Ronald Bos en Nafiss Nia De moderne Perzische literatuur
in een vingerhoed
Essay
In Iran, vroeger ook wel het grote Perzische rijk genoemd, is verhalen
vertellen een eeuwenoude traditie. De bekende verzameling verhalen van
Duizend-en-een-nacht is niet zo lang geleden in het Nederlands vertaald.
Minder bekend is dat deze verhalen oorspronkelijk in het Perzisch
geschreven zijn en dat die geschreven versie verloren is gegaan. Ze zijn
wel – al voor de Arabische overheersing van Perzië – in het Arabisch
vertaald. Een ander minder bekend gegeven is dat het Perzisch, ondanks min
of meer hetzelfde letterschrift, totaal verschillend is van het Arabisch.
Met de komst van de islam werden de Perzen door de Arabische overheersers
gedwongen Arabische lettertekens voor hun taal te gebruiken. Maar het
Perzisch – of Farsi – is een Indo-europese taal met meer verwantschap met
de Europese talen dan met het Arabisch. Ter vergelijking: ook in
Tadzjikistan wordt een soort Farsi gesproken, maar in het cyrillisch
(Russisch) schrift geschreven, ten gevolge van de jarenlange Russische
overheersing. Dat de Perzische literatuur dichter bij de Europese
literatuur staat dan bij de Arabische, hoeft niet te verbazen. In het
Nederlandse taalgebied is tot nu toe wel een aantal vertalingen verschenen
van klassieke Perzische teksten1,
maar vrijwel niets van de moderne Perzische literatuur. De
uitzonderingen zijn op de vingers van één hand te tellen. Opvallend is
verder dat, ondanks de traditie van verhalen vertellen, in Perzië de
ontwikkeling van het proza achterbleef bij de poëzie. Voor deze aflevering
van Deus ex Machina is voor het eerst een kleine bloemlezing van
moderne Perzische literatuur in het Nederlands samengesteld, waarbij een
evenwicht in de verhouding poëzie en proza is nagestreefd. Het spreekt
vanzelf dat deze bloemlezing geen enkele aanspraak op volledigheid wil
maken, zelfs niet op representativiteit. De keuze voor deze bloemlezing
met een aantal van de belangrijkste moderne Perzische dichters en
schrijvers is bovendien gebaseerd op de voorkeur van de samenstellers. In
deze keuze hebben we ook de Iraanse schrijvers in ballingschap achterwege
gelaten. Voor een deel schrijven zij niet meer in het Perzisch, maar in de
taal van het land waar ze wonen, zoals Kader Abdolah in het Nederlands
schrijft.
In de Perzische literatuur was de eerste plaats traditioneel weggelegd
voor de poëzie, die het proza in kwalitatief en kwantitatief opzicht
overschaduwde. In de klassieke literatuur was de poëzie bovendien
verhalend en het proza gerijmd. In de ontwikkeling van de moderne
literatuur zou het verhalend proza een duidelijke en eigen plaats krijgen
tegenover de vrije poëzie. De moderne Perzische literatuur ontstaat
langzaam aan het eind van de 19e eeuw tijdens de laatste
woelige jaren van de Ghajar dynastie. (1779 - 1924). In 1905 vindt een
volksopstand plaats onder leiding van de – ten dele islamitische –
oppositie. Het gevolg is dat sjah Mozafar el din moet instemmen met een
politieke herstructurering van Perzië, die zijn macht sterk inperkt. De
absolute monarchie wordt veranderd in een constitutionele monarchie met
een grondwet, een parlement en een gekozen minister-president, naar
westers voorbeeld. Daarna volgt nog veel politieke onrust – waar heden ten
dage nog steeds geen einde aan is gekomen – maar die zullen we laten voor
wat het is. Waar het om gaat is dat aan het eind van de 19e
eeuw veel intellectuelen en studenten naar het Westen gaan – mede onder
invloed van zakelijke overeenkomsten tussen de toenmalige sjah en de
Britten – en dat zij naast de democratische staatsvormen ook de moderne
westerse literatuur leren kennen. Een groot deel van de Perzische
literatuur werd geschreven ter verheerlijking van de heersende klasse, en
de schrijvers en dichters hadden genoeg van de traditionele
mooischrijverij die de Perzische literatuur tot dan toe vooral kenmerkte.
Ze misten de taal en de verhalen van het volk. De onderwerpen die via
het Westen ingang in de Perzische literatuur vonden, waren
vaderlandsliefde, vrijheidsverlangen en vernieuwing van culturele waarden.
Ook kwam er kritiek op de traditionele gewoontes, bijgeloof en, last but
not least, de ondergeschikte positie van de vrouw. In de klassieke
Perzische literatuur nam de vrouwelijke schrijver een marginale plaats in,
soms schreven vrouwen zelfs onder een mannelijk pseudoniem. In de 20e
eeuwse moderne Perzische literatuur zou dat langzaam, maar radicaal
veranderen. Zowel in de poëzie als in het proza. In dit themanummer hebben
wij om die reden voor de meest recente poëzie en verhalen de voorkeur
gegeven aan vrouwelijke schrijvers. Het is tijd dat in het Nederlandse
taalgebied een ruime keuze uit de moderne Perzische literatuur ontsloten
wordt.
De poëzie van Nima tot nu
De pogingen om de poëzie aan het eind van de 19e eeuw te
vernieuwen, leidden uiteindelijk tot het geleidelijk loslaten van de
eigenschappen van de tot dan toe traditionele klassieke poëzie in Iran. De
bekendste dichtvorm in de klassieke poëzie was de ghasideh, met één en
hetzelfde rijm en een lengte tot honderd of meer coupletten, en de ghazal,
de kortere versie van de ghasideh, meestal liefdesgedichten, waarvan Hafez
de mooiste heeft geschreven. Verder de masnavi, een rijmend
couplet, voor heroïsche, romantische of didactische composities, met Rumi
als de bekendste dichter, en het ruba'i (kwatrijn), in het Westen
vooral bekend door Omar Khayyam. In al deze dichtvormen waren het rijm en
het ritme van grote invloed, en het was maar voor weinigen weggelegd om
met dichterlijke creativiteit meer te bereiken dan het kopiëren van oude
motieven. Voor de nieuwe dichters was het niet eenvoudig deze vormen los
te laten. Vaak kwam het erop neer dat de inhoud wel veranderde, maar dat
de poëtische vorm bleef steken in oude gewoontes en regels. In kranten en
literaire tijdschriften verschenen nieuwe gedichten en debatten tussen de
verschillende stromingen, de modernisten en de traditionelen, die een
nieuw soort poëzie voorstonden. De modernisten wilden een radicale breuk
met het verleden, terwijl de traditionelen de poëtische regels wilden
handhaven. Een belangrijk verschil met de klassieke poëzie was dat de taal
van de poëzie veranderde. Zij richtte zich niet meer op het verheerlijken
van een idealistische liefde en natuur en de lofprijzing van het
koninklijk hof, maar op de gewone mensen met hun dagelijkse problemen.
Nima Yushij (1895 -1959) was de eerste dichter die vrije verzen
schreef. Zijn poging om zich te bevrijden van de beperkingen van het rijm
en het voorgeschreven ritme kwamen voort uit zijn idee dat de woorden in
dienst van de inhoud moeten staan en niet andersom. Nima vond dat rijm en
ritme wel gehandhaafd mochten blijven, maar niet volgens de voorgeschreven
regels. De veranderingen in Nima's poëzie waren in alle dichterlijke
elementen te zien: zijn taal was de taal van het volk en voor het eerst
maakte hij ook gebruik van dialect als poëtische taal. Het leven, de
liefde en de dood waren in de gedichten van Nima tastbaar en herkenbaar
aanwezig en zijn beelden waren ontleend aan de realiteit van de natuur en
het dagelijks leven. Hij was beïnvloed door romantici zoals Alfred de
Musset en Alphonse de Lamartine en ook de symbolistische Belgische dichter
Emile Verhaeren. Wat Nima aansprak waren Verhaerens individualisme en zijn
spel met de taal, zoals het gebruik van zelfstandige naamwoorden als
bijvoeglijk naamwoord en het gebruik van bijwoorden als zelfstandig
naamwoord. Dit is in de moderne Perzische poëzie na Nima ook veelvuldig
het geval. Kenmerken van de symbolisten die ook bij Nima voorkomen, zijn
herhaling van de eerste regel, het gebruik van rijm om het ritme te
ondersteunen en het veelvuldig gebruik van het woord 'soir'
(nacht). Doordat Nima vanaf de jaren twintig leefde in de tijd van de
nieuwe dictatuur onder sjah Reza (1924-1941), werd voor hem het begrip
nacht symbool voor de politieke situatie. In tegenstelling tot de nacht
waren begrippen als ochtend, schemering, dag, haan en kraai symbolen van
vrijheid. Het gedicht 'Dar Shab' (In de nacht, 1950) is een goed voorbeeld
van een aantal van de genoemde kenmerken van de poëzie van Nima:
Het is nacht een donkere nacht die bij zijn stemming past. Op de
tak van de oude vijgenboom zingt de kikker, kondigt steeds storm en
regen aan. En ik verzink in gedachten.
Het is nacht en de wereld lijkt een dode in zijn graf. Opnieuw
verzink ik in gedachten: - als er overal regen valt? - de wereld als
een boot op het water drijft?…
In deze nacht die het donker bracht vraag ik me af hoe het ons zal
vergaan in
de morgen? Als
de ochtend vanachter de berg verschijnt, zal hij het gezicht van de
storm verbergen?
Er ontstonden twee stromingen in de moderne poëzie: er waren de
navolgers van Nima en voorstanders van zijn manier van werken, en de
zogenaamde romantici. De eerste groep volgde de weg van hun 'meester' Nima
en ontwikkelde deze steeds verder. Deze dichters concentreerden zich
vooral op de maatschappelijke ontwikkelingen en het lot van de mensen
tijdens de turbulente jaren na WO II. De tweede groep vond dat Nima te ver
was gegaan en begon wel op Nima's manier te dichten, maar met behoud van
sommige klassieke regels. Ze hielden zich bezig met innerlijke en
spirituele onderwerpen zoals liefde en leven. Met de – door de
Amerikanen ondersteunde – staatsgreep in 1953 (sjah Mohammed Reza vluchtte
tijdelijk naar Rome) en de komst van een ware censuur brak een andere tijd
aan. Er ontstond een ander soort moderne poëzie: gedichten in sociale
symbolen en metaforen. Dood/ zwijgen/ angst/ muur/ winter en nog steeds
nacht waren kenmerkende en veel voorkomende woorden in deze tijd. De
bekendste dichters uit deze periode zijn o.a. Ahmad Shamlu, Mehdi Akhawan
Sales, Sohrab Sepehri, Forough Farrokhzad. Deze dichters schreven niet
alleen gedichten, ze bepleitten de nieuwe poëzie ook in de talloze
artikelen en essays die ze schreven. Ze waren ondanks hun
gemeenschappelijke drang tot vernieuwing erg verschillend van elkaar en
hebben grote invloed gehad op de na hen verschenen poëzie in
Iran. Ahmad Shamlu (1925 -1999) was een van de meest invloedrijke
dichters na Nima, en hij was een echte navolger van zijn zoekende geest.
In zijn werk zijn grote ontwikkelingen te zien. In zijn vroege werk zien
we nog een ongemakkelijke taal, ongelijke ritmische patronen en
hinderlijke rijmschema's, omdat hij stelling wilde nemen tegen de
klassieke dichtkunst: ' … en ik draag het zware stenen rijm op mijn
schouders / in de gevangenis van de poëzie sluit ik mezelf op / als een
beeld gevangen in zijn ingelijste raam.' (Uit: Een rode bloesem van een
jurk, 1950). In zijn latere werk is het ritme vloeiend, de muziek zachter
met sterke visuele beelden. Toen hij stierf was zijn ontwikkeling nog in
volle gang. Volgens Shamlu leerde hij de poëzie eerst kennen door Lorca,
Eluard, Rilke en Pasternak, om pas daarna de Perzische dichters te
bestuderen. Sohrab Sepehri (1928-1980) is ook een navolger van Nima,
maar in een meer technische betekenis. Zijn werk toont een bijna mystiek
gevoel voor leven en werkelijkheid: 'In deze duisternis / open ik de deur
naar het oude gras / naar het goud dat we waarnemen op de muur van de
mythe.' (Uit: 'Az sabz ta sabz' / Van groen tot groen, 1967). Volgens
sommigen is Sepehri beïnvloed door de traditie van de oude Perzische
Sufi-dichters, maar thema's als ballingschap, reizen, zoektochten en het
verloren paradijs van de jeugd plaatsen hem eerder dicht bij de Franse
symbolisten. De afwezigheid van rijm, de variaties in metrum en het
stromende ritme doen ook denken aan Walt Whitman. Forough Farrokhzad
(1933-1967) heeft in de korte tijd dat zij gedichten schreef een
bijzondere en unieke plaats ingenomen. In haar werk is plaats voor het
individu, de maatschappij en de kosmos. Zij geeft voor het eerst
uitdrukking aan haar gevoelens als vrouw in de streng patriarchale
maatschappij die Iran was (en nog steeds is). 'Mijn hele bestaan is een
donker vers / dat jou steeds weer / meeneemt naar de zonsopgang van het
bloeien / en de eeuwige groei.' (Uit: 'Tavallodi digar' / Opnieuw geboren,
1964). Haar sterk emotionele en krachtige poëzie doet denken aan Marina
Tsvetajeva. Door haar plotselinge dood is zij een legende geworden.
Iraanse vrouwen zien in haar een voorbeeld van een geëmancipeerde
vrouw. De dichters na hen hadden het moeilijk, omdat de invloed van
Shamlu, Sepehri, Sales en Farrokhzad enorm groot was. En nog steeds is.
Dankzij de politieke omstandigheden in Iran is de poëzie in metaforen
voortgezet. Veel dichters zijn uitgeweken naar het buitenland en in het
binnenland ontwikkelt veel zich achter de schermen van de openbaarheid.
Van de laatste generatie dichters hebben we een drietal opgenomen, van wie
Nazanin Nezam Shahidi in 2002 in Nederland is opgetreden. In het najaar
van 2004 zal bij uitgeverij Bulaaq een bloemlezing verschijnen met een
ruime keuze uit de hedendaagse Perzische poëzie (door de samenstellers van
dit themanummer).
Van kort verhaal tot roman
Wat Nima was voor de ontwikkeling van de moderne Perzische poëzie, was
Sayyid Mohammad Ali Jamalzadeh (1892 -1997) – zij het in mindere mate –
voor het moderne proza. Zijn verhalenbundel Yeki bud, yeki nabud…
(Er was eens…, 1921) was een belangrijke mijlpaal: het was de eerste
bundel Perzische korte verhalen ooit. Het boek werd in Berlijn
gepubliceerd, waar Jamalzadeh voor de Iraanse ambassade werkte, maar het
bereikte Iran pas een jaar later. Daar werd het beslist niet met open
armen ontvangen, vanwege zijn kritiek op het hof en de geestelijkheid: de
exemplaren van het boek werden publiekelijk verbrand. Het was echter niet
de stilistische kwaliteit van de verhalen of zijn kritische houding,
waardoor hij belangrijk was, maar eerder de prachtige plots van de
verhalen in een vreemde, zwarte vorm. Het zijn satirische observaties van
Iran door de ogen van een tijdelijk uit Europa terug gekeerde Iraniër. Het
zou tot 1942 duren voor Jamalzadeh zich aan een volgend boek waagde. De
rol van echte pionier en grondlegger van het genre korte verhalen was
echter weggelegd voor Sadegh Hedayat (1903-1951). Nadat hij vier jaar in
België en Frankrijk had gestudeerd, keerde hij in 1930 terug naar Iran en
begon met een enorme literaire activiteit: hij publiceerde in zeven jaar
tijd drie bundels korte verhalen, een bundel satirische toneelstukken, een
langer verhaal en zijn beroemde korte roman Buf-e kur (De blinde uil,
1937). Dit boek heeft zijn reputatie als de meest pessimistische en
eenzame figuur in de Perzische letterkunde gevestigd, in Iran en
daarbuiten. Ook in Nederland is deze roman in vertaling verschenen.2Zijn productiviteit liep opvallend genoeg terug in de tijd
van ongekende politieke vrijheid na de troonsafstand van sjah Reza in 1941
en eindigde met zijn zelfmoord in 1951 in Parijs. In deze tien jaar
publiceerde Hedayat alleen nog een serie korte verhalen, een paar
toneelstukken en een korte roman. Naast Hedayat was Bozorg Alavi (1904
-1997) een belangrijke schrijver. Na vier jaar gevangenschap (van 1937
-1941) – wegens zijn sympathie met de marxisten in Iran – schreef hij
Varagh parehhaye zendan (Aantekeningen uit de gevangenis, 1941) en
vervolgens Cheshmhayash (Haar ogen, 1951), een roman waarin
ideologie, psychoanalyse en romantiek samengaan in een poëtisch verhaal
over een kunstenaar, sleutelfiguur uit de ondergrondse beweging in Iran,
die een affaire heeft met een vrouw uit de aristocratische
kringen. Voor een overzicht van de na Hedayat en Alavi komende moderne
verhalen- en romanschrijvers ontbreekt hier de ruimte. In de al even
genoemde periode van politieke vrijheid tussen 1941-1953 publiceerden er
verschillende nieuwe prozaschrijvers. Een paar namen: Simin Daneshvar
(geb. 1921) is de eerste op de voorgrond tredende vrouwelijke schrijver,
zij debuteert met een bundel verhalen in 1948. Zij heeft in haar latere
verhalen en romans aandacht voor de positie van vrouwen. Haar beroemde
roman Su va shun (1969), een van de weinige Perzische prozawerken
die in het Nederlands zijn vertaald, is een familiedrama gebaseerd op het
leven in Iran tijdens WO II, gezien door de ogen van een vrouw.3 Samad
Behrangi (1939 -1968) is bekend geworden door zijn korte kinderverhaal
Mahiye siahe kuchulu (Het zwarte visje, 1968) en zijn
verdrinkingsdood kort na publicatie. Vanwege het antiautoritaire karakter
van het verhaal werd het in Iran verboden. Het won een prijs in Bologna in
1969 en werd in vele talen vertaald (ook in het Nederlands). Hushang
Golshiri (1937-2000) is de bekendste schrijver van de volgende generatie
die van groot belang is voor de moderne Perzische literatuur. Hij richtte
met vrienden in Esfahan een eigen literair tijdschrift op, waarin zij hun
ideeën en verhalen publiceerden. Golshiri was onder andere beïnvloed door
Faulkner, vanwege zijn 'stream of consciousness'. Met zijn korte roman
Shazdeh Ehtejab (Prins Ehtejab,1968), over een prins uit de
Ghajar-dynastie die in zijn laatste dagen vegeteert op zijn herinneringen
uit het verleden, schreef Golshiri een vernieuwende roman. Het boek werd
verfilmd en vertaald in zestien talen, o.m. Frans, Duits en Engels. Het in
dit nummer opgenomen verhaal 'Gorg' (De wolf, 1975) is – naast een stream
of conciousness – een absurdistische vertelling waaruit Golshiri's
politieke betrokkenheid blijkt – die hem overigens tweemaal in de
gevangenis deed belanden. Golshiri was internationaal bekend en heeft in
1989 als een van de weinige Iraanse schrijvers Nederland bezocht. Na de
islamitische revolutie van 1979 is de situatie in Iran grondig veranderd,
het voert te ver in dit korte bestek daarop in te gaan. Dat de nieuwste
verhalen die we hebben opgenomen van vrouwelijke schrijfsters zijn, is
geen toeval. Er is de laatste jaren een enorme opkomst van vrouwelijke
Iraanse schrijvers, nadat zij lange tijd op de achtergrond waren gebleven.
Van drie van hen hebben we verhalen opgenomen. Van Zoya Pirzad (geb. 1952)
'Mesle hameye asrha' (Zoals alle andere avonden), een verhaal in
een realistische stijl over een alleenstaande vrouw in het moderne Iran.
Van Fereshteh Sari (geb. 1957) 'Yek neveshteh' (De inscriptie), een
absurd verhaal over de positie van vrouwen tussen oude tradities en
moderne verlangens. Van Farideh Kheradmand (geb. 1957) 'Parandeie
hast…' (Er is een vogel…), waarin een vluchtige ontmoeting meer
betekent dan het lijkt. De moderne Perzische literatuur is weliswaar
realistisch, maar achter de oppervlakkige waarneming van de dagelijkse
werkelijkheid schemert een andere realiteit. De grens tussen fantasie en
werkelijkheid is steeds in beweging.
Vertalingen van Iraanse literatuur in het Engels
en Duits:
Poëzie
An Anthology of Modern Persian Poetry.
Selected and translated with an introduction by Ahmad Karimi-Hakkak.
Westview Press/Boulder, Calorado 1978. Modern Persian Poetry. Edited,
translated and introduced by Mahmud Kianush. The Rockingham Press/Ware,
Herts 1996. Remembering the Flight. Twenty poems by Forugh Farrokhzad.
Selected and translated by Ahmad Karimi-Hakkak. Ketab Corp. /Los Angeles
2004 The Expance of Green. Poems of Sohrab Sepehry. Translated from
Persian by David L. Martin. Kalimat Press/Unesco/Los Angeles
1988. Ahmad Shamlu, Blaues Lied. Ausgewählte Gedichte. Persisch Deutsch
übersetzt von Farhad Showghi. Engeler Editor. Basel/Weil am Rhein/Wien
2002.
Proza Stories from Iran. An Anthology of Persian
Short Fiction from 1921-1991. Edited by Heshmat Moayyad. Mage
Publishers/Washington 2002. A Feast in the Mirror. Stories by
Contemporary Iranian Women. Translated and edited by Mohammed Mehdi
Khorrami and Shouleh Vatanabadi. Lynne Rienner Publishers. Boulder/London
2000. Simin Daneshvar, Savushun. A novel about modern Iran. Translator
M.R. Ghanoonparvar, introduction Brian Spooner. Mage Publishers/Washington
2001. Sadegh Hedayat, The blind Owl. Translated by D.P. Castello.
Groove Press/New York 1957. Hushang Golshiri, Black Parrot, Green Crow.
A collection of Short Fiction. Edited by Heshmat Moayyad. Mage
Publishers
1. Een karavaan uit Perzië. Klassieke Perzische
poëzie. Bulaaq, Amsterdam 2002. Volgend jaar verschijnt bij uitgeverij
Atheneum een keuze uit het werk van een van de belangrijkste klassieke
dichters: Hafez (14e eeuw). (terug)