fictie gevist
zou moeten worden, stelt vast dat de bestaande structuren ze min of meer stelselmatig
draineren. De academische wereld, de journalistiek, de literatuur: het is toch
allemaal een beetje spartelen op het droge.
Wetenschappers worden haast nog uitsluitend beoordeeld op het aantal en het
prestige van hun academische publicaties. Het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek,
de belangrijkste instantie in deze materie, en in hun zijn kielzog de universiteiten
hanteren daarbij een rangschikking die gaat van publicaties in internationale,
gerenommeerde tijdschriften met leescomité (hoogste quotering) tot interne
verslagen (laagste quotering). 'Vulgariserende publicaties' - een term die op
zich al een zeker dédain inhoudt - bungelen onderaan tussen de recensies,
de bijdragen aan woordenboeken en de paria's van de wetenschappelijke literatuur:
de interne verslagen. Hoezeer ze ook op wetenschappelijk onderzoek gestoeld
mogen zijn, hoezeer hun literaire schrijfstijl zich ook mag onttrekken aan het
obligate en soms lachwekkende jargon van de vakwetenschap, ze tellen niet mee.
Volgens dergelijke maatstaven zou Huizinga vandaag slecht scoren: hij schreef
in het Nederlands, een erg literair Nederlands overigens, voor een publiek dat
niet noodzakelijk gepromoveerd hoefde te zijn op de geschiedenis van de late
Middeleeuwen.
Bovendien heerst aan veel Vlaamse universiteiten nog vaak een wetenschapsopvatting
- die slechts een van de mogelijke is en die haast aandoenlijk is in haar ouderwets
optimisme - dat kennis alleen vordert door minuscule kruimeltjes scrupuleus
op te stapelen tot er zoiets als een bergje 'waarheid' ontstaat. Kennis is accumulatief,
inzicht hangt af van expertise, expertise hangt af van monomanie. Die kleffe
broodpudding van aangepapte en samengeklonterde brokjes oud, herkauwd brood
met hier en daar een glinsterend stukje gekonfijt fruit tussendoor, dat is wetenschap.
Toen Sophie de Schaepdrijver, auteur van het magistrale De Groote Oorlog, ooit
tijdens haar voorbereiding aan een collega vertelde dat ze een boek aan het
schrijven was over België in de Eerste Wereldoorlog kreeg ze te horen:
'Héél België? Héél de oorlog? Ge gaat daar
veel kritiek op krijgen.' Wie eventjes de telelens vervangt door een breedhoekperspectief
lijkt op zijn donder te krijgen. Het is dat ikzelf het geluk heb gehad in een
werkomgeving beland te zijn die voldoende gewatteerd is tegen dat soort microscopische
en carrièristische universitaire mores, anders was De plaag er nooit
gekomen.
Of er uit de tweede kweekvijver, die van de literatuur, veel te verwachten
valt, kan ik moeilijk inschatten. Ik stel alleen vast dat er in het Nederlandstalig
verhalend proza vaak veel minder aandacht wordt besteed aan basale research
dan in buitenlandse bellettrie. Jeroen Brouwers' indrukwekkende Geheime kamers
werd terecht geprezen voor zijn structuur, thematiek en verhaallijn, maar het
blundert aan alle kanten als hij zijn hoofdpersonage, een hoogleraar geologie,
paleontologie of archeologie (het is nooit helemaal duidelijk) academische faam
laat verwerven door hem ergens in een Ardense grot 'een steen' te laten vinden.
Een steen dus, en bijgevolg: een internationale reputatie. Bon. Kan het iets
accurater, preciezer, en dus plausibeler? De karigheid van dat soort informatie
steekt af bij het enorme vooronderzoek waar Britse schrijvers zoals A.S. Byatt,
Michael Frayn of Kazuo Ishiguro blijk van plegen te geven. Per Olov Enquist,
de éminence grise van de Zweedse letteren, bedacht inmiddels de term
'non-fiction novels' voor zijn geheel en al op archiefonderzoek gebaseerde romans.
Wetenschappers wagen zich niet alleen zelden aan literair verantwoorde teksten,
ook literatoren halen soms hun neus op om tijdens hun documentatiefase eens
een wetenschappelijk tekstboek door te bladeren.
Moeten we onze hoop dan vestigen op de journalisten, dat volk dat van nature
generalistischer denkt en publieksvriendelijker schrijft? Dat zou wel eens kunnen
tegenvallen, want journalisten worden ook niet bepaald gestimuleerd als ze werk
van langere adem willen aanvatten. Zij die vaste redacteur zijn bij een krant
of dagblad krijgen doorgaans weinig gelegenheid om in de wereld van krappe deadlines,
smalle budgetten en snelle berichtgeving een werk van grotere omvang aan te
vatten - zeker op een moment dat de bemensing van redacties omgekeerd evenredig
evolueert met de werkdruk. Dat die redacties zelf zo'n omvangrijker project
zouden steunen is eerder onwaarschijnlijk wanneer het niet meteen gaat om actuele
onderwerpen met een belangrijk scoop-potentieel.
En de kikkerpoel van de freelance journalistiek, zullen we daar onze netten
uitgooien? Het is maar zeer de vraag. Want zal die lompenproletariër van
de verslaggeving de kraan van de onregelmatig binnendruppelende vergoedingen
helemaal dichtdraaien om zich in te graven in een onzeker onderwerp dat algauw
een halfjaar werk en meer dan tienduizend euro vergt? Welke freelancer is daar,
zonder externe steun, toe in staat? Kortom, het gat blijft gapen. Verloren tussen
faculteit, bellettrie en schrijvende pers staat de literaire non-fictie nog
steeds in de kou.
Gelukkig zijn er de afgelopen jaren een aantal gunstige ontwikkelingen op te
tekenen. In 1999 werd het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek
opgericht. Dit fonds, een initiatief van de nabestaanden en vrienden van de
verongelukte onderzoeksjournalist Pascal Decroos, wordt gesubsidieerd door het
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en is daarmee de facto Vlaanderens formele
subsidiegever voor bijzondere journalistieke projecten geworden. Vlaanderen
beschikt daardoor eindelijk over een equivalent van het Nederlandse Fonds voor
Bijzondere Journalistieke Projecten (FBJP). In de afgelopen jaren hebben zo'n
140 journalisten, voornamelijk freelancers, financiële steun gekregen om
een project uit te voeren dat door de reguliere media niet gedragen kon worden.
Het gaat hierbij zowel om documentaires, radioprogramma's als artikels in kranten
en tijdschriften. Uiteraard beoogt het Fonds Pascal Decroos in eerste instantie
een journalistiek eindresultaat, maar wat de schrijvende pers betreft heeft
het niettemin een aantal werken opgeleverd die even literair als journalistiek
waren (De bres van Chris De Stoop, mijn eigen De plaag).
Slaat het Fonds Pascal Decroos op die manier soms een brug tussen journalistiek
en literatuur, daarnaast streeft het uitdrukkelijk naar een toenadering tussen
universiteit en journalistiek. In 2003 werd door het Fonds voor het eerst de
Vlaamse scriptieprijs uitgereikt, een onderscheiding voor de beste eindverhandelingen
van het afgelopen academiejaar. Met een jury, samengesteld uit wetenschappelijke
en journalistieke personaliteiten, motiveert men aldus jonge onderzoekers om
hun werk ruimere bekendheid te geven. Het is nog te vroeg om de vruchten hiervan
te plukken, maar als deze prijs een jaarlijkse traditie wordt, zal daar vroeg
of laat literaire non-fictie ontkiemen.
Een andere, structurele ontwikkeling betreft het Vlaams Fonds voor de Letteren,
dat vanaf 2000 operationeel is. Dit fonds, opgericht onder cultuurminister Anciaux,
moest in eerste instantie een eind maken aan het jarenlange gepolitiseerde subsidiebeleid.
Met transparante procedures, onafhankelijke adviescommissies en een behoorlijk
budget heeft het zonder meer voor een gunstige professionalisering van de literaire
sector gezorgd. Literaire non-fictie wordt gesubsidieerd in de vorm van steun
aan auteurs, vertalers en uitgevers. Wie als non-fictieauteur een beurs aanvraagt,
wordt beoordeeld door de commissie die bevoegd is voor poëzie, essay en
theater. Sinds 2002 echter wordt, onder impuls van de Nederlandse Fonds voor
de Letteren, één subgenre van de literaire non-fictie extra gestimuleerd:
de literaire biografie.
Dit zijn structurele verbeteringen, al blijft het gevaar van een lacune bestaan.
Het is niet ondenkbeeldig dat het Fonds Pascal Decroos een project afwijst omdat
het niet journalistiek genoeg is, terwijl het bij het Vlaams Fonds voor de Letteren
achter het net vist omdat het niet literair genoeg is. Literaire non-fictie
is en blijft een grensgeval. Dat maakt het juist zo interessant om te lezen,
maar daardoor des te moeizamer om te financieren. Een groot deel van die moeizaamheid
komt ongetwijfeld voort uit de vaagheid van wat onder de term 'literair' wordt
verstaan. Het spreekt voor zich dat het Vlaams Fonds voor de Letteren, als officieel
werkinstrument van de overheid voor het letterenbeleid, werk moet stimuleren
dat literaire eigenschappen bezit. Maar wat die eigenschappen precies zijn,
valt moeilijk uit te maken. De literaire waarde van een werk (zeker wanneer
het zich nog in een projectfase bevindt) is geen absolute of meetbare eigenschap,
maar een esthetisch oordeel, gestoeld op sociale conventies over een historisch
gegroeid repertorium van stilistische kenmerken. 'Literair' is dat wat als 'literair'
bekeken wordt. Er is geen formele grens tussen literaire en niet-literaire teksten.
Niet alles wat een schrijver schrijft is literair, soms pleegt een kleuter wereldliteratuur.
En wat nu literair heet, is later vaak kitsch.
Omwille van die principiële ondefinieerbaarheid van het 'literaire' is
een voorzichtig pragmatisme bij het evalueren van projectaanvragen geboden.
Voorzichtig, omdat pragmatiek niet mag ontaarden in de willekeur die een ouder
letterenbeleid soms kenmerkte. Maar indien een belangwekkend non-fictieproject
van een competent auteur dreigt te stranden door geldgebrek, dan zou het Vlaams
Fonds voor de Letteren niet mogen aarzelen om bij te springen. In de praktijk
komt het dan vaak neer op een afweging van de verwachte waarde van een werk
versus de beschikbare middelen. Om een fictief voorbeeld te geven: stel dat
Luc Huyse geen hoogleraar was geweest toen hij van plan was om zijn werk Over
politiek te schrijven, dan had hij elders middelen moeten zien te vinden. Bij
het Fonds Pascal Decroos zou men misschien geaarzeld hebben omdat het hier niet
om projectmatige onderzoeksjournalistiek ging. Bij het Vlaams Fonds voor de
Letteren zou men wellicht nog meer getwijfeld hebben aangezien het geen 'literair'
werk betrof. Maar dat het bijzonder belangrijk is dat dit soort werk (een grondige
analyse van de Belgische politiek vanuit een langetermijnperspectief) verschijnt,
staat buiten kijf. Het zou onvergeeflijk zijn indien dit soort publicaties tussen
de wal en het schip van de diverse subsidiegevers verdwijnt (nog afgezien van
het feit dat de geserreerde, wendbare vertelstijl van Huyse, om bij dit voorbeeld
te blijven, in mijn ogen zonder meer literair genoemd kan worden).
Literaire non-fictie in Vlaanderen kan niet bogen op een lange traditie. Het
gaat er niet om snel wat middelen bij elkaar te schrapen om een Angelsaksisch
succesgenre van de afgelopen jaren hier te introduceren. Het gaat om adequate
structuren in het heden die bestaande tendensen versterken en stimuleren. Dat
betekent o.a. subsidies voor journalisten, ruimere evaluatiecriteria voor academici,
een aanmoediging tot research bij literatoren en een inspanning om 'literatuur'
niet eng als bellettrie op te vatten. Voorspellen hoe de toestand van de literaire
non-fictie in Vlaanderen zal evolueren, is koffiedik kijken. Maar ik kijk in
ieder geval uit naar het moment waarop ik tussen mijn twee kasten een derde
mag timmeren. In plaats van de tochtige schouw komt er dan de behaaglijke warmte
van een wandje ruggen die zowel op de werktafel als op het nachtkastje geslingerd
hebben.
[Deze tekst is de grondig herwerkte versie van een essay dat verscheen in de
Nieuwsbrief van het Fonds Pascal Decroos (december 2001).]
David van Reybrouck (°1971) is schrijver, cultuurhistoricus en archeoloog.
Hij is verbonden aan de Katholieke Universiteit Leuven en publiceert als freelancer
in De Morgen.