Feit en f(r)ictie
Literaire Non-fictie in de Lage Landen

nr.111 - december 2004

Nicole Montagne
Voorwoord.
Naar aanleiding van Magda Szabó

Essay

Soms is een voorwoord van een boek op te vatten als een zelfstandig stuk proza. Soms is het jammer dat je het uit hebt en dat er niet nog een voorwoord volgt. Of dat er geen boek met louter voorwoorden bestaat: suggesties voor een niet verteld verhaal, voor een tot dusver niet opgetekend leven. Het voorwoord blikt terug op een geschiedenis, terwijl het op het verhaal over die geschiedenis vooruitblikt. Een goed voorwoord destilleert. Zoals alleen de stervenden dat kunnen. Mits zij op hun sterfbed wijs geworden zijn. Wat natuurlijk een illusie is. Een verbitterd mens sterft verbitterd, een boos mens sterft boos, een wanhopige wanhopig. Dat is tragisch genoeg en daar helpt geen moedertjelief aan. Nee, niet iedereen kan zomaar een voorwoord maken.

Het voorwoord van de roman De Katalinstraat, in 1969 geschreven door de Hongaarse Magda Szabó, verwijst naar dat wat komen gaat maar rept met geen woord over de gebeurtenissen zelf. De plek van waaruit de schrijfster via wisselende personages haar verhaal vertelt, is onbepaald. Schrijft zij vanuit het nu? Is zij een stem uit het verleden of blikt zij juist vanuit de toekomst terug? Heden, toekomst en verleden worden in het voorwoord in elkaar geschoven, iets wat later in de roman ook zal gebeuren. Szabó schept voor de duur van het boek de illusie van een vast doch onbepaald punt, van waaruit de meest belangrijke gebeurtenissen uit verschillende levens worden waargenomen.


Deze gebeurtenissen spelen zich af in de Katalinstraat. Een straat aan de Donau, met poorten voor de huizen en grote tuinen aan de achterzijde. De Katalinstraat 'staat' ergens voor. Zij vertegenwoordigt iets. Het is de plek waar de herinneringen van de hoofdpersonages voortdurend naar terugdrijven. Het is de straat waar zij gelukkig waren. Ooit. Dat was toen zij nog jong waren en zij hun leven nog als een samenhangend geheel konden ervaren. Dat was voordat de ouderdom begon. Want de ouderdom, zegt Szabó, is iets anders dan wat de medische wetenschap of de literaire werken ons hebben verteld.


De bewoners van de Katalinstraat werden er noch door literaire werken noch door artsen op voorbereid dat de ouderdom zó'n fel licht zou werpen op de duistere, nauwelijks waarneembare gang waardoor zij in de eerste decennia van hun leven liepen; ze wisten ook niet dat dit licht orde zou scheppen in hun herinneringen en angsten, en dat het hun oordelen en waardesystemen zou wijzigen.

Heeft het ouder worden dan ook iets prettigs? Je kunt terugdenken aan je jeugd, aan die eerste paar decennia. Misschien maakt dat je gelukkig, misschien ook niet. Maar het verleden heeft in ieder geval een vorm aangenomen. En die vorm blijkt aan verandering onderhevig. Op een dag merk je dat je achterwaarts invloed uit kunt oefenen op dat wat er in het verleden is gebeurd.

Jonge mensen kunnen nog geen invloed op hun verleden uitoefenen. Jonge mensen verzamelen. Ik herinner me hoe ik als achttienjarige op de meest ongeschikte tijdstippen en op de meest ongeschikte plekken pogingen deed mijn leven samen te vatten. Zoiets overviel me en daar was geen ontsnappen aan. Het overviel me een keer in het fietsenhok op het station in Utrecht. Het was de ochtend van een doordeweekse dag. Ik was op weg naar de academie. De academie bevond zich in een donker en, naar mijn idee, vrij ontoegankelijk gebouw. In dit gebouw werd opgeleid tot het maken van kunst. Mensen die kunst maken, maken verhalen of schoppen bestaande verhalen omver. Je moet daarom zelf een verhaal, een heus leven en ervaringen hebben, om een kunstenaar te mogen zijn. Het fietsenhok was laag en duister. De bewaker liet mijn kleingeld in zijn jaszak vallen. Hij wees me waar ik mijn fiets kon parkeren. Er denderde een trein voorbij. Een metalen stem riep een spoorwisseling om. Honderden fietsen stonden hier in het gelid, zij aan zij en laag boven laag. Ik liep naar de uitgang. Ik haalde diep adem en: vooruit, daar gaan we dan.

Achttien jaar ben ik, en afgelopen zomer voor het eerst in Griekenland geweest. In Griekenland liepen kleine ezels door de bergen. In het zwart geklede mannen en vrouwen zaten onbeweeglijk voor de muren van hun sneeuwwitte huizen. De oom van de jongens die wij leerden kennen, huilde wanneer hij dronken was. Hij was iedere dag dronken. Net als mijn vriend in Holland. Maar mijn vriend dronk uit verzet. Hij wilde een tegenleven leiden. God mag weten waarom. In Griekenland kregen we op een avond een lift van een oude vent met een gouden tand. Kwamen wij uit de buurt van Rotterdam? Hij kende Katendrecht heel goed. De vrachtwagenchauffeur was dik. Hij zweette. Hij lachte. Mijn vriendin en ik waren bang. Ik had ook gewerkt in mijn leven, vakantiewerk, maar toch. Bij geestelijk gehandicapten. Ze plaatsten mij op de afdeling waar iedereen in de puberteit was of daarin was gebleven. Op een dag stond ik er alleen. Mario kwam grijnzend binnenwandelen en pakte me beet. Hallo, schat. In een reflex heb ik hem gebeten. Mario sloeg daarna een tand door mijn lip. Dat is een belevenis, dacht ik, net als die gek van Katendrecht. Dat is het leven: alles wat woest en bruut was. Mij waren al een paar brute dingen overkomen. Dronkenschap, geweld en een verwijzing naar hoererij. Had ik verder nog wat? Ik voelde dat er ergens iets niet klopte. Opeens kon ik er niks meer bij verzinnen, helemaal niets. Ik besefte dat ik nog niet genoeg gebeurtenissen had verzameld om volwassen, om in godsnaam zelfstandig te zijn.

Szabó heeft gelijk, wat betreft die duistere gangen.

Mijn echte leven, dat toen allang gevormd was, kwam later aan de beurt. Mijn eigen geschiedenis bleek al geschreven. En voor een deel heb ik daar niet eens invloed op gehad. De stad, het geboortejaar, het gezin. Ik was onderdeel van een zich vertakkende boom en die boom schrijft zijn eigen geschiedenis. Sommige stukken kan ik teruglezen. Het was oorlog. Toen Rotterdam werd gebombardeerd, braken bij ons de ruiten en daalde er een witte laag stof op de stad neer. Zodra de oorlog was afgelopen, verdronk een van ons zich uit angst voor represailles in de rivier. Wij waren zo verbaasd. Een ander heropende zijn café-dansant in het hartje van de stad. De ellende moest vergeten worden. Hoe? Drinken, dansen en kinderen maken. Een nieuwe toekomst scheppen. Sommigen hadden geen flauw idee en zopen zich lam, anderen verkochten sigaren, handelden in plateel, richtten fabrieken op, of probeerden te redden wat er van de oude panden nog te redden viel. Er waren er die vonden dat het geld evenredig verdeeld moest worden. Evenals: gezond verstand, goedheid van karakter en doorzettingsvermogen. In de voorkamer werden discussies gevoerd. Pamfletten uitgedeeld. Iemand haalde zijn schouders op, pakte zijn sigaretten en liep fluitend naar buiten. Sommigen waren godsvruchtig, anderen raakten verzuild. Sommigen hadden angst, ja, ook angst speelde een rol, zij het vanuit een andere tak. Een van ons was zo bang dat zij zich onder hypnose liet brengen, een aantal slaapkuren onderging en zich liet elektroshockeren. Het hielp niets, ze bleef bang, voor brand, voor geld, voor seks, voor mensen, voor alles. Ze schreeuwde, ze gilde, ze vloekte. Het kind van de hypnotiseur, zij had zo vast geslapen, werd veertien dagen later slordig weggehaald door iemand die geen dokter was. Zij stierf van ouderdom. Kinderloos en kwaad. Geen mededogen van die broers en zusters van ons. Die waren zelf ook bang en zagen niks. Een van ons regeerde zijn gezin met harde hand maar hield van Vondel en de zeventiende eeuw. Mij leerde hij gedichten opzeggen, want later werd hij mild. Maar die kinderen, zijn kinderen, die bleven zo bang. Ook zij werden heersers. Iemand schonk mij een horloge aan een ketting. Ze had het gekocht van haar eerst verdiende geld, de eeuw was net geboren. Ze borduurde roosjes op linnen tafellakens en in haar tuin stond een appelboom. Sommigen van ons ken ik niet eens.

Johannes bijvoorbeeld.

Mijn broer zit in de garage van een autodealer. Hij wacht op zijn auto. Er komt een man binnen met spierwit haar. Hij heeft een scherpe neus en een stem als een kraai. Mijn broer schrikt van deze stem en herinnert zich iets. De man met het met sneeuw bedekte hoofd neemt naast hem op het bankje plaats. Mijn broer draait zich om. En zonder te beseffen wat hij vraagt, vraagt hij: bent u Johannes K.? De man knikt. Hij heeft staalblauwe ogen in een bleek gezicht. Mijn broer stelt zich voor. Aha. Zij blijken familie. Oom en neef en onbekend. Ook mijn broer moet deze man vroeger een aantal keer hebben gezien en gehoord. Die stem. Daarna was het voorbij. Nu blijkt hij weduwnaar. Nee, dat wisten wij niet. Wel weten wij dat deze tak van ons in cellen opereert. Niets met pamfletten heeft. Geen discussies voert. Uitsluitend monologen houdt. Wij toch niet? Misschien jij iets meer dan ik. Of ik iets meer dan jij? Kom laten we geen ruziemaken, geen ruzie over ons erfgoed, alsjeblieft. De toon van Johannes is zowel afstandelijk als gemoedereerd. De twee nemen afscheid en geven elkaar een hand. Beleefd. Zo beleefd dat er geen speld tussen valt te krijgen. Mijn broer vertelt mij het verhaal. Maanden later vertelt hij het nog een keer. Hij repeteert. De man gaf een hand en verdween. Het is alsof je ja knikt terwijl je geen flauw idee hebt van wat er eigenlijk gebeurt. Ken je dat? Het is die ene tak die altijd weer voor onrust zorgt en die ook ons verwart.

Mijn eigen geschiedenis was al geschreven en mijn jeugd was een rechtstreeks gevolg daarvan. Soms trillen mijn handen, ik kan het niet helpen. In het fietsenhok verzamelde ik de minst belangrijke feiten, dat wil zeggen, de dingen die mij het minst vertrouwd waren. Wat dichterbij lag, zag ik niet.

Maar het licht dat je er achteraf op laat schijnen, zou dat je gelukkiger maken?

Volgens Szabó niet. De bewoners van de Katalinstraat waren zich ervan bewust dat ze er lichamelijk op achteruitgingen, schrijft Szabó. Dat hun uiterlijk veranderde en hun zintuigen verzwakten. Ze beseften ook dat hun gewoontes en smaak niet dezelfde bleven. Dat zij gulziger werden of juist hun eetlust verloren. Dat zij schuchter werden of sentimenteel. Dat zij problemen kregen met slaap of spijsvertering. Maar dat was nog het ergste niet. Erger was dat niemand er wijzer, rustiger of serener op werd. Het enige wat zij erbij kregen, was het besef van het ontbindende Geheel. Szabó omschrijft dat zo:
Opeens merkten ze dat de ouderdom hun verleden – de tijd die in hun jeugd en relatief jonge jaren zo rond en samenhangend aanvoelde – ontbonden had. Het Geheel viel uit elkaar, het bevatte en omvatte alles wat er met hen tot die dag was gebeurd - alleen op een andere manier. De ruimte werd gesplitst in plaatsen van handeling, de tijd in tijdstippen, de gebeurtenissen in episoden; en de bewoners van de Katalinstraat begrepen eindelijk dat van alles waaruit hun leven bestaan had, slechts enkele plaatsen, enkele tijdstippen en een paar episoden echt van belang waren. De rest was niet meer dan vulsel in hun broze bestaan, als in een kist de houtkrullen die voorkwamen dat de inhoud beschadigd raakte op een lange reis.

En toen wisten ze ook dat het verschil tussen doden en levenden slechts kwalitatief is, dat dit verschil niet belangrijk is, en dat aan ieder van ons maar één enkel ander wezen geschonken wordt wiens naam wij op het ogenblik van sterven kunnen uitroepen. Eén persoon, dat lijkt niet veel. En dan spreekt Szabó ook nog over 'schenken'. Dat betekent dat die ene persoon evengoed niet 'geschonken' kan worden. Nu moet ik aan Marlon Brando denken. Gisteren heb ik in de Spits gelezen dat hij met hartstoornissen in het ziekenhuis ligt. Brando wenst dat wanneer hij sterft, zijn as zal worden uitgestrooid op het privé-eiland Tetiaroa in de Grote Oceaan. Daar wonen zijn ex-geliefde en zijn enige zoon. Zijn ziel echter zal rusten op de witte stranden van Tahiti waar hij, zo laat de acteur ons weten, onder de palmbomen met vele Tahitiaanse schonen de liefde heeft bedreven. Ik zit in de trein en ben op weg naar mijn atelier in Hilversum, zoals ik daar drie of vier keer per week naar op weg ben. Ik passeer op het eerste gezicht buitengewoon saaie stations als Hollandse Rading en Hilversum Sportpark, maar nu is het lente, er liggen tuintjes langs de rails en die worden door hun bezitters keurig onderhouden. En ik denk: wat een leven. Ik ben onder de indruk. En dan denk ik: wacht eens even, ik hou helemaal niet van Tahiti. De Spits verzamelt feiten, zoals ik zelf ooit aan het verzamelen was. Tahiti. Neuken. Mooie vrouwen. En dat het daar niet om gaat. Dat het in je leven altijd gaat om die ene doodgewone straat met die paar bewoners. Die straat is al verworden tot veel meer. Tot een verhaal dat ten grondslag ligt aan alle andere verhalen. Een verhaal dat jou vertelt hoe je later, bijvoorbeeld, naar avonturen op Tahitiaanse eilanden zult kijken. Die, hoe bijzonder ook, altijd op het tweede plan zullen staan, zelfs al worden zij objectief hoger gewaardeerd.

Zou ik nu weer in het fietsenhok staan, ik zou het heel anders doen. Ik zou in gedachten terug willen gaan, maar waarheen?

Ik zou ergens in willen tuimelen. In een doordeweekse scène, in een kamer, een beschrijving geven van die kamer, van dat wat er aan de muur hangt, van de kranten en tijdschriften die er rond, ach, slingeren deden ze bij ons nooit, van het gesprek dan of het non-gesprek aan tafel, Maar nee, niet mijn ouderlijk huis, niet de ouderlijke straat, misschien eerder de ontsnappingen eraan, de plekken die niet kunstmatig waren en waar andere regels golden, terug naar het ouderlijk huis van mijn vader, het huis met de schuifdeuren, waar de zolder 's winters koud en altijd geheimzinnig was, naar het huis aan het spoor en de klimmende rozen, naar de fabriek die als een doolhof was, tussen de vormen, de mallen, de kleiton en de ovens, naar buiten, de grens over, naar het huis aan zee waar alles anders was, weekenden in fullcolour, en waar je lippen barstten van het zout, Of zou ik de vertakkingen beschrijven, al die erflaters herdenken en ieder hoofdstuk noemen naar een van hen; korte fragmenten van twee, hooguit drie pagina's? Er zouden mooie, ouderwetse namen boven de hoofdstukken staan: Lodewijk, Catharina, Cornelia, Bethje, Adriana, Nicolaas, Johannes, Pieter, Maartje, Frederik, ik zou de families tegen elkaar op kunnen jagen, de rekkelijken tegenover de preciezen, ik zou geen waarheid schrijven maar er ongetwijfeld eentje vinden en die op mijn beurt doorgeven aan het nageslacht.

Het nageslacht, ja kijk dat nu eens gaan, de een neemt afscheid van haar pluchen vriend, dat wil zeggen, dirigeert hem iedere avond even hardvochtig als zorgvuldig naar ver onder haar bed, de ander schuift langzaam maar zeker de box uit, de kamer uit, het huis uit voor haar part, overgeleverd aan een niet-aflatende, merkwaardige tocht, zo moet ook ik ooit door een huis zijn gekropen, door handen gegaan, door ogen bekeken, ja, maar nee, in de loop van mijn leven hoop ik geen samenvatting, geen verzameling, maar een voorwoord te maken. Een voorwoord op mijn bestaan dat dan allang geleefd is, en daarom pas dan geschreven kan worden.

Nicole Montagne (° 1961) ) is beeldend kunstenaar. In het najaar van 2005 verschijnt van haar een essaybundel bij uitgeverij Vantilt.

terug