Spiegels in de nacht
Moderne Perzische literatuur

nr.109 - juni 2004

 

Ronald Bos en Nafiss Nia
De moderne Perzische literatuur in een vingerhoed

Essay

In Iran, vroeger ook wel het grote Perzische rijk genoemd, is verhalen vertellen een eeuwenoude traditie. De bekende verzameling verhalen van Duizend-en-een-nacht is niet zo lang geleden in het Nederlands vertaald. Minder bekend is dat deze verhalen oorspronkelijk in het Perzisch geschreven zijn en dat die geschreven versie verloren is gegaan. Ze zijn wel – al voor de Arabische overheersing van Perzië – in het Arabisch vertaald. Een ander minder bekend gegeven is dat het Perzisch, ondanks min of meer hetzelfde letterschrift, totaal verschillend is van het Arabisch. Met de komst van de islam werden de Perzen door de Arabische overheersers gedwongen Arabische lettertekens voor hun taal te gebruiken. Maar het Perzisch – of Farsi – is een Indo-europese taal met meer verwantschap met de Europese talen dan met het Arabisch. Ter vergelijking: ook in Tadzjikistan wordt een soort Farsi gesproken, maar in het cyrillisch (Russisch) schrift geschreven, ten gevolge van de jarenlange Russische overheersing. Dat de Perzische literatuur dichter bij de Europese literatuur staat dan bij de Arabische, hoeft niet te verbazen.
In het Nederlandse taalgebied is tot nu toe wel een aantal vertalingen verschenen van klassieke Perzische teksten1, maar vrijwel niets van de moderne Perzische literatuur. De uitzonderingen zijn op de vingers van één hand te tellen. Opvallend is verder dat, ondanks de traditie van verhalen vertellen, in Perzië de ontwikkeling van het proza achterbleef bij de poëzie. Voor deze aflevering van Deus ex Machina is voor het eerst een kleine bloemlezing van moderne Perzische literatuur in het Nederlands samengesteld, waarbij een evenwicht in de verhouding poëzie en proza is nagestreefd. Het spreekt vanzelf dat deze bloemlezing geen enkele aanspraak op volledigheid wil maken, zelfs niet op representativiteit. De keuze voor deze bloemlezing met een aantal van de belangrijkste moderne Perzische dichters en schrijvers is bovendien gebaseerd op de voorkeur van de samenstellers. In deze keuze hebben we ook de Iraanse schrijvers in ballingschap achterwege gelaten. Voor een deel schrijven zij niet meer in het Perzisch, maar in de taal van het land waar ze wonen, zoals Kader Abdolah in het Nederlands schrijft.

In de Perzische literatuur was de eerste plaats traditioneel weggelegd voor de poëzie, die het proza in kwalitatief en kwantitatief opzicht overschaduwde. In de klassieke literatuur was de poëzie bovendien verhalend en het proza gerijmd. In de ontwikkeling van de moderne literatuur zou het verhalend proza een duidelijke en eigen plaats krijgen tegenover de vrije poëzie.
De moderne Perzische literatuur ontstaat langzaam aan het eind van de 19e eeuw tijdens de laatste woelige jaren van de Ghajar dynastie. (1779 - 1924). In 1905 vindt een volksopstand plaats onder leiding van de – ten dele islamitische – oppositie. Het gevolg is dat sjah Mozafar el din moet instemmen met een politieke herstructurering van Perzië, die zijn macht sterk inperkt. De absolute monarchie wordt veranderd in een constitutionele monarchie met een grondwet, een parlement en een gekozen minister-president, naar westers voorbeeld. Daarna volgt nog veel politieke onrust – waar heden ten dage nog steeds geen einde aan is gekomen – maar die zullen we laten voor wat het is. Waar het om gaat is dat aan het eind van de 19e eeuw veel intellectuelen en studenten naar het Westen gaan – mede onder invloed van zakelijke overeenkomsten tussen de toenmalige sjah en de Britten – en dat zij naast de democratische staatsvormen ook de moderne westerse literatuur leren kennen. Een groot deel van de Perzische literatuur werd geschreven ter verheerlijking van de heersende klasse, en de schrijvers en dichters hadden genoeg van de traditionele mooischrijverij die de Perzische literatuur tot dan toe vooral kenmerkte. Ze misten de taal en de verhalen van het volk.
De onderwerpen die via het Westen ingang in de Perzische literatuur vonden, waren vaderlandsliefde, vrijheidsverlangen en vernieuwing van culturele waarden. Ook kwam er kritiek op de traditionele gewoontes, bijgeloof en, last but not least, de ondergeschikte positie van de vrouw. In de klassieke Perzische literatuur nam de vrouwelijke schrijver een marginale plaats in, soms schreven vrouwen zelfs onder een mannelijk pseudoniem. In de 20e eeuwse moderne Perzische literatuur zou dat langzaam, maar radicaal veranderen. Zowel in de poëzie als in het proza. In dit themanummer hebben wij om die reden voor de meest recente poëzie en verhalen de voorkeur gegeven aan vrouwelijke schrijvers. Het is tijd dat in het Nederlandse taalgebied een ruime keuze uit de moderne Perzische literatuur ontsloten wordt.

De poëzie van Nima tot nu

De pogingen om de poëzie aan het eind van de 19e eeuw te vernieuwen, leidden uiteindelijk tot het geleidelijk loslaten van de eigenschappen van de tot dan toe traditionele klassieke poëzie in Iran. De bekendste dichtvorm in de klassieke poëzie was de ghasideh, met één en hetzelfde rijm en een lengte tot honderd of meer coupletten, en de ghazal, de kortere versie van de ghasideh, meestal liefdesgedichten, waarvan Hafez de mooiste heeft geschreven. Verder de masnavi, een rijmend couplet, voor heroïsche, romantische of didactische composities, met Rumi als de bekendste dichter, en het ruba'i (kwatrijn), in het Westen vooral bekend door Omar Khayyam. In al deze dichtvormen waren het rijm en het ritme van grote invloed, en het was maar voor weinigen weggelegd om met dichterlijke creativiteit meer te bereiken dan het kopiëren van oude motieven. Voor de nieuwe dichters was het niet eenvoudig deze vormen los te laten. Vaak kwam het erop neer dat de inhoud wel veranderde, maar dat de poëtische vorm bleef steken in oude gewoontes en regels. In kranten en literaire tijdschriften verschenen nieuwe gedichten en debatten tussen de verschillende stromingen, de modernisten en de traditionelen, die een nieuw soort poëzie voorstonden. De modernisten wilden een radicale breuk met het verleden, terwijl de traditionelen de poëtische regels wilden handhaven. Een belangrijk verschil met de klassieke poëzie was dat de taal van de poëzie veranderde. Zij richtte zich niet meer op het verheerlijken van een idealistische liefde en natuur en de lofprijzing van het koninklijk hof, maar op de gewone mensen met hun dagelijkse problemen.

Nima Yushij (1895 -1959) was de eerste dichter die vrije verzen schreef. Zijn poging om zich te bevrijden van de beperkingen van het rijm en het voorgeschreven ritme kwamen voort uit zijn idee dat de woorden in dienst van de inhoud moeten staan en niet andersom. Nima vond dat rijm en ritme wel gehandhaafd mochten blijven, maar niet volgens de voorgeschreven regels. De veranderingen in Nima's poëzie waren in alle dichterlijke elementen te zien: zijn taal was de taal van het volk en voor het eerst maakte hij ook gebruik van dialect als poëtische taal. Het leven, de liefde en de dood waren in de gedichten van Nima tastbaar en herkenbaar aanwezig en zijn beelden waren ontleend aan de realiteit van de natuur en het dagelijks leven.
Hij was beïnvloed door romantici zoals Alfred de Musset en Alphonse de Lamartine en ook de symbolistische Belgische dichter Emile Verhaeren. Wat Nima aansprak waren Verhaerens individualisme en zijn spel met de taal, zoals het gebruik van zelfstandige naamwoorden als bijvoeglijk naamwoord en het gebruik van bijwoorden als zelfstandig naamwoord. Dit is in de moderne Perzische poëzie na Nima ook veelvuldig het geval. Kenmerken van de symbolisten die ook bij Nima voorkomen, zijn herhaling van de eerste regel, het gebruik van rijm om het ritme te ondersteunen en het veelvuldig gebruik van het woord 'soir' (nacht).
Doordat Nima vanaf de jaren twintig leefde in de tijd van de nieuwe dictatuur onder sjah Reza (1924-1941), werd voor hem het begrip nacht symbool voor de politieke situatie. In tegenstelling tot de nacht waren begrippen als ochtend, schemering, dag, haan en kraai symbolen van vrijheid. Het gedicht 'Dar Shab' (In de nacht, 1950) is een goed voorbeeld van een aantal van de genoemde kenmerken van de poëzie van Nima:

Het is nacht
een donkere nacht die bij zijn stemming past.
Op de tak van de oude vijgenboom
zingt de kikker, kondigt steeds
storm en regen aan. En ik
verzink in gedachten.

Het is nacht
en de wereld lijkt een dode in zijn graf.
Opnieuw verzink ik in gedachten:
- als er overal regen valt?
- de wereld als een boot op het water drijft?…

In deze nacht die het donker bracht
vraag ik me af hoe het ons zal vergaan in de
                                                 morgen?
Als de ochtend vanachter de berg verschijnt,
zal hij het gezicht van de storm verbergen?

Er ontstonden twee stromingen in de moderne poëzie: er waren de navolgers van Nima en voorstanders van zijn manier van werken, en de zogenaamde romantici. De eerste groep volgde de weg van hun 'meester' Nima en ontwikkelde deze steeds verder. Deze dichters concentreerden zich vooral op de maatschappelijke ontwikkelingen en het lot van de mensen tijdens de turbulente jaren na WO II. De tweede groep vond dat Nima te ver was gegaan en begon wel op Nima's manier te dichten, maar met behoud van sommige klassieke regels. Ze hielden zich bezig met innerlijke en spirituele onderwerpen zoals liefde en leven.
Met de – door de Amerikanen ondersteunde – staatsgreep in 1953 (sjah Mohammed Reza vluchtte tijdelijk naar Rome) en de komst van een ware censuur brak een andere tijd aan. Er ontstond een ander soort moderne poëzie: gedichten in sociale symbolen en metaforen. Dood/ zwijgen/ angst/ muur/ winter en nog steeds nacht waren kenmerkende en veel voorkomende woorden in deze tijd. De bekendste dichters uit deze periode zijn o.a. Ahmad Shamlu, Mehdi Akhawan Sales, Sohrab Sepehri, Forough Farrokhzad. Deze dichters schreven niet alleen gedichten, ze bepleitten de nieuwe poëzie ook in de talloze artikelen en essays die ze schreven. Ze waren ondanks hun gemeenschappelijke drang tot vernieuwing erg verschillend van elkaar en hebben grote invloed gehad op de na hen verschenen poëzie in Iran.
Ahmad Shamlu (1925 -1999) was een van de meest invloedrijke dichters na Nima, en hij was een echte navolger van zijn zoekende geest. In zijn werk zijn grote ontwikkelingen te zien. In zijn vroege werk zien we nog een ongemakkelijke taal, ongelijke ritmische patronen en hinderlijke rijmschema's, omdat hij stelling wilde nemen tegen de klassieke dichtkunst: ' … en ik draag het zware stenen rijm op mijn schouders / in de gevangenis van de poëzie sluit ik mezelf op / als een beeld gevangen in zijn ingelijste raam.' (Uit: Een rode bloesem van een jurk, 1950). In zijn latere werk is het ritme vloeiend, de muziek zachter met sterke visuele beelden. Toen hij stierf was zijn ontwikkeling nog in volle gang. Volgens Shamlu leerde hij de poëzie eerst kennen door Lorca, Eluard, Rilke en Pasternak, om pas daarna de Perzische dichters te bestuderen.
Sohrab Sepehri (1928-1980) is ook een navolger van Nima, maar in een meer technische betekenis. Zijn werk toont een bijna mystiek gevoel voor leven en werkelijkheid: 'In deze duisternis / open ik de deur naar het oude gras / naar het goud dat we waarnemen op de muur van de mythe.' (Uit: 'Az sabz ta sabz' / Van groen tot groen, 1967). Volgens sommigen is Sepehri beïnvloed door de traditie van de oude Perzische Sufi-dichters, maar thema's als ballingschap, reizen, zoektochten en het verloren paradijs van de jeugd plaatsen hem eerder dicht bij de Franse symbolisten. De afwezigheid van rijm, de variaties in metrum en het stromende ritme doen ook denken aan Walt Whitman.
Forough Farrokhzad (1933-1967) heeft in de korte tijd dat zij gedichten schreef een bijzondere en unieke plaats ingenomen. In haar werk is plaats voor het individu, de maatschappij en de kosmos. Zij geeft voor het eerst uitdrukking aan haar gevoelens als vrouw in de streng patriarchale maatschappij die Iran was (en nog steeds is). 'Mijn hele bestaan is een donker vers / dat jou steeds weer / meeneemt naar de zonsopgang van het bloeien / en de eeuwige groei.' (Uit: 'Tavallodi digar' / Opnieuw geboren, 1964). Haar sterk emotionele en krachtige poëzie doet denken aan Marina Tsvetajeva. Door haar plotselinge dood is zij een legende geworden. Iraanse vrouwen zien in haar een voorbeeld van een geëmancipeerde vrouw.
De dichters na hen hadden het moeilijk, omdat de invloed van Shamlu, Sepehri, Sales en Farrokhzad enorm groot was. En nog steeds is. Dankzij de politieke omstandigheden in Iran is de poëzie in metaforen voortgezet. Veel dichters zijn uitgeweken naar het buitenland en in het binnenland ontwikkelt veel zich achter de schermen van de openbaarheid. Van de laatste generatie dichters hebben we een drietal opgenomen, van wie Nazanin Nezam Shahidi in 2002 in Nederland is opgetreden.
In het najaar van 2004 zal bij uitgeverij Bulaaq een bloemlezing verschijnen met een ruime keuze uit de hedendaagse Perzische poëzie (door de samenstellers van dit themanummer).

Van kort verhaal tot roman

Wat Nima was voor de ontwikkeling van de moderne Perzische poëzie, was Sayyid Mohammad Ali Jamalzadeh (1892 -1997) – zij het in mindere mate – voor het moderne proza. Zijn verhalenbundel Yeki bud, yeki nabud… (Er was eens…, 1921) was een belangrijke mijlpaal: het was de eerste bundel Perzische korte verhalen ooit. Het boek werd in Berlijn gepubliceerd, waar Jamalzadeh voor de Iraanse ambassade werkte, maar het bereikte Iran pas een jaar later. Daar werd het beslist niet met open armen ontvangen, vanwege zijn kritiek op het hof en de geestelijkheid: de exemplaren van het boek werden publiekelijk verbrand. Het was echter niet de stilistische kwaliteit van de verhalen of zijn kritische houding, waardoor hij belangrijk was, maar eerder de prachtige plots van de verhalen in een vreemde, zwarte vorm. Het zijn satirische observaties van Iran door de ogen van een tijdelijk uit Europa terug gekeerde Iraniër. Het zou tot 1942 duren voor Jamalzadeh zich aan een volgend boek waagde.
De rol van echte pionier en grondlegger van het genre korte verhalen was echter weggelegd voor Sadegh Hedayat (1903-1951). Nadat hij vier jaar in België en Frankrijk had gestudeerd, keerde hij in 1930 terug naar Iran en begon met een enorme literaire activiteit: hij publiceerde in zeven jaar tijd drie bundels korte verhalen, een bundel satirische toneelstukken, een langer verhaal en zijn beroemde korte roman Buf-e kur (De blinde uil, 1937). Dit boek heeft zijn reputatie als de meest pessimistische en eenzame figuur in de Perzische letterkunde gevestigd, in Iran en daarbuiten. Ook in Nederland is deze roman in vertaling verschenen.2 Zijn productiviteit liep opvallend genoeg terug in de tijd van ongekende politieke vrijheid na de troonsafstand van sjah Reza in 1941 en eindigde met zijn zelfmoord in 1951 in Parijs. In deze tien jaar publiceerde Hedayat alleen nog een serie korte verhalen, een paar toneelstukken en een korte roman.
Naast Hedayat was Bozorg Alavi (1904 -1997) een belangrijke schrijver. Na vier jaar gevangenschap (van 1937 -1941) – wegens zijn sympathie met de marxisten in Iran – schreef hij Varagh parehhaye zendan (Aantekeningen uit de gevangenis, 1941) en vervolgens Cheshmhayash (Haar ogen, 1951), een roman waarin ideologie, psychoanalyse en romantiek samengaan in een poëtisch verhaal over een kunstenaar, sleutelfiguur uit de ondergrondse beweging in Iran, die een affaire heeft met een vrouw uit de aristocratische kringen.
Voor een overzicht van de na Hedayat en Alavi komende moderne verhalen- en romanschrijvers ontbreekt hier de ruimte. In de al even genoemde periode van politieke vrijheid tussen 1941-1953 publiceerden er verschillende nieuwe prozaschrijvers. Een paar namen:
Simin Daneshvar (geb. 1921) is de eerste op de voorgrond tredende vrouwelijke schrijver, zij debuteert met een bundel verhalen in 1948. Zij heeft in haar latere verhalen en romans aandacht voor de positie van vrouwen. Haar beroemde roman Su va shun (1969), een van de weinige Perzische prozawerken die in het Nederlands zijn vertaald, is een familiedrama gebaseerd op het leven in Iran tijdens WO II, gezien door de ogen van een vrouw.3
Samad Behrangi (1939 -1968) is bekend geworden door zijn korte kinderverhaal Mahiye siahe kuchulu (Het zwarte visje, 1968) en zijn verdrinkingsdood kort na publicatie. Vanwege het antiautoritaire karakter van het verhaal werd het in Iran verboden. Het won een prijs in Bologna in 1969 en werd in vele talen vertaald (ook in het Nederlands).
Hushang Golshiri (1937-2000) is de bekendste schrijver van de volgende generatie die van groot belang is voor de moderne Perzische literatuur. Hij richtte met vrienden in Esfahan een eigen literair tijdschrift op, waarin zij hun ideeën en verhalen publiceerden. Golshiri was onder andere beïnvloed door Faulkner, vanwege zijn 'stream of consciousness'. Met zijn korte roman Shazdeh Ehtejab (Prins Ehtejab,1968), over een prins uit de Ghajar-dynastie die in zijn laatste dagen vegeteert op zijn herinneringen uit het verleden, schreef Golshiri een vernieuwende roman. Het boek werd verfilmd en vertaald in zestien talen, o.m. Frans, Duits en Engels. Het in dit nummer opgenomen verhaal 'Gorg' (De wolf, 1975) is – naast een stream of conciousness – een absurdistische vertelling waaruit Golshiri's politieke betrokkenheid blijkt – die hem overigens tweemaal in de gevangenis deed belanden. Golshiri was internationaal bekend en heeft in 1989 als een van de weinige Iraanse schrijvers Nederland bezocht.
Na de islamitische revolutie van 1979 is de situatie in Iran grondig veranderd, het voert te ver in dit korte bestek daarop in te gaan. Dat de nieuwste verhalen die we hebben opgenomen van vrouwelijke schrijfsters zijn, is geen toeval. Er is de laatste jaren een enorme opkomst van vrouwelijke Iraanse schrijvers, nadat zij lange tijd op de achtergrond waren gebleven. Van drie van hen hebben we verhalen opgenomen. Van Zoya Pirzad (geb. 1952) 'Mesle hameye asrha' (Zoals alle andere avonden), een verhaal in een realistische stijl over een alleenstaande vrouw in het moderne Iran. Van Fereshteh Sari (geb. 1957) 'Yek neveshteh' (De inscriptie), een absurd verhaal over de positie van vrouwen tussen oude tradities en moderne verlangens. Van Farideh Kheradmand (geb. 1957) 'Parandeie hast…' (Er is een vogel…), waarin een vluchtige ontmoeting meer betekent dan het lijkt. De moderne Perzische literatuur is weliswaar realistisch, maar achter de oppervlakkige waarneming van de dagelijkse werkelijkheid schemert een andere realiteit. De grens tussen fantasie en werkelijkheid is steeds in beweging.

Vertalingen van Iraanse literatuur in het Engels en Duits:

Poëzie
An Anthology of Modern Persian Poetry. Selected and translated with an introduction by Ahmad Karimi-Hakkak. Westview Press/Boulder, Calorado 1978.
Modern Persian Poetry. Edited, translated and introduced by Mahmud Kianush. The Rockingham Press/Ware, Herts 1996.
Remembering the Flight. Twenty poems by Forugh Farrokhzad. Selected and translated by Ahmad Karimi-Hakkak. Ketab Corp. /Los Angeles 2004
The Expance of Green. Poems of Sohrab Sepehry. Translated from Persian by David L. Martin. Kalimat Press/Unesco/Los Angeles 1988.
Ahmad Shamlu, Blaues Lied. Ausgewählte Gedichte. Persisch Deutsch übersetzt von Farhad Showghi. Engeler Editor. Basel/Weil am Rhein/Wien 2002.

Proza
Stories from Iran. An Anthology of Persian Short Fiction from 1921-1991. Edited by Heshmat Moayyad. Mage Publishers/Washington 2002.
A Feast in the Mirror. Stories by Contemporary Iranian Women. Translated and edited by Mohammed Mehdi Khorrami and Shouleh Vatanabadi. Lynne Rienner Publishers. Boulder/London 2000.
Simin Daneshvar, Savushun. A novel about modern Iran. Translator M.R. Ghanoonparvar, introduction Brian Spooner. Mage Publishers/Washington 2001.
Sadegh Hedayat, The blind Owl. Translated by D.P. Castello. Groove Press/New York 1957.
Hushang Golshiri, Black Parrot, Green Crow. A collection of Short Fiction. Edited by Heshmat Moayyad. Mage Publishers

 

1. Een karavaan uit Perzië. Klassieke Perzische poëzie. Bulaaq, Amsterdam 2002. Volgend jaar verschijnt bij uitgeverij Atheneum een keuze uit het werk van een van de belangrijkste klassieke dichters: Hafez (14e eeuw). (terug)

2 Sadegh Hedayat, Blinde uil. Coppens & Frenks, Amsterdam, 1987. (terug)

3 Simin Daneshvar, Het offer. Meulenhoff, Amsterdam, 1995. (terug)

terug