Ieder zijn waanzin
Grensgeschriften

nr.108 - maart 2004

VOORAF

Wat is waanzin? Wat zijn psychische aandoeningen? Wat is normaal en abnormaal? Het zijn vragen waar al generaties lang over wordt nagedacht, niet in het minst door wetenschappers. In de loop van de 19de eeuw werden zij het erover eens dat psychische problemen in essentie ziektes zijn, terug te brengen tot lichamelijke afwijkingen. Onder impuls van Michel Foucault en de antipsychiatrie is na WO II echter het besef ontstaan dat veel psychische problemen eigenlijk enkel problemen zijn omdat ze door de maatschappij als zodanig worden gedefinieerd. Volgens Foucault zouden bepaalde mensen vanaf de Verlichting in toenemende mate gestigmatiseerd zijn omdat ze afweken van de norm, omdat ze enigszins 'anders' waren. De verheerlijking van de ratio bracht met zich mee dat zij als irrationeel en uiteindelijk als ziek werden bestempeld. In de zogenaamde antipsychiatrie, die in de jaren zestig furore maakte onder impuls van de Engelse psychiater R.D. Laing, ging men zelfs zo ver psychoses te beschouwen als 'gezonde reacties op een ongezonde maatschappij', waanzin als een natuurlijke geneeswijze 'voor onze afschuwelijke staat van vervreemding, die wij normaliteit noemen'. De expressies van psychiatrische patiënten waren dus niet alleen geen ziektes, ze leidden zelfs naar de genezing van de samenleving. Patiënten leken daarin op kunstenaars, die door hun subversieve uitingsvormen eveneens voor het doorbreken van verstikkende taboes, disciplinerende normen en vervreemdende gewoonten zouden zorgen.

Vandaag wordt zowel in de kunst als in de psychiatrie genuanceerder over die problematiek gedacht, maar waar beide met elkaar in aanraking komen bestaat nog steeds de neiging van dit in se romantische ideaal uit te gaan. Deus ex Machina heeft getracht niet in die val te lopen. In het voorliggende nummer wordt de aandacht gericht op geschriften van mensen met psychische problemen, ongeacht of ze als schrijver erkend zijn. De bedoeling daarvan is eveneens het doorbreken van normen, in dit geval echter de normen die in de wereld van de literatuur zelf gangbaar zijn. Door teksten van erkende schrijvers te confronteren met teksten van mensen die met eenzelfde obsessionele passie met taal bezig zijn maar niet als 'auteur' erkend worden, wilden we de gangbare literaire selectiemechanismen belichten en in twijfel trekken. We hebben getracht geschriften op de grens onbevooroordeeld te benaderen en we hebben gezocht naar alternatieve maar even dwingende redenen om ze te publiceren. Geen gemakkelijke opgave voor mensen die in de literatuur gepokt en gemazeld zijn, vandaar onze samenwerking met het Museum Dr. Guislain en de gelijknamige, aanpalende psychiatrische instelling. Werd in het museum met betrekking tot de grens tussen psychiatrie en kunst een bijzonder rijk arsenaal van ervaring opgebouwd, de huidige patiënten in het instituut worden op een zeer creatieve en open manier benaderd, wat onder meer resulteerde in de opstart van een schrijfatelier. Dirk Verbruggen en Kamiel Vanhole, beiden schrijvers met een open vizier op de wereld, waren bereid – in samenwerking met Kristine Timperman van het instituut zelf – met een aantal deelnemers aan dit atelier aan het schrijven te gaan. Het resultaat ervan vormt de kern van dit nummer.

Wetenschappelijk medewerker en verantwoordelijke communicatie van het museum Patrick Allegaert was zo vriendelijk zijn motivatie voor de deelname van het museum uiteen te zetten in een korte beschouwende tekst. Paul Cruysberghs (KULAK) en Koen Vermeir schreven elk een essay waarin de problematiek filosofisch en (kunst)historisch wordt benaderd. Van Stefan Hertmans publiceren we het essay 'Een wak in het spreken. Over Lenz, Hölderlin en Celan', waarna Hertmans-kenner Jürgen Pieters (RUG) de schrijver van Kopnaad zelf als 'een geval' aanpakt. Voor het overige, om te vermijden dat toch distincties tussen erkende en niet-erkende auteurs worden aangebracht, hebben we ervoor gekozen niemand van de dichters en prozaïsten in dit voorwoord aan de lezer voor te stellen, zodat ook u de kans krijgt er onbevooroordeeld mee kennis te maken. Wegens het belang ervan buiten dit nummer, willen we enkel nog wijzen op de vertaling door Els Snick van twee korte teksten van psychiatrische patiënten, met bijhorende tekeningen, uit de befaamde Prinzhorn-collectie van het Duitse Heidelberg-instituut, die tot eind maart 2004 te zien is in de Gentse J. Guislainstraat – dus in het befaamde museum zelf – onder de titel Geheim Schrift. Voor meer informatie kunt U terecht op www.museumdrguislain.be/nl/agenda/agendadetail.asp?AgendaID=39 Uit de tentoonstelling Menselijk, al te menselijk. Fotografie en psychiatrie, die eveneens in het Gentse museum te bezichtigen is en die beelden bevat van psychiatrische patiënten tussen 1870 en 1940, mochten we enkele foto's overnemen. Deze tentoonstelling loopt nog tot 30 mei 2004. Patrick Allegaert en Erwin Mortier moeten we danken voor hun rol als go-between tussen Deus ex Machina, het Museum Dr. Guislain en de Vakgroep Psychoanalyse en raadplegingspsychologie van de Rijksuniversiteit Gent.

In de uiteindelijke selectie van teksten komt onvermijdelijk opnieuw de complexe relatie tussen taal en maatschappij aan de oppervlakte. Niet alleen zijn psychische aandoeningen nu eenmaal steeds ook aandoeningen van de taal, we hebben te maken met mensen die de voor velen vanzelfsprekende relatie met een sociale omgeving als een probleem ervaren. In de huidige psychoanalyse wordt ervan uitgegaan dat voor veel patiënten juist de toetreding tot de orde van de (gangbare) taal problematisch is. Anderzijds stellen hedendaagse filosofen en gedragswetenschappers dat de toetreding tot een door geboden en verboden gedragen 'symbolische orde' (de orde van de taal) een maatschappelijk probleem in algemene zin geworden is. Het verdwijnen van een 'canon', van mensen die met kennis van zaken spreken, van meesters met een zekere 'autoriteit', zorgt ervoor dat we ons allemaal in hetzelfde schuitje bevinden, op drift in een wat onzekere maatschappij – en dat we dus in zekere zin allemaal aan eenzelfde ziekte lijden. Daarmee wordt de grens tussen normaal en abnormaal in de maatschappij als geheel opnieuw in twijfel getrokken. We kunnen alleen maar hopen dat dit nummer aan het aftasten van die grens bijdraagt, in de literatuur en erbuiten.

De redactie

terug