Nippon Express
Nieuwe literatuur uit Japan

nr.110 - september 2004

Patrick Lapeyre
Wachten op je zus

Inleiding en vertaling: Kris Lauwerys

Wachten op je zus

Een man wacht op zijn zus, zijn leven lang. Alex Cooper is een man zonder eigenschappen, een onopvallende bankbediende. Het enige poëtische in zijn leven is het wachten op zijn zus.

Maar Louise zit in Noord-Amerika, heeft daar haar eigen leven en koestert kennelijk niet dezelfde verlangens als haar zwijgzame en geduldige broer in Parijs. En dus moet Cooper leven met zijn herinneringen aan een middag, aan een nacht met haar. Een open wonde is het en Cooper zal stapje voor stapje aan zijn obsessie te gronde gaan.

In een interview zei Patrick Lapeyre dat hij het incestgegeven nodig had om over een volmaakt onmogelijke liefde en de gevolgen daarvan te kunnen vertellen. Hem gaat het dan ook niet om het relaas van een incestueuze relatie, maar veeleer om het relaas van een antiheld die naar de afgrond glijdt omdat hij zijn verlangen niet wil opgeven. Bovendien kan Lapeyre via dit volmaakt onaangepaste personage tonen hoe angstwekkend, hoe absurd de wereld is waarin Alex Cooper leeft. 'Een man die heel zijn leven niets anders doet dan wachten op zijn zus is al even ongewoon en buitenissig als een man die op het plafond loopt.' Ook Kafka liet via een buitenstaander zien hoe vernietigend menselijke relaties kunnen zijn.

'Ik hou van troosteloze, maar grappige verhalen,' zegt Lapeyre. Het opvallendste aan Lapeyres romans is inderdaad de zwarte humor. Wat hij beschrijft is intriest, maar hoe vaak moet je niet grimlachen bij dit proza! Die humoristische toon viel ook al op bij twee eerdere romans, Welcome to Paris (1994) en Sissy, c'est moi (1998), niet toevallig werken met een hoofdpersonage dat gevangenzit in een obsessie. Ook hier zoekt de auteur met laconieke humor een uitweg uit een dreigende tragische ontknoping, uit een fatale lotsbestemming. In L'Homme-soeur (2004) verfijnt Lapeyre zijn procédé verder en vindt hij een perfecte balans tussen het tragische en het komische.

L'Homme-soeur heeft zes jaar liggen rijpen in eiken vaten. Zijn in totaal zes romans schreef Patrick Lapeyre in een periode van twintig jaar. Zijn geduld wordt nu beloond: voor zijn laatste roman kreeg hij de Prix RTL en de prestigieuze publieksprijs Prix du Livre Inter.

Patrick Lapeyre, L'homme-soeur, P.O.L., 2004, fragmenten pp. 9-33

ZES UUR

Al jaren is Cooper de gevangene van een middag. Hij kan het niet helpen. Waar hij ook gaat of staat, hij draagt zijn middag met zich mee. Of hij nu aan tafel zit met vrienden of een vergadering heeft op de bank, er komt altijd een moment waarop hij, waarschijnlijk door een fixatieproces dat hem ontgaat, terugkeert naar zijn middag. Het ligt voor de hand dat deze constante aanwezigheid in zijn leven niet zonder gevolgen kan blijven voor zijn relatie tot de hem omringende werkelijkheid en dat hij voortdurend op zijn hoede moet zijn, temeer daar menigeen vóór hem er zijn geestelijke gezondheid al bij heeft ingeschoten. Cooper neemt daarom allerhande voorzorgsmaatregelen. Wat niet wegneemt dat hij van tijd tot tijd in zichzelf begint te praten en bijvoorbeeld hardop zegt: Dat zien we volgende keer wel weer, alsof hij zich tot zijn middag richt.

Vreemd genoeg is het in deze innerlijke middag altijd zes uur. Het is een erg korte en tegelijk eindeloos herhaalde tijdseenheid. Omdat Cooper zich alleen dat tijdstip herinnert.

Hij en zijn zus zaten beiden op de achterbank van een auto die met open ramen over een verlaten weg tussen rijpe graanvelden door reed. Achter het stuur zat een vriend van hun neven, een zekere François of Francis, wiens gezicht in de loop der jaren is vervaagd. Net als dat van de passagier naast hem. Terwijl al het andere, het landschap, de auto, de glinsterende achteruitkijkspiegels, de stilhangende wolken boven de weg, gebeiteld staat in de materie van deze middag.

Op zeker ogenblik hadden ze halt gehouden in de berm omdat de vriend van hun neven en zijn passagier even wilden gaan kijken naar werkzaamheden, en Cooper en zijn zus waren blijven zitten in de auto, de portieren open om wat frisse lucht te krijgen. Louise was na een tijdje tegen hem ingedommeld, zo naakt onder haar witte katoenen jurkje dat Cooper niet meer had durven bewegen. Als hij nu naar zijn middag terugkeert, voelt hij nog steeds het gewicht van haar slapende lichaam op zijn armen. Coopers kin rustte op haar haren en hij wist op dat moment niet dat zijn obsessie, die zoveel eerder was begonnen, zich zojuist had uitgekristalliseerd, en dat hij zich er nooit meer van zou kunnen losmaken.

Eigenlijk heeft hij het zelfs nooit geprobeerd.

Het is om die reden dat Cooper, terwijl zijn zus van haar kant alles is vergeten en beweert dat het om een hersenspinsel gaat, jaren later met zijn aktetasje in de hand de straat oversteekt, zo glad, beminnelijk en onpersoonlijk alsof hij een middag is geworden.

DE ILLEGALE HUURDER

Coopers appartement – twee keer te groot voor hem – ligt op de op één na hoogste verdieping van een gebouw van gewapend beton dat tegelijk helder en triest is, met ramen die het cement van de trappen belichten en de indruk van leegte vergroten. De hal kijkt uit op een ruime salon aan de straatkant met als opmerkelijk meubilair een slaapbank, een televisie en een vleugelpiano; aan de achterkant bevinden zich aan een L-vormige gang drie kamers van ongeveer gelijke grootte. De eerste kamer doet dienst als bureauruimte en is volgestouwd met boekenkasten, dozen, stapels tijdschriften en een grote computer op een glazen tafel. Daarmee vergeleken lijkt de slaapkamer van een franciscaanse eenvoud: een bed, een kleerkast, een rieten stoel; tot zover de inventaris. De meest afgelegen kamer – waar niemand in mag – is die van zijn zus, dat wil zeggen de kamer waarin ze verbleef als ze vroeger bij hem logeerde. Alles is er nauwgezet gelaten zoals het was; de meubels, de boeken, de platen, tot haar kleren toe (haar tennisschoenen, haar zomerbroeken, haar witte katoenen jurkjes), die in hoezen hangen te wachten op betere tijden.

Misschien werkt de kamer besmettelijk, want overal in de flat heerst een beklemmende, wat spookachtige stilte. Omdat de gordijnen meestal dicht zijn, de verlichting schaars is en niemand ooit komt aanbellen, zou het appartement net zo goed bewoond kunnen zijn door een illegale huurder of een tijdelijke gast die om redenen die alleen hem bekend zijn angstvallig over zijn onafhankelijkheid waakt.

Bij iemand als Cooper hoeft dat niet te verbazen. Door de mist van anonimiteit waarin hij al jaren leeft en de inspanningen die hij lijkt te doen om onopgemerkt te blijven, kennen de meeste bewoners van het flatgebouw zijn naam nog steeds niet en verwarren ze hem herhaaldelijk met de huurder van de eerste verdieping of met die van de begane grond.

Het zegt iets over hoe weinig contacten Cooper met de buren heeft aangeknoopt. Een paar zeldzame gesprekjes met zijn buurvrouw van de vijfde verdieping, af en toe een praatje met de conciërge, mevrouw Jankovic, die naast haar officiële functies ook een beroemdheid in de wijk is. Met haar zwarte kousen en haar eeuwige nylon blouse heeft ze inderdaad iets wat zo authentiek is dat je bijna zou verwachten haar in het museum voor Volkstradities en -kunst aan te treffen, met als vermelding: Flatgebouwconciërge, eind 20e eeuw. Als hij bij haar deur stilhoudt, laat Cooper niettemin – om esthetische redenen of uit puur pragmatisme – geen gelegenheid voorbijgaan om haar complimenten te maken en enkele woorden te wisselen met haar echtgenoot.

Dat is het zo ongeveer. En dit ondanks zijn natuurlijke aanleg die hem er eerder toe zou aanzetten zich voor iedereen vriendelijk en dienstbaar te tonen, zonder echter al te familiair te worden met de buren. Maar het is duidelijk: door zijn geheim – dat overigens het enige poëtische in zijn leven is – zal niets voor hem ooit vanzelfsprekend zijn en zal zijn sociale leven op een voortdurend misverstand lijken.

DE KORTE VERHALEN VAN TSJECHOV

[Verslag van een telefoontje van zijn zus, die in Canada woont. Ze vertelt hem o.a. dat ze zoals elke winter de korte verhalen van Tsjechov herleest.]

DE KRACHT VAN HET WACHTEN

Cooper heeft met niemand over dit telefoontje gesproken. Een man die heel zijn leven niets anders doet dan wachten op zijn zus is al even ongewoon en buitenissig als een man die op het plafond loopt. Onvermijdelijk wordt hij voor zijn omgeving het voorwerp van bezorgdheid. Om de haverklap vraagt men hem of hij nog steeds wacht en of hij iets nodig heeft, alsof hij ziek is. Om maar te zwijgen van bepaalde, min of meer kwetsende toespelingen, waar hij zich maar moeilijk tegen kan verweren omdat de redenen voor zijn gedrag alleen zijn zus en hem aangaan.

Cooper is niet zo iemand die graag te koop loopt met zijn afwijkende aard en geeft er dus de voorkeur aan om even te glimlachen en zijn beurt over te slaan als iemand hem naar Louise vraagt; een beetje zoals iemand die instructies voor een black-out heeft gekregen en deze nauwgezet volgt. En wanneer hij echt in het nauw wordt gedreven, antwoordt hij met een Uitstekend, dank u, wat meestal het einde van het gesprek betekent. Coopers bijnaam is de Stille.

Hoeveel confidenties zijn vrienden hem ook doen over hun minnares, hun vrouw of hun kinderen, van Cooper krijgen ze nooit iets terug. Die voorliefde voor geheimzinnigheid en voor de daarmee samengaande teruggetrokkenheid koestert hij trouwens al een tijdje. De meeste van zijn schoolkameraden bijvoorbeeld hebben Louise nooit ontmoet. En diegenen die op het slechte idee kwamen om zich daarover te beklagen, maakten al helemaal geen kans. Iets waarover Cooper ook nu nog zeer tevreden is, want als hij naast het wachten op zijn zus ook nog elke week een communiqué moest publiceren, zou de onderneming zijn krachten waarschijnlijk te boven gaan.

Cooper is door de omstandigheden gedwongen zich tegen de anderen te beschermen en heeft geleerd om zo discreet, zo statistisch normaal mogelijk te zijn door zo min mogelijk van zichzelf te laten zien en door zorgvuldig alles uit de weg te gaan wat zijn idee-fixe zou kunnen laten doorschemeren. Het gevolg is dat zijn collega's op het werk noch zijn buren ooit hebben vermoed dat zich in deze kale, leeftijdloze grote jongen met zijn wat geleende manier van doen zo'n innerlijk avontuur afspeelt.

Want wachten zoals hij dat al jaren doet, is verre van onschuldig. Hoewel Cooper zijn passe-partout-uiterlijk, zijn brave en eerder onbetekenende verschijning tot het uiterste cultiveert, is zijn wachten niets minder dan een daad van ongehoorzaamheid, een vorm van bescheiden maar vastberaden anarchie, met alles wat dat impliceert aan verzet tegen de modellen van collectief gedrag en aan het betwijfelen van de geldende morele categorieën. Zo maakt het ook niets uit dat zijn telefoon al maanden in het luchtledige staat te rinkelen, zijn boodschappen onbeantwoord blijven, Louise zijn bestaan vergeten is, zijn vrienden de spot met hem drijven en hij opnieuw door ischias aan het bed gekluisterd is: zijn gedragslijn zal hij niet veranderen. Niets of niemand zal hem van het wachten afhouden. En zelfs als men hem vastbindt in een zak met een steen en men hem in een vijver werpt: zijn wachten zal hem naar de oppervlakte doen stijgen.

DE UITNODIGINGEN

Op een paar uitzonderingen na zijn Coopers jeugdvrienden – zij wachten op niemand – managers of financieel analisten geworden die twee of drie keer zoveel verdienen en die op die manier hun leven zelfs veel zinvoller vinden dan Cooper. Doorgaans hebben ze een sportieve en gediplomeerde jongedame gehuwd, voor nakomelingen gezorgd en met hun eerste spaargeld een huis op het platteland gekocht, terwijl ze voor hun vakanties over een familiehuis, een villa aan de kust, een alpenhut beschikken, waar je makkelijk met z'n vijftienen of twintigen kunt logeren. Maar als bij toeval is er nooit plaats voor Cooper. Hoewel ze het niet openlijk toegeven, zouden sommigen nog liever hun been breken dan met hem hun vakantie doorbrengen.

Af en toe wordt hij in Parijs uitgenodigd bij de Picarts of de Choukrouns, minder vaak bij de Trottignons, maar het is duidelijk – en hem is het erg duidelijk – dat het meer een eerbetoon is aan het verleden en hun studentenjaren dan een teken van bloeiende affectie. Terwijl hij van de vrienden de meest trouwe en de meest beschikbare is, hij nooit de vrouw van een ander begeert, nooit kwaadspreekt en hij in zijn toewijding zo ver gaat dat hij hen bij elke verjaardag, bij elk familiefeest opbelt, bellen zij van hun kant hem niet alleen nooit op, maar laten ze de telefoon opnemen door hun kinderen met de boodschap dat ze niet thuis zijn.

Het lijkt er dus op dat hij stoort. Zijn eigenaardige levenswijze, zijn ingewikkelde gedoe, zijn stiltes, zijn eeuwige geheimzinnigheid voeden de malaise rond zijn persoon uiteraard nog en zorgen ervoor dat zelfs zijn meest welwillende vrienden uiteindelijk ontmoedigd raken. Want bovendien weet Cooper dat hij saai is, alleen heeft hij er zich bij neergelegd, omdat hij de nakomeling is van kleurloze ouders en grootouders die zich voortdurend verveelden, zelfs tijdens de bombardementen.

Dat Cooper nooit weet wat te zeggen, is anderzijds ook niet waar – hoewel hij zijn mond zelden opendoet –, maar als hij na een paar glazen wijn een beetje spraakzamer wordt, blijkt hij net zo merkwaardig verstoken van humor als een androïde die schuine moppen vertelt. Als hij hun al geen redevoering over Tsjechov in de maag splitst.

Vroeger had Cooper nochtans gevoel voor humor, net als iedereen. Na het vertrek van zijn zus echter is hij op een dag – uit provocatiedrang of als gevolg van zijn eenzaamheid – pijnlijke verhalen gaan vertellen waarbij hij als enige lacht. Het zijn bijna altijd verhalen uit zijn studententijd die bepaald geen fraai beeld van hem schetsen en die hij zelfgenoegzaam tot in de meest vernederende details vertelt, geheel opgaand in zijn drang tot zelfverlaging; daarbij uit het oog verliezend dat ze zijn toehoorders in verlegenheid brengen, hemzelf blameren en tegelijk de anderen compromitteren. Met name Choukroun kan het maar matig waarderen eraan herinnerd te worden dat hij zwaarlijvig was en niet meekon met de loopoefeningen, en Picart nog minder als het verhaal van zijn fiasco met Ingrid en de alcoholcoma die erop volgde weer eens ter sprake wordt gebracht. Eer de vrouw des huizes de zaken weer in de hand neemt en probeert te redden wat er nog te redden valt, zijn de genodigden meestal al gevlucht, alsof het naar binnen regende. Alleen Cooper is gebleven. Hij ligt zijn roes uit te slapen in de salon of heeft zich gebarricadeerd in het toilet en weigert weg te gaan. Onmiddellijk alarm natuurlijk, consternatie, vrees voor een schandaal: Waanzinnige dreigt het toilet van dhr. en mevr. Trottignon bezet te houden als hij zijn zus niet terugkrijgt. Na zware onderhandelingen door de gesloten deur heen zal een zoals gewoonlijk beschaamde Cooper naar buiten komen en zullen zijn gastheren, heen en weer geslingerd tussen woede en opluchting, zich haasten om hem in een taxi te duwen.

DE DWANGMATIGE HANDELINGEN

[Hoe Cooper zich aan lichamelijke training onderwerpt en piano speelt; een noodzaak om het wachten uit te houden.]

DE WOESTIJN DIJT UIT

[Beschrijving van Coopers werkplek (een Parijse bank); zijn beloftevolle begin, hoe hij wordt weggepromoveerd; zijn vrienden en vijanden.]

DE KANTINE

Om Coopers isolement te meten, volstaat het om hem rond tien, elf uur in de kantine te observeren, als het voltallige bankpersoneel daar een praatje komt maken. De plek is met zijn linoleum, zijn stoffige vensters, zijn supermarktverlichting weliswaar niet bijzonder aantrekkelijk, en de meeste collega's rond de koffiemachine mogen dan wel dat uniforme en vaag getypeerde uiterlijk van Playmobil-mannetjes hebben – de blonde secretaresse, de kortgeknipte valutahandelaar, het diensthoofd met de dikke brillenglazen –, ze praten tenminste, ze vermaken zich, ze kussen elkaar ter begroeting, en dat alles in een sfeer van gemoedelijke seksuele wedijver. Cooper ondertussen, geremd door zijn agorafobie, maakt zich in een hoekje zo klein mogelijk, zijn bekertje op de knieën. Vaak staat Deniseau bij hem, soms Nicole Cazotte, wat mede bijdraagt tot zijn zwaarmoedigheid.

Nicole, om het even over haar te hebben, is een grote en magere juffrouw met een wat bestoft uiterlijk dat vaak geassocieerd wordt met archivarissen, wat goed uitkomt want ze is archivaris. Ze heeft al een paar maanden een oogje op Cooper en achtervolgt hem overal in de bank alsof hij de markies de Sade is. Hij is ervan overtuigd dat het een tijdelijke bevlieging is en probeert haar omzichtig en tolerant te behandelen, maar wel met telkens een goede uitvlucht bij de hand om te kunnen wegglippen en haar met Deniseau alleen achter te laten.

Wanneer er niemand is om mee te praten, probeert Cooper zich een houding te geven door zich te verdiepen in de dienstnota's en ansichtkaarten op het prikbord. Marie-Claude en Philippe liggen elke dag onder de palmbomen te denken aan hun collega's, terwijl Denise Lervin op het kaartje daarnaast dreigt op de Cycladen te blijven. Goed idee. Het gebeurt ook wel eens dat hij uit pure verveling de plantenbakken met papyrus, de schrale ficussen, de varens in potten bestudeert en dat hij zich in deze bank tot een plant voelt verworden. Wat meteen het einde van zijn zorgen zou betekenen.

Als juffrouw Kaltenbrenner, een manwijf met imposante rondingen dat dienstdoet als directieafgevaardigde, om elf uur precies binnenkomt is het afgelopen met zijn bespiegelingen en keert hij zo snel mogelijk naar zijn werkplek terug. Cooper gaat haar zorgvuldig uit de weg alsof zij een ijsberg is en hij een licht bootje. Maar de verschijning van deze of gene collega die hem niet kan uitstaan – en die dus een objectieve bondgenoot van juffrouw Kaltenbrenner is – kan hem er zelfs toe brengen zich in een al even kinderachtige reflex te verstoppen in de bergruimte en daar dan met gekruiste armen te blijven zitten tot er niemand meer te zien is. Het is nochtans dezelfde, schijnbaar zo mensenschuwe man die enkele uren later, op een mooie lenteavond, snel zijn was naar de wassalon zal brengen – hoewel in zijn keuken een splinternieuwe machine staat – enkel en alleen om in het gezelschap te kunnen vertoeven van drie of vier vrijgezellen die al even zwijgzaam zijn als hij en met wie hij een sigaret zal roken, terwijl hij naar de draaiende hemden achter het venstertje staart, alsof hij plots is teruggekeerd naar zijn middag.

terug