Een man wacht op zijn zus, zijn leven lang. Alex Cooper is een man zonder
eigenschappen, een onopvallende bankbediende. Het enige poëtische in zijn
leven is het wachten op zijn zus.
Maar Louise zit in Noord-Amerika, heeft daar haar eigen leven en koestert
kennelijk niet dezelfde verlangens als haar zwijgzame en geduldige broer in
Parijs. En dus moet Cooper leven met zijn herinneringen aan een middag, aan
een nacht met haar. Een open wonde is het en Cooper zal stapje voor stapje aan
zijn obsessie te gronde gaan.
In een interview zei Patrick Lapeyre dat hij het incestgegeven nodig had
om over een volmaakt onmogelijke liefde en de gevolgen daarvan te kunnen vertellen.
Hem gaat het dan ook niet om het relaas van een incestueuze relatie, maar veeleer
om het relaas van een antiheld die naar de afgrond glijdt omdat hij zijn verlangen
niet wil opgeven. Bovendien kan Lapeyre via dit volmaakt onaangepaste personage
tonen hoe angstwekkend, hoe absurd de wereld is waarin Alex Cooper leeft. 'Een
man die heel zijn leven niets anders doet dan wachten op zijn zus is al even
ongewoon en buitenissig als een man die op het plafond loopt.' Ook Kafka liet
via een buitenstaander zien hoe vernietigend menselijke relaties kunnen zijn.
'Ik hou van troosteloze, maar grappige verhalen,' zegt Lapeyre. Het opvallendste
aan Lapeyres romans is inderdaad de zwarte humor. Wat hij beschrijft is intriest,
maar hoe vaak moet je niet grimlachen bij dit proza! Die humoristische toon
viel ook al op bij twee eerdere romans, Welcome to Paris (1994) en Sissy,
c'est moi (1998), niet toevallig werken met een hoofdpersonage dat gevangenzit
in een obsessie. Ook hier zoekt de auteur met laconieke humor een uitweg uit
een dreigende tragische ontknoping, uit een fatale lotsbestemming. In L'Homme-soeur
(2004) verfijnt Lapeyre zijn procédé verder en vindt hij een perfecte
balans tussen het tragische en het komische.
L'Homme-soeur heeft zes jaar liggen rijpen in eiken vaten. Zijn in totaal
zes romans schreef Patrick Lapeyre in een periode van twintig jaar. Zijn geduld
wordt nu beloond: voor zijn laatste roman kreeg hij de Prix RTL en de prestigieuze
publieksprijs Prix du Livre Inter.
Patrick Lapeyre, L'homme-soeur, P.O.L., 2004, fragmenten pp. 9-33
ZES UUR
Al jaren is Cooper de gevangene van een middag. Hij kan het niet helpen. Waar
hij ook gaat of staat, hij draagt zijn middag met zich mee. Of hij nu aan tafel
zit met vrienden of een vergadering heeft op de bank, er komt altijd een moment
waarop hij, waarschijnlijk door een fixatieproces dat hem ontgaat, terugkeert
naar zijn middag. Het ligt voor de hand dat deze constante aanwezigheid in zijn
leven niet zonder gevolgen kan blijven voor zijn relatie tot de hem omringende
werkelijkheid en dat hij voortdurend op zijn hoede moet zijn, temeer daar menigeen
vóór hem er zijn geestelijke gezondheid al bij heeft ingeschoten.
Cooper neemt daarom allerhande voorzorgsmaatregelen. Wat niet wegneemt dat hij
van tijd tot tijd in zichzelf begint te praten en bijvoorbeeld hardop zegt:
Dat zien we volgende keer wel weer, alsof hij zich tot zijn middag richt.
Vreemd genoeg is het in deze innerlijke middag altijd zes uur. Het is een erg
korte en tegelijk eindeloos herhaalde tijdseenheid. Omdat Cooper zich alleen
dat tijdstip herinnert.
Hij en zijn zus zaten beiden op de achterbank van een auto die met open ramen
over een verlaten weg tussen rijpe graanvelden door reed. Achter het stuur zat
een vriend van hun neven, een zekere François of Francis, wiens gezicht
in de loop der jaren is vervaagd. Net als dat van de passagier naast hem. Terwijl
al het andere, het landschap, de auto, de glinsterende achteruitkijkspiegels,
de stilhangende wolken boven de weg, gebeiteld staat in de materie van deze
middag.
Op zeker ogenblik hadden ze halt gehouden in de berm omdat de vriend van hun
neven en zijn passagier even wilden gaan kijken naar werkzaamheden, en Cooper
en zijn zus waren blijven zitten in de auto, de portieren open om wat frisse
lucht te krijgen. Louise was na een tijdje tegen hem ingedommeld, zo naakt onder
haar witte katoenen jurkje dat Cooper niet meer had durven bewegen. Als hij
nu naar zijn middag terugkeert, voelt hij nog steeds het gewicht van haar slapende
lichaam op zijn armen. Coopers kin rustte op haar haren en hij wist op dat moment
niet dat zijn obsessie, die zoveel eerder was begonnen, zich zojuist had uitgekristalliseerd,
en dat hij zich er nooit meer van zou kunnen losmaken.
Eigenlijk heeft hij het zelfs nooit geprobeerd.
Het is om die reden dat Cooper, terwijl zijn zus van haar kant alles is vergeten
en beweert dat het om een hersenspinsel gaat, jaren later met zijn aktetasje
in de hand de straat oversteekt, zo glad, beminnelijk en onpersoonlijk alsof
hij een middag is geworden.
DE ILLEGALE HUURDER
Coopers appartement twee keer te groot voor hem ligt op de op
één na hoogste verdieping van een gebouw van gewapend beton dat
tegelijk helder en triest is, met ramen die het cement van de trappen belichten
en de indruk van leegte vergroten. De hal kijkt uit op een ruime salon aan de
straatkant met als opmerkelijk meubilair een slaapbank, een televisie en een
vleugelpiano; aan de achterkant bevinden zich aan een L-vormige gang drie kamers
van ongeveer gelijke grootte. De eerste kamer doet dienst als bureauruimte en
is volgestouwd met boekenkasten, dozen, stapels tijdschriften en een grote computer
op een glazen tafel. Daarmee vergeleken lijkt de slaapkamer van een franciscaanse
eenvoud: een bed, een kleerkast, een rieten stoel; tot zover de inventaris.
De meest afgelegen kamer waar niemand in mag is die van zijn zus,
dat wil zeggen de kamer waarin ze verbleef als ze vroeger bij hem logeerde.
Alles is er nauwgezet gelaten zoals het was; de meubels, de boeken, de platen,
tot haar kleren toe (haar tennisschoenen, haar zomerbroeken, haar witte katoenen
jurkjes), die in hoezen hangen te wachten op betere tijden.
Misschien werkt de kamer besmettelijk, want overal in de flat heerst een beklemmende,
wat spookachtige stilte. Omdat de gordijnen meestal dicht zijn, de verlichting
schaars is en niemand ooit komt aanbellen, zou het appartement net zo goed bewoond
kunnen zijn door een illegale huurder of een tijdelijke gast die om redenen
die alleen hem bekend zijn angstvallig over zijn onafhankelijkheid waakt.
Bij iemand als Cooper hoeft dat niet te verbazen. Door de mist van anonimiteit
waarin hij al jaren leeft en de inspanningen die hij lijkt te doen om onopgemerkt
te blijven, kennen de meeste bewoners van het flatgebouw zijn naam nog steeds
niet en verwarren ze hem herhaaldelijk met de huurder van de eerste verdieping
of met die van de begane grond.
Het zegt iets over hoe weinig contacten Cooper met de buren heeft aangeknoopt.
Een paar zeldzame gesprekjes met zijn buurvrouw van de vijfde verdieping, af
en toe een praatje met de conciërge, mevrouw Jankovic, die naast haar officiële
functies ook een beroemdheid in de wijk is. Met haar zwarte kousen en haar eeuwige
nylon blouse heeft ze inderdaad iets wat zo authentiek is dat je bijna zou verwachten
haar in het museum voor Volkstradities en -kunst aan te treffen, met als vermelding:
Flatgebouwconciërge, eind 20e eeuw. Als hij bij haar deur stilhoudt, laat
Cooper niettemin om esthetische redenen of uit puur pragmatisme
geen gelegenheid voorbijgaan om haar complimenten te maken en enkele woorden
te wisselen met haar echtgenoot.
Dat is het zo ongeveer. En dit ondanks zijn natuurlijke aanleg die hem er eerder
toe zou aanzetten zich voor iedereen vriendelijk en dienstbaar te tonen, zonder
echter al te familiair te worden met de buren. Maar het is duidelijk: door zijn
geheim dat overigens het enige poëtische in zijn leven is
zal niets voor hem ooit vanzelfsprekend zijn en zal zijn sociale leven op een
voortdurend misverstand lijken.
DE KORTE VERHALEN VAN TSJECHOV
[Verslag van een telefoontje van zijn zus, die in Canada woont. Ze vertelt
hem o.a. dat ze zoals elke winter de korte verhalen van Tsjechov herleest.]
DE KRACHT VAN HET WACHTEN
Cooper heeft met niemand over dit telefoontje gesproken. Een man die heel zijn
leven niets anders doet dan wachten op zijn zus is al even ongewoon en buitenissig
als een man die op het plafond loopt. Onvermijdelijk wordt hij voor zijn omgeving
het voorwerp van bezorgdheid. Om de haverklap vraagt men hem of hij nog steeds
wacht en of hij iets nodig heeft, alsof hij ziek is. Om maar te zwijgen van
bepaalde, min of meer kwetsende toespelingen, waar hij zich maar moeilijk tegen
kan verweren omdat de redenen voor zijn gedrag alleen zijn zus en hem aangaan.
Cooper is niet zo iemand die graag te koop loopt met zijn afwijkende aard en
geeft er dus de voorkeur aan om even te glimlachen en zijn beurt over te slaan
als iemand hem naar Louise vraagt; een beetje zoals iemand die instructies voor
een black-out heeft gekregen en deze nauwgezet volgt. En wanneer hij echt in
het nauw wordt gedreven, antwoordt hij met een Uitstekend, dank u, wat meestal
het einde van het gesprek betekent. Coopers bijnaam is de Stille.
Hoeveel confidenties zijn vrienden hem ook doen over hun minnares, hun vrouw
of hun kinderen, van Cooper krijgen ze nooit iets terug. Die voorliefde voor
geheimzinnigheid en voor de daarmee samengaande teruggetrokkenheid koestert
hij trouwens al een tijdje. De meeste van zijn schoolkameraden bijvoorbeeld
hebben Louise nooit ontmoet. En diegenen die op het slechte idee kwamen om zich
daarover te beklagen, maakten al helemaal geen kans. Iets waarover Cooper ook
nu nog zeer tevreden is, want als hij naast het wachten op zijn zus ook nog
elke week een communiqué moest publiceren, zou de onderneming zijn krachten
waarschijnlijk te boven gaan.
Cooper is door de omstandigheden gedwongen zich tegen de anderen te beschermen
en heeft geleerd om zo discreet, zo statistisch normaal mogelijk te zijn door
zo min mogelijk van zichzelf te laten zien en door zorgvuldig alles uit de weg
te gaan wat zijn idee-fixe zou kunnen laten doorschemeren. Het gevolg is dat
zijn collega's op het werk noch zijn buren ooit hebben vermoed dat zich in deze
kale, leeftijdloze grote jongen met zijn wat geleende manier van doen zo'n innerlijk
avontuur afspeelt.
Want wachten zoals hij dat al jaren doet, is verre van onschuldig. Hoewel Cooper
zijn passe-partout-uiterlijk, zijn brave en eerder onbetekenende verschijning
tot het uiterste cultiveert, is zijn wachten niets minder dan een daad van ongehoorzaamheid,
een vorm van bescheiden maar vastberaden anarchie, met alles wat dat impliceert
aan verzet tegen de modellen van collectief gedrag en aan het betwijfelen van
de geldende morele categorieën. Zo maakt het ook niets uit dat zijn telefoon
al maanden in het luchtledige staat te rinkelen, zijn boodschappen onbeantwoord
blijven, Louise zijn bestaan vergeten is, zijn vrienden de spot met hem drijven
en hij opnieuw door ischias aan het bed gekluisterd is: zijn gedragslijn zal
hij niet veranderen. Niets of niemand zal hem van het wachten afhouden. En zelfs
als men hem vastbindt in een zak met een steen en men hem in een vijver werpt:
zijn wachten zal hem naar de oppervlakte doen stijgen.
DE UITNODIGINGEN
Op een paar uitzonderingen na zijn Coopers jeugdvrienden zij wachten
op niemand managers of financieel analisten geworden die twee of drie
keer zoveel verdienen en die op die manier hun leven zelfs veel zinvoller vinden
dan Cooper. Doorgaans hebben ze een sportieve en gediplomeerde jongedame gehuwd,
voor nakomelingen gezorgd en met hun eerste spaargeld een huis op het platteland
gekocht, terwijl ze voor hun vakanties over een familiehuis, een villa aan de
kust, een alpenhut beschikken, waar je makkelijk met z'n vijftienen of twintigen
kunt logeren. Maar als bij toeval is er nooit plaats voor Cooper. Hoewel ze
het niet openlijk toegeven, zouden sommigen nog liever hun been breken dan met
hem hun vakantie doorbrengen.
Af en toe wordt hij in Parijs uitgenodigd bij de Picarts of de Choukrouns,
minder vaak bij de Trottignons, maar het is duidelijk en hem is het erg
duidelijk dat het meer een eerbetoon is aan het verleden en hun studentenjaren
dan een teken van bloeiende affectie. Terwijl hij van de vrienden de meest trouwe
en de meest beschikbare is, hij nooit de vrouw van een ander begeert, nooit
kwaadspreekt en hij in zijn toewijding zo ver gaat dat hij hen bij elke verjaardag,
bij elk familiefeest opbelt, bellen zij van hun kant hem niet alleen nooit op,
maar laten ze de telefoon opnemen door hun kinderen met de boodschap dat ze
niet thuis zijn.
Het lijkt er dus op dat hij stoort. Zijn eigenaardige levenswijze, zijn ingewikkelde
gedoe, zijn stiltes, zijn eeuwige geheimzinnigheid voeden de malaise rond zijn
persoon uiteraard nog en zorgen ervoor dat zelfs zijn meest welwillende vrienden
uiteindelijk ontmoedigd raken. Want bovendien weet Cooper dat hij saai is, alleen
heeft hij er zich bij neergelegd, omdat hij de nakomeling is van kleurloze ouders
en grootouders die zich voortdurend verveelden, zelfs tijdens de bombardementen.
Dat Cooper nooit weet wat te zeggen, is anderzijds ook niet waar hoewel
hij zijn mond zelden opendoet , maar als hij na een paar glazen wijn een
beetje spraakzamer wordt, blijkt hij net zo merkwaardig verstoken van humor
als een androïde die schuine moppen vertelt. Als hij hun al geen redevoering
over Tsjechov in de maag splitst.
Vroeger had Cooper nochtans gevoel voor humor, net als iedereen. Na het vertrek
van zijn zus echter is hij op een dag uit provocatiedrang of als gevolg
van zijn eenzaamheid pijnlijke verhalen gaan vertellen waarbij hij als
enige lacht. Het zijn bijna altijd verhalen uit zijn studententijd die bepaald
geen fraai beeld van hem schetsen en die hij zelfgenoegzaam tot in de meest
vernederende details vertelt, geheel opgaand in zijn drang tot zelfverlaging;
daarbij uit het oog verliezend dat ze zijn toehoorders in verlegenheid brengen,
hemzelf blameren en tegelijk de anderen compromitteren. Met name Choukroun kan
het maar matig waarderen eraan herinnerd te worden dat hij zwaarlijvig was en
niet meekon met de loopoefeningen, en Picart nog minder als het verhaal van
zijn fiasco met Ingrid en de alcoholcoma die erop volgde weer eens ter sprake
wordt gebracht. Eer de vrouw des huizes de zaken weer in de hand neemt en probeert
te redden wat er nog te redden valt, zijn de genodigden meestal al gevlucht,
alsof het naar binnen regende. Alleen Cooper is gebleven. Hij ligt zijn roes
uit te slapen in de salon of heeft zich gebarricadeerd in het toilet en weigert
weg te gaan. Onmiddellijk alarm natuurlijk, consternatie, vrees voor een schandaal:
Waanzinnige dreigt het toilet van dhr. en mevr. Trottignon bezet te houden als
hij zijn zus niet terugkrijgt. Na zware onderhandelingen door de gesloten deur
heen zal een zoals gewoonlijk beschaamde Cooper naar buiten komen en zullen
zijn gastheren, heen en weer geslingerd tussen woede en opluchting, zich haasten
om hem in een taxi te duwen.
DE DWANGMATIGE HANDELINGEN
[Hoe Cooper zich aan lichamelijke training onderwerpt en piano speelt; een
noodzaak om het wachten uit te houden.]
DE WOESTIJN DIJT UIT
[Beschrijving van Coopers werkplek (een Parijse bank); zijn beloftevolle begin,
hoe hij wordt weggepromoveerd; zijn vrienden en vijanden.]
DE KANTINE
Om Coopers isolement te meten, volstaat het om hem rond tien, elf uur in de
kantine te observeren, als het voltallige bankpersoneel daar een praatje komt
maken. De plek is met zijn linoleum, zijn stoffige vensters, zijn supermarktverlichting
weliswaar niet bijzonder aantrekkelijk, en de meeste collega's rond de koffiemachine
mogen dan wel dat uniforme en vaag getypeerde uiterlijk van Playmobil-mannetjes
hebben de blonde secretaresse, de kortgeknipte valutahandelaar, het diensthoofd
met de dikke brillenglazen , ze praten tenminste, ze vermaken zich, ze
kussen elkaar ter begroeting, en dat alles in een sfeer van gemoedelijke seksuele
wedijver. Cooper ondertussen, geremd door zijn agorafobie, maakt zich in een
hoekje zo klein mogelijk, zijn bekertje op de knieën. Vaak staat Deniseau
bij hem, soms Nicole Cazotte, wat mede bijdraagt tot zijn zwaarmoedigheid.
Nicole, om het even over haar te hebben, is een grote en magere juffrouw met
een wat bestoft uiterlijk dat vaak geassocieerd wordt met archivarissen, wat
goed uitkomt want ze is archivaris. Ze heeft al een paar maanden een oogje op
Cooper en achtervolgt hem overal in de bank alsof hij de markies de Sade is.
Hij is ervan overtuigd dat het een tijdelijke bevlieging is en probeert haar
omzichtig en tolerant te behandelen, maar wel met telkens een goede uitvlucht
bij de hand om te kunnen wegglippen en haar met Deniseau alleen achter te laten.
Wanneer er niemand is om mee te praten, probeert Cooper zich een houding te
geven door zich te verdiepen in de dienstnota's en ansichtkaarten op het prikbord.
Marie-Claude en Philippe liggen elke dag onder de palmbomen te denken aan hun
collega's, terwijl Denise Lervin op het kaartje daarnaast dreigt op de Cycladen
te blijven. Goed idee. Het gebeurt ook wel eens dat hij uit pure verveling de
plantenbakken met papyrus, de schrale ficussen, de varens in potten bestudeert
en dat hij zich in deze bank tot een plant voelt verworden. Wat meteen het einde
van zijn zorgen zou betekenen.
Als juffrouw Kaltenbrenner, een manwijf met imposante rondingen dat dienstdoet
als directieafgevaardigde, om elf uur precies binnenkomt is het afgelopen met
zijn bespiegelingen en keert hij zo snel mogelijk naar zijn werkplek terug.
Cooper gaat haar zorgvuldig uit de weg alsof zij een ijsberg is en hij een licht
bootje. Maar de verschijning van deze of gene collega die hem niet kan uitstaan
en die dus een objectieve bondgenoot van juffrouw Kaltenbrenner is
kan hem er zelfs toe brengen zich in een al even kinderachtige reflex te verstoppen
in de bergruimte en daar dan met gekruiste armen te blijven zitten tot er niemand
meer te zien is. Het is nochtans dezelfde, schijnbaar zo mensenschuwe man die
enkele uren later, op een mooie lenteavond, snel zijn was naar de wassalon zal
brengen hoewel in zijn keuken een splinternieuwe machine staat
enkel en alleen om in het gezelschap te kunnen vertoeven van drie of vier vrijgezellen
die al even zwijgzaam zijn als hij en met wie hij een sigaret zal roken, terwijl
hij naar de draaiende hemden achter het venstertje staart, alsof hij plots is
teruggekeerd naar zijn middag.