U weet het intussen wel: deze redactie verkent geregeld de minder vanzelfsprekende
hoekjes van de literatuur. Dit keer hebben we het bijzonder ver van ons bed
gezocht, namelijk in het Verre Oosten. In een recent interview met de krant
De Morgen kreeg de Amerikaanse auteur Richard Powers de opmerking voorgelegd
dat de Japanse cultuur wellicht nog 'de meest pure ter wereld is'. Powers: 'Daar
komen ze er het dichtst bij, maar toch. Hun cultuur komt grotendeels uit China,
hun godsdienst uit India en hun technologie uit het Westen: hoe puur is zo'n
cultuur dan nog?' Voor de meesten onder ons roept Japan het beeld op van enerzijds
theeceremonies, geisha's en harakiri en anderzijds samoeraifilms, manga's en
hoge zelfmoordcijfers. Als het meezit hebben we ooit al eens een boek van oudere
coryfeeën als de Nobelprijswinnaars Oe Kenzaburo en Kawabata Yasunari gelezen.
Maar zoals het in de redactie vaak gaat, was iemand vooral nieuwsgierig naar
wat er in de hedendaagse literatuur van dat zo vibrerende land te vinden valt
en werkte die nieuwsgierigheid aanstekelijk op de andere redactieleden. En laat
2005 nu juist door de Europese Unie en Japan uitgeroepen zijn tot het jaar van
de People to People Exchanges. Bedoeling is dat er in alle lidstaten
uitwisselingen op alle maatschappelijke terreinen worden op het getouw gezet.
Onze snuffelneusreputatie getrouw wilden we de grote golf van Japanse evenementen
vóór zijn. En dus werd er een expert uitgenodigd om ons te helpen
bij de zoektocht. In dit geval was dat Luk Van Haute, die Japanse literatuur
aan de universiteit van Tokio studeerde en promoveerde op het vroege werk van
Oe Kenzaburo. Hij zette ook een paar collega-japonologen aan het werk om de
allernieuwste literatuur uit Nippon voor ons in kaart te brengen. Uit zijn inleidende
essay leren we dat de J-literatuur uit de jaren negentig door sommige critici
ook letterlijk 'in kaart gebracht wordt'. Want er wordt bijvoorbeeld een onderscheid
gemaakt tussen 'Shibuya-literatuur' voor en over jongelui die materialistisch
en escapistisch door het leven glijden, genoemd naar de meest hippe wijk van
Tokio, waar de jeugd het voor het zeggen heeft, en 'Shinjuku-literatuur', die
donkerder en dreigender is, met actievere protagonisten, conform de sfeer in
Kabukicho, de rosse buurt van Shinjuku. Maar in werkelijkheid zijn de grenzen
niet zo strikt te trekken. Integendeel, ze vervagen steeds meer, net zoals bij
ons. De Japanse cross-over wordt in dit nummer geïllustreerd door werk
van Abe Kazushige (°1968), Yu Miri (°1968), dochter van Koreaanse migranten,
Sono Sion (°1960), tevens filmregisseur, Ito Hiromi (°1955), tegenwoordig
wonend in de Verenigde Staten, en Kirino Natsuo (°1951), die vaak misdaadromans
en andere populaire genres mengt met scherpe sociale kritiek. Geen van hen is
enig in zijn soort: er zijn in de Japanse literatuur wel meer allochtonen, filmregisseurs,
misdaadschrijvers met sociale inslag en 'expats'. De in deze focus opgenomen
auteurs zijn bijgevolg enigszins willekeurig gekozen, maar ze zijn stuk voor
stuk symptomatisch voor de vervagende grenzen. Het beeld van Japan als een raciaal
homogene maatschappij heeft een deuk gekregen. En voorts is het geen toeval
dat drie van de vijf gekozen auteurs vrouwen zijn. Zij drukken steeds sterker
hun stempel op de Japanse literatuur. Het begint eentonig te worden: in vorige
focussen, die over Iran of over Quebec bijvoorbeeld, merkten we dezelfde fenomenen
op.
Daarnaast is er aandacht voor de belangrijkste Japanse auteur van dit ogenblik.
Dirk Leyman begroef zich in het wonderlijke en verslavende universum van Murakami
Haruki. Dat resulteerde in een portret-essay van de schrijver die op zijn 55ste
nog steeds de polsslag van de jonge generatie meet.
Merk overigens op dat we, op verzoek van de japanologen die aan dit nummer
meewerkten, de Japanse schrijfrichting van de namen hanteerden: eerst de achternaam,
dan de voornaam. Nederlandse uitgevers geven er de voorkeur aan om onze schrijfrichting
te gebruiken, maar op deze manier is het dus een ietsje 'echter' Japans.
Ook in de rest van het nummer krijgen nieuwlichters ruim baan. Vertaler Kris
Lauwerys ontdekte het werk van de Franse Patrick Lapeyre, een man die naar eigen
zeggen 'van troosteloze maar grappige verhalen houdt'. Het fragment uit L'homme-soeur
is een smaakmaker, want over enige tijd verschijnt de eerste Nederlandse vertaling
van een Lapeyre-roman bij de Wereldbibliotheek. Uit Nederland kozen we een verhaal
van Arthur Hemminga, en voorts is dit nummer gevuld met een rijk gevarieerd
aanbod poëzie van vrouwen: Ingrid Budgen, Ruth Lasters, Daan Stringer,
én mannen: Hans Claus, Guy Dierckx, Peter Doms, Jan Geerts, Ksaf Vandeputte
en Bennie Mous.
Ziezo, neem een portie sushi en ga lekker op de rieten mat liggen - in de stoel
mag ook. Smakelijk!