Wat is waanzin? Wat zijn psychische aandoeningen? Wat is normaal en
abnormaal? Het zijn vragen waar al generaties lang over wordt nagedacht,
niet in het minst door wetenschappers. In de loop van de 19de
eeuw werden zij het erover eens dat psychische problemen in essentie
ziektes zijn, terug te brengen tot lichamelijke afwijkingen. Onder impuls
van Michel Foucault en de antipsychiatrie is na WO II echter het besef
ontstaan dat veel psychische problemen eigenlijk enkel problemen zijn
omdat ze door de maatschappij als zodanig worden gedefinieerd. Volgens
Foucault zouden bepaalde mensen vanaf de Verlichting in toenemende mate
gestigmatiseerd zijn omdat ze afweken van de norm, omdat ze enigszins
'anders' waren. De verheerlijking van de ratio bracht met zich mee dat zij
als irrationeel en uiteindelijk als ziek werden bestempeld. In de
zogenaamde antipsychiatrie, die in de jaren zestig furore maakte onder
impuls van de Engelse psychiater R.D. Laing, ging men zelfs zo ver
psychoses te beschouwen als 'gezonde reacties op een ongezonde
maatschappij', waanzin als een natuurlijke geneeswijze 'voor onze
afschuwelijke staat van vervreemding, die wij normaliteit noemen'. De
expressies van psychiatrische patiënten waren dus niet alleen geen
ziektes, ze leidden zelfs naar de genezing van de samenleving. Patiënten
leken daarin op kunstenaars, die door hun subversieve uitingsvormen
eveneens voor het doorbreken van verstikkende taboes, disciplinerende
normen en vervreemdende gewoonten zouden zorgen.
Vandaag wordt zowel in de kunst als in de psychiatrie genuanceerder
over die problematiek gedacht, maar waar beide met elkaar in aanraking
komen bestaat nog steeds de neiging van dit in se romantische ideaal uit
te gaan. Deus ex Machina heeft getracht niet in die val te lopen. In het
voorliggende nummer wordt de aandacht gericht op geschriften van mensen
met psychische problemen, ongeacht of ze als schrijver erkend zijn. De
bedoeling daarvan is eveneens het doorbreken van normen, in dit geval
echter de normen die in de wereld van de literatuur zelf gangbaar zijn.
Door teksten van erkende schrijvers te confronteren met teksten van mensen
die met eenzelfde obsessionele passie met taal bezig zijn maar niet als
'auteur' erkend worden, wilden we de gangbare literaire
selectiemechanismen belichten en in twijfel trekken. We hebben getracht
geschriften op de grens onbevooroordeeld te benaderen en we hebben gezocht
naar alternatieve maar even dwingende redenen om ze te publiceren. Geen
gemakkelijke opgave voor mensen die in de literatuur gepokt en gemazeld
zijn, vandaar onze samenwerking met het Museum Dr. Guislain en de
gelijknamige, aanpalende psychiatrische instelling. Werd in het museum met
betrekking tot de grens tussen psychiatrie en kunst een bijzonder rijk
arsenaal van ervaring opgebouwd, de huidige patiënten in het instituut
worden op een zeer creatieve en open manier benaderd, wat onder meer
resulteerde in de opstart van een schrijfatelier. Dirk Verbruggen en
Kamiel Vanhole, beiden schrijvers met een open vizier op de wereld, waren
bereid – in samenwerking met Kristine Timperman van het instituut zelf –
met een aantal deelnemers aan dit atelier aan het schrijven te gaan. Het
resultaat ervan vormt de kern van dit nummer.
Wetenschappelijk medewerker en verantwoordelijke communicatie van het
museum Patrick Allegaert was zo vriendelijk zijn motivatie voor de
deelname van het museum uiteen te zetten in een korte beschouwende tekst.
Paul Cruysberghs (KULAK) en Koen Vermeir schreven elk een essay waarin de
problematiek filosofisch en (kunst)historisch wordt benaderd. Van Stefan
Hertmans publiceren we het essay 'Een wak in het spreken. Over Lenz,
Hölderlin en Celan', waarna Hertmans-kenner Jürgen Pieters (RUG) de
schrijver van Kopnaad zelf als 'een geval' aanpakt. Voor het
overige, om te vermijden dat toch distincties tussen erkende en
niet-erkende auteurs worden aangebracht, hebben we ervoor gekozen niemand
van de dichters en prozaïsten in dit voorwoord aan de lezer voor te
stellen, zodat ook u de kans krijgt er onbevooroordeeld mee kennis te
maken. Wegens het belang ervan buiten dit nummer, willen we enkel nog
wijzen op de vertaling door Els Snick van twee korte teksten van
psychiatrische patiënten, met bijhorende tekeningen, uit de befaamde
Prinzhorn-collectie van het Duitse Heidelberg-instituut, die tot eind
maart 2004 te zien is in de Gentse J. Guislainstraat – dus in het befaamde
museum zelf – onder de titel Geheim Schrift. Voor meer informatie
kunt U terecht op www.museumdrguislain.be/nl/agenda/agendadetail.asp?AgendaID=39
Uit de tentoonstelling Menselijk, al te menselijk. Fotografie en
psychiatrie, die eveneens in het Gentse museum te bezichtigen is en
die beelden bevat van psychiatrische patiënten tussen 1870 en 1940,
mochten we enkele foto's overnemen. Deze tentoonstelling loopt nog tot 30
mei 2004. Patrick Allegaert en Erwin Mortier moeten we danken voor hun rol
als go-between tussen Deus ex Machina, het Museum Dr. Guislain en
de Vakgroep Psychoanalyse en raadplegingspsychologie van de
Rijksuniversiteit Gent.
In de uiteindelijke selectie van teksten komt onvermijdelijk opnieuw de
complexe relatie tussen taal en maatschappij aan de oppervlakte. Niet
alleen zijn psychische aandoeningen nu eenmaal steeds ook aandoeningen van
de taal, we hebben te maken met mensen die de voor velen vanzelfsprekende
relatie met een sociale omgeving als een probleem ervaren. In de huidige
psychoanalyse wordt ervan uitgegaan dat voor veel patiënten juist de
toetreding tot de orde van de (gangbare) taal problematisch is. Anderzijds
stellen hedendaagse filosofen en gedragswetenschappers dat de toetreding
tot een door geboden en verboden gedragen 'symbolische orde' (de orde van
de taal) een maatschappelijk probleem in algemene zin geworden is. Het
verdwijnen van een 'canon', van mensen die met kennis van zaken spreken,
van meesters met een zekere 'autoriteit', zorgt ervoor dat we ons allemaal
in hetzelfde schuitje bevinden, op drift in een wat onzekere maatschappij
– en dat we dus in zekere zin allemaal aan eenzelfde ziekte lijden.
Daarmee wordt de grens tussen normaal en abnormaal in de maatschappij als
geheel opnieuw in twijfel getrokken. We kunnen alleen maar hopen dat dit
nummer aan het aftasten van die grens bijdraagt, in de literatuur en
erbuiten.