Feit en f(r)ictie
Literaire Non-fictie in de Lage Landen

nr.111 - december 2004

Erik Raspoet
Brussel, een hondleiding

Essay

Serendip is een oude naam voor Sri Lanka, een naam gebaseerd op het Perzische sprookje 'De drie prinsjes van Serendip'. Deze drie reislustige koningskinderen hadden een uitzonderlijk talent: tijdens hun omzwervingen deden ze allerlei toevallige ontdekkingen, zoals onbekende eilanden en verborgen schatten. Dankzij de Britse schrijver Horace Walpole, die het woord in de achttiende eeuw lanceerde, staat serendipiteit nu voor de kunst zaken te ontdekken die men niet zocht. Juist dat wonderlijke fenomeen heeft me naar de Brusselse straathonden geleid. Het overviel me tijdens de voorbereiding van een lezing in het cultureel centrum De Markten, een lezing die volgens de wensen van de opdrachtgever gebaseerd diende te zijn op het digitale klankarchief van Brussel Behoort Ons Toe, waarin gesprekken met honderden Brusselaars van diverse pluimage zitten.

Dit was mijn plan: ik zou Brussel bekijken door de ogen van een trambestuurder. Zorgvuldig selecteerde ik alle klankfragmenten die naar trams verwezen. Er zaten pareltjes tussen, zoals de vierentachtigjarige dame die over haar carrièredebuut als stenodactylo bij het ministerie van Economische Zaken vertelt. Bedrijfskantines bestonden blijkbaar nog niet. Bij regen of sneeuw worstelden de vrouwen die de lagere regionen van de ambtenarij bevolkten met een acuut probleem. Hoe de twee uur durende lunchpauze overbruggen? Het was oorlog, of het scheelde niet veel. De boterhammen waren met smout belegd, de koffie smaakte naar ersatz, en in de panty's zaten lelijke ladders. Er was kortom geen geld om de hele tijd in de Innovation of de Bon Marché rond te hangen. De jongedames vonden er wat op. Tram 15, een reeds lang opgedoekte lijn die een ruime lus rond de Brusselse vijfhoek beschreef, bood zowel beschutting als vermaak. Een ticket kostte tweeënhalve frank, eenmaal betaald liet de receveur zijn passagiers met rust. En zo werden de loze uren gedood. Taterend onder elkaar, of starend door het raam naar het Abattoir of de Hallepoort, die al voor de vierde keer voorbijgleden.

Het carrousel der stenodactylo's, ik hield wel van dat beeld. Toch was het diezelfde tramlijn die mijn oorspronkelijke plan aan het wankelen bracht. De hond deed zijn blijde intrede, door de open deur van de 15. Hoe dat precies gebeurde, werd door een anonieme herbergier verteld, in een Brussels Frans dat in deze transcriptie helaas veel aan smeuïgheid inboet. 'Mon beau-père travaillait au tram. Il faisait le 15, et le 15 faisait le tour de Bruxelles. Et il avait un chien qui s'appelait Dolly, ou quelque chose dans ce genre. Il tremblait toujours, pas de froid, mais de vieillesse. Et il attendait mon beau-père, à la rue Blaes. Et quand mon beau-père faisait dring dring, le chien montait sur le tram, et il faisait le tour avec lui. Et quand ils revenaient devant-la même place, hup, le chien descendait.'

Aardig verhaal over een pienter hondje, dacht ik na een eerste beluistering. Wellicht was het daarbij gebleven, ware het niet dat ik kort nadien opnieuw met het buitensporige gedrag der Brusselse stratiers werd geconfronteerd. De bron was deze keer Bob, een bijna pensioengerechtigde trambestuurder die zijn schokkende verhaal deed in een benaderend Nederlands waarin charmante anomalieën niet ontbraken. 'Die hond kwam alleen, zonder niemand. Die kwam alleen op de tram, de 39 of de 40, ik weet het niet meer. Die had een abonnement aan zijn nek, attaché à son cou. We kenden hem allemaal. Die hond kwam op zonder niemand en ging eraf zonder niemand, altijd aan dezelfde halte. Aan welke halte hij afging, dat weet ik niet meer, maar ik denk wel dat het de halte Groene Hond was, in Sint-Pieters Woluwe.'

Prins Laurent
Na dat interview hakte ik de knoop door. Niet de trambestuurder, maar de Brusselse straathond moest het onderwerp van mijn vertelling worden. Mijn nieuwsgierigheid was danig geprikkeld. Wat maakt de Brusselse straathond zo bijzonder? Is hij echt slimmer dan de gemiddelde rashond? En waarom werd hij tot symbool van de Brusselse volksaard verheven? Gedreven door deze prangende kwesties, vatte ik mijn queeste aan. Om te beginnen voedde ik de computer van Brussel Behoort Ons Toe met een nieuwe zoekopdracht, chien-hond. Behalve eindeloze jammerklachten over poep op de stoep, leverde deze operatie enkele getuigenissen op die een verhelderend licht wierpen op mijn onderwerp. Weinig aristocratisch, de beginselen van het anarchisme genegen, gepokt en gemazeld in de nobele kunst der plantrekkerij, dat is in een notendop de Brusselse straathond. Over zijn kwaliteiten als waakhond bestaan grote twijfels. Bij gevaar keft hij amechtig, maar wel op een veilige afstand. Laat dat stoer doen maar over aan Duitse schepers, Dobermannen en andere raszuivere patsers. Brusselse straathonden zijn niet gek. Liever blode Bobby dan dode Bobby.

Met deze robotfoto in het achterhoofd ben ik naar de Marollen getrokken. Waarom de Marollen? Niet omdat ze de bakermat zijn van de tweebenige zinnekes, de Brusselaars die met trots de geuzennaam van hun verbasterde vierpoters dragen. Wel omdat ik in deze volkse buurt over een gewichtige bondgenoot beschik in de gedaante van prins Laurent. Immers, is Zijne Koninklijke Hoogheid niet de auteur van het veelgeprezen boek De hond als gids in de kunst en in de stad? Ik vond het werk in de hoofdstedelijke bibliotheek, op de afdeling cultuurfilosofie, waar prins Laurent een plank deelt met onder anderen Michel Foucault, Georges Bataille, Camille Paglia alsook de Kama Sutra. De prinselijke liefde voor de hond is niet louter platonisch of literair, en evenmin beperkt ze zich tot rasechte prijsbeesten die je met lieden van zijn stand associeert. Ik heb het uit de roddelrubriek van een populaire krant: kort voor zijn huwelijk heeft de prins zijn verloofde zijn eeuwige liefde betoond door haar een stratier cadeau te doen.

In de Vossenstraat, een bolle kasseiwegel tussen de Hoogstraat en de Blaesstraat, vind ik het tastbare bewijs van zijn engagement: de Stichting Prins Laurent, een dispensarium waar minvermogende medeburgers hun huisdieren zo goed als gratis kunnen laten verzorgen. Ik loop de trap af naar de dierenkliniek die in een souterrain achter de oude brandweerkazerne is gehuisvest. De dierenarts van wacht zucht diep als ik hem mijn zaak voorleg. 'Hoe kan ik een uitspraak doen over de intelligentie van zinnekes?' vraagt hij retorisch. 'Een zinneke is helemaal geen wetenschappelijke term.' Zo snel geef ik niet op. Wat met de exploten van Dolly op tram 15 en de anonieme habitué van de halte Groene Hond? Wijst hun voorkeur voor het openbaar vervoer niet op een bovengemiddelde snuggerheid? Minachtend schouderophalen gaat aan het antwoord vooraf. 'Zo'n gedrag kan perfect worden aangeleerd.' De dierenarts houdt de deur voor me open. 'Ik vrees dat ik u niet kan helpen. Uw onderzoek heeft meer met literatuur dan met wetenschap te maken.'

De straatreinigers van Constantinopel
In arren moede ben ik opnieuw de bibliotheek ingedoken. Er lijkt geen einde te komen aan de hondenboeken. De Jack Russel Terriër, de Cocker Spaniël, de Golden Retriever, de Sint-Bernard, de Franse Bulldog, de Berner Sennenhond, de Bullmastiff, de Shih Tzu en de Lhasa Apso, het zijn maar enkele van de rassen die met een hondleiding werden bedacht. Maar waar is de Brusselse straathond? Bij de Z vind ik wel een zwarte Duitse dog en een Zweedse lappenhond, maar van het zinneke geen spoor te bekennen. Dan maar de grove middelen gebruikt. Ik pluk Hondenrassen I en Hondenrassen II uit de kast. Gortdroge titels zijn het, maar wat erachter schuilt is niks minder dan een standaardwerk der kynologie oftewel hondenkunde. Dit viertalige opus, met zijn 1.600 pagina's en 2.500 illustraties van 300 rassen, werd in 1904 door de Nederlandse graaf en amateurkynoloog H.A. van Byland gepubliceerd. Amateur, het woord staat er niet zomaar, want in die tijd was het ondenkbaar dat een nobiliteit zoals een graaf zich ergens om den brode mee inliet. En jawel, ook de straathond heeft in deze kynologische anthologie een plaatsje gevonden. Helaas gaat de eer niet naar de Brusselse maar naar de Constantinopelsche straathond. De motivering van graaf van Byland klinkt me als een belediging in de oren. 'Een straathond een plaats in dit werk geven,' peroreert hij, 'is wellicht wat overdreven. Doch de straathond van Constantinopel is bijna een ras, of ten minste een familie, die zulke gewichtige diensten bewijst, waarop geen enkele stad in de gehele wereld kan bogen. Zij reinigen de straten van al het mogelijke vuil en voorkomen op die wijze vuile luchten en dientengevolge besmettelijke ziekten. Zijn ambt is dat van straatreiniger.'

Over discriminatie gesproken. Kwam graaf van Byland dan nooit buiten de muren van zijn kasteel? Of las hij nooit de krant? Het vermoeden is gewettigd, want klaarblijkelijk was de beroemde kynoloog onwetend van de cruciale, zij het ondankbare rol die de straathond in de Belgische en vooral Brusselse economie speelde. Nochtans was het in zijn tijd een brandend actuele kwestie, die ons land meermaals in diplomatieke verlegenheid bracht. Ik citeer letterlijk uit een pamflet dat in 1894 door de Société Royale de Protection des Animaux werd opgesteld. 'Nergens,' zo staat er, 'behalve bij de Eskimo's, worden zoveel honden ingespannen als in België. Alleen al de Brusselse agglomeratie telt meer dan tienduizend trekhonden. Niet alleen heeft de hond de ezel van de groenteboer vervangen, hij wordt in zowat alle vakgebieden als lastdier gebruikt. Hoe vaak zien we geen graatmager scharminkel sleuren aan een zware kar, volgestapeld met dakpannen, hout of kolen? Forse lieden vergezellen hem, maar ze denken er niet aan hem te helpen, eerder nog gaan ze zelf op de zo al overladen kar zitten.' De verontwaardiging was geen monopolie van deze Gaia-militanten avant la lettre. Meermaals deden buitenlandse reizigers hun beklag over de lamentabele behandeling van trekhonden waarvan ze in ons land getuige waren. Meer bepaald de Britse pers voerde heftig campagne tegen de Belgische dierenbeulen. Het onbegrip was oprecht: in Engeland werd het inspannen van honden al in 1842 verboden. In ons land zou het tot 1957 duren voor deze praktijk buiten de wet werd gesteld. Behalve veel hondenleed heeft die hardnekkige traditie schitterende foto's in sepiatinten opgeleverd. Melkmeisjes, slagersgasten, visboeren en kolenmarchands poseerden in Brussel met hun hondenspan, er waren zelfs likeurventers die hun mobiele tapkast door een hond lieten aandrijven.

Wie deze foto's wil bewonderen kan in het Brussels Stadsarchief terecht. Zelf ben ik niet onverdeeld gelukkig met mijn eerste bezoek aan dit eerbiedwaardige instituut. Misschien ligt het aan mijn omgang met het steekkaartenarchief, dat mijn queeste zo lelijk uit de koers raakt. Ongevraagd maak ik kennis met Hatchiko, een hond die zijn baasje iedere morgen naar de metro van Tokyo begeleidde en hem daar 's avonds ook opwachtte. Nadat baasje was gestorven hield hij dat patroon nog tien jaar lang vol, reden genoeg voor miljoenen Japanners om Hatchiko na diens eigen dood als een monument van trouw te vereren. Ik ontdek voorts geneeskundige recepten uit de Middeleeuwen waarin de hond zich als ingrediënt verdienstelijk maakt. Olie, bereid uit kleine honden en verrijkt met aromaten en terpentijn is goed voor de spijsvertering. En geen betere remedie tegen hersenkwalen dan een pasgeboren hondje, levend geopend en nog heel warm op het hoofd gelegd. Over de zinnekes zelf raak ik niet veel wijzer. Ja, dat ze hun naam te danken hebben aan de kleine Zenne, een stinkende beek waar ongewenste zwerfhonden samen met ander huishoudelijk afval in werden gedumpt. Nu was een dergelijke wreedheid geen Brusselse specialiteit, zo valt op te maken uit een oude jaargang van een heemkundig tijdschrift. Istanbul bijvoorbeeld verbande in het begin van de twintigste eeuw alle straathonden naar een onbewoond eiland in de Zwarte Zee, waar ze één voor één van honger crepeerden. Istanbul, zo schiet me ineens te binnen, heette dat vroeger niet gewoon Constantinopel, de biotoop van de Constantinopelsche straathond? Ik vraag me af of graaf H.A. van Byland de trieste ondergang van zijn blaffende straatvegers nog heeft meegemaakt.

Pensendief in de rue Blaes
Ik zit over het voorval in het rusthuis te piekeren op het terras van La Brocante. Terwijl ik van mijn koffie nip, defileert vlak voor mijn neus Bianca Castafiore door de Vossenstraat. Wat een verschijning. Geëpileerd, gemanicuurd, opgetut, kosten noch moeite gespaard in de guerrilla tegen de tijd. Ze komt recht van de kapper waar met behulp van menige bus haarlak het Guggenheim van Bilbao werd geëvoceerd. Tikketakkend op naaldhakken schrijdt ze over de kasseien van de Vossenstraat, een equilibrist met in één hand een sjakos en in de andere de lus van een leiband. Ook de bijhorende dwergpoedel werd door een virtuoze figaro onder handen genomen. Onbedoeld zal deze keffer mijn onderzoek nieuw leven inblazen. Op het snijpunt van de Vossenstraat en de Blaesstraat gebeurt het. Een enorm tumult weerklinkt, zwaar bassen afgewisseld met angstig keffen. Het is Bosco, de kolossale terrashond, die de passerende kuitenbijter aan een intiem onderzoek wil onderwerpen. Alras wordt het geblaf overstemd door hun ruziënde baasjes. 'Houd dat monster aan de leiband,' gilt Bianca Castafiore, terwijl ze de poedel optrekt naar de veilige hoogten van haar boezem. 'Calmez-vous madame,' riposteert de cafébaas. 'Bosco doet toch geen kwaad? Hij wil gewoon wat snuffelen.' Scheldend en lamenterend verdwijnt de wereldberoemde sopraan om de hoek. Ik grijp het incident aan om kennis te maken met de cafébaas en zijn hond, die wonderwel bij elkaar passen. Bosco is een Mastino Napolitano, een gitzwart monster van zestig kilo met hangwangen om Hitchcock jaloers te maken. Yves van zijn kant is een cafébaas in een al even zwart T-shirt, hem schat ik op ruim honderdtwintig kilo. 'Je moet een hond kiezen naar je evenbeeld,' zegt hij. `Zie je mij al met een Chiwawa door Brussel lopen?'

Had hij dan vroeger een minder stoer imago? Of was hij in zijn jonge dagen gewoon magerder? Feit is dat zijn vorige hond meer dan één maatje kleiner was. Bobby, want zo heette het beest, leek op een ingekorte Rottweiler maar was een zinneke van het zuiverste Zennewater. Als Yves over Bobby begint, verschijnen er pretlichtjes in zijn ogen. Zes jaar is hij nu al dood, maar zijn reputatie in de Marollen blijft springlevend. 'Bobby,' vertelt Yves, 'dat was een echte vrijbuiter. Elke dag deed hij zijn ronde. Om elf uur zat hij in de frituur hier vlakbij, om twaalf uur in het café aan de overkant van het Vossenplein, nog een uur later vond je hem in de kantine van het Sint-Pietershospitaal. Zo ging dat de hele dag door, gewoonlijk zagen we hem pas om een uur of zeven terug. Bobby was ook een echte vrouwenzot, hij heeft in de buurt een spoor van nakomelingen getrokken. Vraag maar aan de beenhouwer van de Blaesstraat, die is Bobby ook nog niet vergeten. Ik zie het nog zo gebeuren. Het was de openingsdag van de nieuwe slagerij. En wie komt er de winkel uit gespurt, met een sliert pensen in zijn muil? Den Bobby, dat was echt iets voor hem.' Als het van Yves afhangt, kan ik mijn onderzoek hier en nu wel afronden. 'Zinnekes zijn gewoon intelligenter dan andere honden,' verkondigt hij met grote stelligheid. 'Het zit in hun genen. Ze werden nooit verwend met Pal Plus of hondenbrokken, ze hebben altijd zelf hun kostje bij elkaar gescharreld. Het zijn geboren plantrekkers.'

Lees het volledige relaas in DEM 111, bestel online

Erik Raspoet (° 1965) maakt tegenwoordig reportages en interviews voor Zeno, de weekendbijlage van De Morgen.

terug