(andante adelante)
De nacht, de
Georgi‘r met zijn fladderende coupe,
ging dutten
(het was dringend
tijd voor dag).
Moebevroren donderde hij van de ronde aarde
af,
een uitlaat in puffen voorochtendlijk blauw,
lijk een suffe
colonne nimbostratusbanken,
sleurde hij spaarzaam achter zich
de
duisternis in,
rodig zwavel
trof de matten kif in Gargamesj'
paleis.
Omhuld met smoor had hij al een ganse mat gepaft
bezig een
verse toeter smeul te pielen.
Het ging moeizaam als een fles;
zijn
vingers schoven telkens uit
(zijn gevoel leed aan
geheugenverlies)
over het cosmetisch jonge rijstpapier
zonder
opgeteerd karton rondom.
De muziek klonk kilometers luid:
luit en
zes ingevoerde Turken
op een darbuka bonk
ketsten op de muren
af
tegen de werkverslaafde satrapen
louter daar om pirouetten te
draaien.
Gargamesj had zich languit afgekapt
op zijn kelim tapijt
in een aangrenzend boudoir,
waarvan de decoratie de woorden
ervoor
qua oosterse elegantie en overdaad ver overtrof
(fusteinen wandkleden
met taferelen van marids
die
gedragen door de Levant
de Magneetberg in de Leverzee
oversteken
om geesten van salmiak en hun coterie aan
paladijnen
hanig te sneven;
door guirlandes en arabesken omgorde
ligaturen
die kalligrafisch de oereeuwigheid beschrijven;
in de
hoek een topzware, cederhouten chiffonnière
naast een afgedankte
adamanten palankijn
met een mousselinen gordijn
waarin gluiperige
thesauriers
Gargamesj in betere tijden hadden rondgedragen;
galons
van rode spinel, carneolen komforen,
vissen met lange namen, wierook
van polei, civet en kaasjeskruid,
de Tafel van Smaragd
op een
stampei van banieren en tunieken
en andere wasemende
parafernalia
die Gargamesj, in hun efemerie,
misselijk
maakten.)
Zijn schonkige gestalte zonk diep
in de stugge
pels van het karpet;
zweet op de wol, hitte van de voorbije
maanden
vermoeidheid van het aanhoudende gefeest,
broeierigheid
jeuk in de voren van zijn vel,
in zijn botten, zijn
geest.
Nerveus trok hij aan de kif.
Nerveus kauwde hij zijn
stilte.
Een paar jonge, drilgebilde
Turken-van-de-publiekelijke-soort
kwamen hem tussen de benen
strijken,
lusteloos, niet bij machte
zich een weg te banen
door
het ongezeglijke moeras
dat hij geworden was.
Hij dronk nog meer
wijn.
('De apotheker heeft niets voor mij in huis,
zolang er
druivendruppels als rode tranen zijn.')
'Wat?'
Monumentale
eenzaamheid
na alle pasgehuwde meisjes te hebben bestegen
nog voor
hun man tot hen was ingegaan.
('Weinigen die het gezelschap van
vrouwen nemen
en zich niet belachelijk maken.')
'Slik zijn
ademstoten,' had men bevolen.
En ook de Automatische Turk
had hem
vanavond verslagen;
een koningsgambiet en hij had schaakmat
gestaan,
zoals Mos'abi ooit alomvattender, doch verganer
vergeleek
. Hij had het ding tegen de muur gekeild;
van tussen het
schroot was de automaton-dwerg schichtig
– 'lijk een pisrat!'
–
alle richtingen uitgeschoten. 'Motherfucker van een muzelman!'
'Verdomme!'
Als hij dacht, dacht hij:
Hoeveel geniale venten heb
ik ingeniaal gedood?
Met wee‘, herbruikte kookgeur
heb ik de
straatarmen
de kwijlende tongen der metromanken
der
kartonnendozenwonenden gevoed.
Trotsborstige vrouwen en weeslijke
porken
hebben me in en met hun thuisstegen omgord, enkel
om mijn
heerlijk paard.
(Sommigen zeggen dat hij de hoofdrol heeft
in het
verhaal-van-de-koning-de-courtisane-en-de-ondersteboven-heilige.)
Lees
verder in Deus ex Machina nr. 109