Nippon Express
Nieuwe literatuur uit Japan

nr.110 - september 2004

Luc Van Haute
Verhalen van Nieuw Nippon

Essay

Verhalen van Nieuw Nippon

De roman Individual Projection (1997) van Abe Kazushige (°1968) lag mee aan de basis van de term 'J-literatuur'. De 'J' staat voor Japan, naar analogie van de toen al gangbare benamingen 'J-pop' en 'J-comic'.

Met 'J-literatuur' (J-bungaku in het Japans) wou men eind jaren negentig het aloude onderscheid opheffen tussen de zogeheten 'junbungaku', de 'zuivere literatuur', zoals gevestigde namen als Nobelprijswinnaar Oe Kenzaburo die bedreven, en 'taishu bungaku', de populaire literatuur. J-literatuur moest staan voor literaire kwaliteit die toch een breed (en vooral jong) publiek aansprak. De term werd echter niet door literatuurcritici gelanceerd, maar door de redactie van een speciaal nummer van het tijdschrift Bungei, dat een overzicht bood van de hedendaagse Japanse literaire scène. Er speelden met andere woorden duidelijke commerciële overwegingen. De verkoopcijfers daalden en J-literatuur moest ervoor zorgen dat romans lezen (en kopen!) weer hip, cool en trendy werd bij het jonge volkje. Auteurs als Abe Kazushige en Suzuki Seigo (°1970) waren geknipt voor die rol. Ze zagen eruit als echte rocksterren (Abe werd in de buitenlandse pers zelfs verkeerdelijk zo voorgesteld) en schreven romans met titels als Rock and Roll mishin (Rock and Roll naaimachine). Hun achtergrond, hun imago en hun boeken stonden voor een soort lifestyle die ook het beoogde lezerspubliek aanhing.

Sommige critici maken een onderscheid op basis van de wijken van Tokio waar romans zich afspelen. 'Shibuya-literatuur' duidt bijvoorbeeld op verhalen in de meest hippe wijk van Tokio, waar de jeugd het voor het zeggen heeft. Shibuya-literatuur is m.a.w. voor en over jongelui die materialistisch en escapistisch door het leven glijden. 'Shinjuku-literatuur' is donkerder, dreigender, met actievere protagonisten, conform de sfeer in Kabukicho, de rosse buurt van Shinjuku.

Het is een poging om de hedendaagse Japanse literatuur letterlijk 'in kaart' te brengen, maar in werkelijkheid zijn de grenzen niet zo strikt te trekken. Integendeel, grenzen worden steeds vager, grenzen tussen genres, grenzen tussen nationaliteiten, grenzen tussen artistieke disciplines.

Naast fragmenten uit Individual Projection van Abe Kazushige staat in deze focus werk van Yu Miri (°1968), dochter van Koreaanse migranten, Sono Sion (°1960), tevens filmregisseur, Ito Hiromi (°1955), tegenwoordig wonend in de Verenigde Staten, en Kirino Natsuo (°1951), die vaak misdaadromans en andere populaire genres mengt met scherpe sociale kritiek. Geen van de vijf is enig in zijn soort: er zijn in de Japanse literatuur meerdere allochtonen, filmregisseurs, misdaadschrijvers met sociale inslag en 'expats'. De in deze focus opgenomen auteurs zijn bijgevolg enigszins willekeurig gekozen, - het hadden ook vijf andere kunnen zijn -, maar ze zijn stuk voor stuk symptomatisch voor de vervagende grenzen. Verder is het geen toeval dat drie van de vijf gekozen auteurs vrouwen zijn. Zij drukken steeds sterker hun stempel op de Japanse literatuur.

Een gelijksoortige grensvervaging zien we trouwens ook in de hedendaagse Japanse cinema, en in de loop van dit essay zullen, naast het simpele feit dat heel wat van de vermelde romans ook verfilmd zijn, de meeste observaties ook gelden voor regisseurs en hun werk (behalve dan het vrouwelijke overwicht).

Stereotypen van de rijzende zon en de erecode van de krijger

In 2000 bracht het Internationaal Filmfestival van Rotterdam een focus op de hedendaagse Japanse cinema onder de toepasselijke titel No Cherry Blossoms. Verhalen van nieuw Nippon gaan evenmin over kersenbloesems, en ook niet over geisha's en theeceremonies. Het gedicht Harakiri van Ito Hiromi vermeldt dat soort stereotypen van de Japanse cultuur nog wel, maar dan om genadeloos af te rekenen met nostalgen, die nog willen toeven in een Japanse traditie die voor een groot deel 'gecreëerd' is, als reactie op de modernisering en verwestersing van Japan in de tweede helft van de 19de eeuw. Niet toevallig is dat ook de periode waarin het Japanse nationalisme zich ontwikkelde, dat daarbij een sterk beroep deed op bushido, de erecode van de samoerai. Diezelfde traditie wordt ook nog steeds gekoesterd door japanologen die nooit het niveau van het 19de-eeuwse japonisme zijn ontstegen, toen westerse kunstenaars gefascineerd raakten door de exotische esthetica van het land van de rijzende zon. Ervan uitgaan dat bloemschikken en zenmeditatie de essentie van de 21ste-eeuwse Japanse ziel uitmaken is onzin, net zoals bushido een hoop pseudo-filosofisch gezwets is van een overbodig geworden sociale klasse die in een evoluerende maatschappij haar bestaan trachtte te rechtvaardigen.

De gevolgen van het op bushido geënte militarisme en nationalisme voor de Japanse geschiedenis zijn bekend. Toch wordt de erecode van de samoerai nog sporadisch geïdealiseerd, enerzijds door naïeve westerlingen en in Hollywood-films als The Last Samurai, anderzijds door Japanse nationalisten. In Abe Kazushige's Individual Projection zien we in de figuur van de paramilitaire leider/goeroe Masaki een duidelijke verwijzing naar de controversiële auteur Mishima Yukio (1925-70), die ook in Ito's Harakiri ter sprake komt. Bij Mishima, de bekendste en zeker beruchtste naoorlogse Japanse auteur, was de onvermijdelijke kortstondigheid van schoonheid (gesymboliseerd door de kersenbloesem) een constant thema, en ook in het echte leven ging hij steeds meer de door bushido gepropageerde 'harmonie van pen en zwaard' nastreven. Hij deed dat via intensieve bodybuilding en kendo-training, maar ook door de oprichting van het Genootschap van het Schild, waarmee hij paramilitaire trainingskampen organiseerde. Vooral de acties van jonge patriottische legerofficieren in de jaren dertig inspireerden Mishima. Abe laat Masaki o.a. alluderen op het Bloedgenootschap. Dat genootschap was in 1932 opgericht door een veertiger die een twintigtal jongemannen rond zich verzamelde, die elk één politieke of zakelijke leider moesten vermoorden (na de tweede moord werden ze echter ontmaskerd). De homoseksuele Mishima, intussen de veertig gepasseerd, had uiteraard ook andere motieven om zich te omringen met stoere jongelingen. Hoe dan ook, in 1970 gijzelde Mishima samen met enkele volgelingen een legergeneraal in diens kantoor, en deed hij voor de verzamelde soldaten en de opgetrommelde pers een oproep tot een staatsgreep en herstel van de keizerlijke autoriteit. De enige reactie was gehoon, en Mishima pleegde ter plekke harakiri. Volgens sommigen wou Mishima door deze daad vooral de aftakeling van zijn lichaam voorkomen.

In een latere roman Sinsemillas (2003) behandelt Abe Kazushige de invloed van een Amerikaanse legerbasis op een buurt gedurende drie generaties. Ook Murakami Ryu (°1952) en Yamada Amy (°1959), die beiden dicht bij zo'n basis opgroeiden, schreven daarover, en in de literatuur van het eiland Okinawa, waar de Amerikaanse aanwezigheid het grootst is, zijn eveneens tal van voorbeelden. De militaire kwestie is bijzonder actueel nu Japanse troepen naar Irak zijn gestuurd. Ter gelegenheid van haar vijftigste verjaardag wil de Liberaal-Democratische Partij (die, op een kort intermezzo in de jaren negentig na, al een halve eeuw onafgebroken aan de macht is) een grondwetswijziging doorvoeren. Die wijziging heeft alles te maken met het fameuze Artikel 9 van de Japanse grondwet. Voor voorstanders van de wijziging is die grondwet door de Amerikanen opgedrongen na de oorlog. Artikel 9 stelt dat Japan geen legermacht mag onderhouden en geen internationale conflicten met oorlogvoering mag beslechten. In 1951 is daarin, met toestemming van de VS, enige nuancering aangebracht omdat 'elke natie het recht op zelfverdediging heeft', en zo heeft Japan geen leger maar een 'zelfverdedigingsmacht', tegenwoordig zelfs met het op drie na grootste defensiebudget ter wereld. Begin jaren negentig was er sociale beroering toen Japanse soldaten voor het eerst deelnamen aan een PKO in Cambodja, maar sindsdien is 'zelfverdediging' een steeds rekbaarder begrip geworden, met dank ook aan George W. Bush, die de inval in Irak een daad van zelfverdediging tegen vijandelijke terroristen noemde. Men merkt het ook in de retoriek over de nucleaire dreiging van Noord-Korea als motivering voor het opdrijven van het militaire potentieel, terwijl men in 2002, naar aanleiding van de Wereldbeker Voetbal, nog openlijk een hereniging van het Koreaanse schiereiland steunde.

Migranten en ontsporende jeugd

Japan annexeerde Korea in 1910. Volgens Japanse nationalisten gebeurde dat met toestemming van de Koreaanse leiders, maar in werkelijkheid stond Korea natuurlijk voor voldongen feiten.

Voor en tijdens de oorlog werden vele Koreanen als dwangarbeiders naar Japan gebracht, en die moesten in het kader van de assimilatiepolitiek een Japanse naam aannemen. Na de oorlog bleven veel van die gedwongen migranten achter in Japan (o.a. wegens de Koreaanse oorlog), en sindsdien zijn zij en hun nakomelingen altijd tweederangsburgers gebleven. Om de discriminatie enigszins te ontlopen hebben de meesten van de meer dan een half miljoen Koreanen in Japan (zainichi genoemd) hun Japanse naam behouden, want gewoon op het zicht kan men moeilijk een onderscheid maken. Maar de laatste tijd zien we een groeiende tendens naar 'coming out', ook bij schrijvers en regisseurs als Yang Ji Lee en Kim Su Jin, die onder hun Koreaanse naam opereren. Yu Miri is zo'n kind van Koreaanse migranten, op zich dus een positie van sociale discriminatie. Ze groeide bovendien op in een gebroken gezin in de ruigere buurten van de havenstad Yokohama nabij Tokio. Daar gaat haar eerste roman Kazoku Shinema (Familiebioscoop, 1996) over. Eveneens autobiografisch is Inochi (Leven, 2001), over hoe ze alleenstaande moeder werd en terzelfdertijd haar stervende ex-geliefde verzorgde. Yu raakte in de jaren negentig ook betrokken bij een rechtszaak rond haar novelle Ishi ni oyogu sakana (Vissen die in stenen zwemmen, 1994). Een vrouw met een gezwel in haar aangezicht voelde zich al te herkenbaar beschreven in de roman en diende een klacht in. Yu moest schadevergoeding betalen, en voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog werd de verdere publicatie van een literair werk verboden.

Yu maakte nooit haar middelbare school af en kende een turbulente jeugd. Toen midden jaren negentig een golf van zware jeugdcriminaliteit over Japan spoelde, inspireerde dat menig schrijver en filmmaker. Niet verwonderlijk was de houding van Yu een van de meest empathische. Een ophefmakend geval was dat van een veertienjarige jongen die in 1997 het afgehakte hoofd van een elfjarig jongetje voor de schoolpoort plaatste, vergezeld van een briefje met de boodschap: 'Het spelletje is begonnen.'

Yu Miri's Gold Rush uit 1998 heeft niet toevallig ook een veertienjarige protagonist. Maar daar waar vele andere romans en films het zinloze tienergeweld op een sensationele manier exploiteren, gaat Yu op zoek naar de drijfveren, vanuit een gevoel van herkenning.

Nihilistische, delinquente en ontsporende jeugd is natuurlijk niet nieuw in de Japanse literatuur en film, en al evenmin in de Japanse samenleving. Toen na de Tweede Wereldoorlog de Amerikaanse bezetters van de ene dag op de andere Japan wilden veranderen in een democratische natie (klinkt enigszins bekend anno 2004), liep dat minder vlot dan men het graag heeft voorgesteld. Weliswaar pleegden de Japanners geen terroristische aanslagen en woedde er geen burgeroorlog, maar met name de jeugd vroeg zich af wat die democratie eigenlijk inhield, vooral toen de Amerikanen onder invloed van de internationale situatie (Communistisch China, de Sovjet-Unie en de oorlog in Korea) al snel enkele democratische principes overboord gooiden. Ishihara Shintaro, de huidige controversiële populistische gouverneur van Tokio, schreef over jeugdbendes in de jaren vijftig, maar vooral de jonge Oe Kenzaburo (°1935) voerde eind jaren vijftig, begin jaren zestig jeugdige protagonisten op die hun toevlucht zochten in politieke en seksuele extremen, met eenzelfde gevoel van empathie als Yu Miri nu. Zo is zijn novelle Seventeen gebaseerd op de moord op de voorzitter van de socialistische partij door een zeventienjarig lid van een nationalistische groepering, die klaarkomt met visioenen van de keizer. De combinatie van politiek en seksueel extremisme vindt men ook in de films van Oshima Nagisa uit die periode, en natuurlijk in de zogeheten pink-films van Wakamatsu Koji. De thematiek is dus zeker niet nieuw, maar het is niet toevallig dat de gekwelde personages bij Oe, Oshima en Wakamatsu overwegend universiteitsstudenten zijn, terwijl ze bij Yu en andere hedendaagse auteurs dertien, veertien zijn. De wettelijke leeftijd voor criminele aansprakelijkheid is in Japan inmiddels trouwens verlaagd van zestien naar veertien.

Unieke Japanners

De jaren zeventig en tachtig waren de hoogtijdagen van Nihonjinron, letterlijk 'de theorie van de Japanners'. Volgens deze theorie zijn het Japanse ras en de Japanse cultuur volstrekt uniek en bovendien ondoorgrondelijk voor wie niet over de Japanse ziel beschikt. Dit uitgangspunt werd te pas en (vooral) te onpas gebruikt om van alles en nog wat te verklaren. Dat Japanners niet goed Engels spraken kwam bijvoorbeeld niet door het gebrekkige onderwijs op dat vlak, maar door de unieke Japanse hersenstructuur die enkel voor de Japanse taal geschikt was. Omgekeerd konden buitenlanders nooit echt de Japanse taal beheersen. Ook economisch kwam Nihonjinron goed van pas. Protectionistische maatregelen om buitenlandse producten te weren verdedigde men met argumenten als 'Japanse sneeuw is uniek en niet geschikt voor Franse ski's' of 'de unieke Japanse magen kunnen geen Thaise of Californische rijst verdragen'. Nihonjinron-boeken verkochten als zoete broodjes, en de theorie vond ook makkelijk aanvaarding in het Westen, vooral bij gefrustreerde zakenlui die hun eigen falen verdoezelden door te stellen dat 'die Japanners toch niet te doorgronden zijn'. Voor vele japanologen is het natuurlijk leuker om te kunnen uitpakken met theorietjes over hoe speciaal en hoe moeilijk te begrijpen Japan wel is, dan toe te geven dat er meer is dat ons bindt dan dat ons scheidt. De jaren tachtig waren het zogeheten bubbeltijdperk in Japan, een tijd waarin er voor iedereen poen te scheppen viel. De Nihonjinron-fans grepen die leuke tijden graag aan om hun theorietjes bevestigd te zien: Japan kende zogezegd geen straatcriminaliteit of werkloosheid, de jeugd was gedisciplineerd, het bedrijf zorgde levenslang voor zijn werknemers, en dat kwam allemaal door het unieke sociale systeem van Japan. Dat de welvaart gewoon met economische conjunctuur te maken had, was natuurlijk een veel minder interessante uitleg.

Begin jaren negentig spatte de bubbel echter uiteen, en sindsdien is het crisis in Japan, niet alleen economisch maar ook sociaal. Massale ontslagen, jeugddelinquentie, tienerprostitutie, gastarbeiders, buitenlandse bendes ... het lijkt wel Amerika of West-Europa. Bovendien waren er politieke schandalen, de gifgasaanslag door de Aum-sekte in de metro van Tokio, en de zware aardbeving met duizenden doden in Kobe. De steunpilaren van het alomgeprezen Japanse economische mirakel vielen om, het gevoel van onveiligheid en onbehagen nam toe.

Het meest positieve neveneffect van de hele crisis is dat ze voor artistieke inspiratie heeft gezorgd. Wanneer een systeem in elkaar stort, moet men op zoek naar verklaringen en nieuwe waarden. Met name de jeugd is op zoek naar nieuw houvast, nu ze zien dat het maatschappelijk model waar hun ouders zich voor opofferden, heeft gefaald. Dat houvast meent men soms te vinden bij een van de talrijke nieuwe religies, waarvan Aum het meest markante voorbeeld is. Anderen zoeken het in nationalisme, zoals Tsuchiya Yutaka zo treffend toonde in zijn spraakmakende documentaire Atarashii kamisama (De nieuwe God, 1999), over de jonge zangeres van een punkband die de keizer vereert. Weer anderen raken totaal op drift. De meest controversiële roman op dat vlak (en vooral de verfilming ervan) was Battle Royale van Takami Koshun (1999). In de nabije toekomst wordt, in een experiment van de overheid om de golf van tienergeweld in te dammen, de meest delinquente schoolklas van Japan naar een eiland gestuurd, waar de leerlingen elkaar in een 'Death Game' moeten uitmoorden tot er maar eentje overblijft. De filmversie was verboden onder de zestien, waardoor ze haar doelpubliek miste, maar regisseur Fukasaku Kinji riep de kids op om hoe dan ook de bioscoop binnen te glippen (een beetje zoals Michael Moore bij Fahrenheit 9/11 in de VS).

Thematisch heeft de Japanse literatuur uit de post-bubbel crisis dus meer gemeen met die uit de woelige jaren zestig dan met die van de voorspoedige jaren tachtig, met Murakami Haruki (°1949) en Yoshimoto Banana (°1964) als belangrijkste vertegenwoordigers. De nostalgische innerlijkheid van Murakami en de cocoonende jonge vrouwen van Yoshimoto hebben plaats gemaakt voor de rauwe realiteit waaraan niet te ontsnappen valt. Murakami Haruki is zelf trouwens veel sociaal bewogener dan vroeger (zoals o.a. blijkt uit zijn non-fictieboek Underground, over slachtoffers van de gifgasaanslag door AUM). Ook in het oeuvre van de eerder genoemde Murakami Ryu zien we een dergelijke evolutie. In Topaz I: Tokyo Decadence (door hemzelf in 1992 verfilmd) beschrijft hij de wereld van een callgirl. Maar terwijl deze Topaz I nog een soort persoonlijke fantasie zonder veel sociale inslag is, ent Murakami Ryu Topaz II: Love & Pop in 1996 meer op de veel grimmigere werkelijkheid van de jaren negentig. Love & Pop (verfilmd door Anno Hideaki in 1998) gaat over het veelbesproken fenomeen van enjo kosai (letterlijk 'wederzijdse hulpverlening', maar in feite een vorm van tienerprostitutie), dat zijdelings ook in Individual Projection en Gold Rush ter sprake komt. Van een geromantiseerd beeld is geen sprake meer. De meisjes in kwestie belanden in het wereldje in de overtuiging dat ze er weer uit kunnen stappen zodra ze genoeg extra zakgeld hebben voor hun luxeproducten, maar dat uitstappen, als het al lukt, gebeurt niet zonder schade, soms fysiek maar altijd mentaal.

Lees verder in Deus ex Machina nr. 110, ga naar bestellen

Luk Van Haute (° 1963) studeerde Japanse literatuur aan de Universiteit van Tokio en werkte enige tijd voor een filmproductiemaatschappij in Japan.

terug