Hallo, hoe gaat het met je? Red je 't een klein beetje? Jeetje, weet je
't zeker? Eet je af en toe nog wat? Werkelijk? Echt waar? Met mij alles
goed, ja Prima, maar…
Red me van de duisternis en red me van de nacht 'k Geloof dat God niet
thuis is, maar wat had ik dan gedacht Red me van mijn idealen en van mijn
gebeden Ik kan de prijs betalen, 'k wacht alleen nog op de juiste reden
Red me van de regen, o, en red me van de mist Ik dacht dat ik ertegen kon,
maar heb me dus vergist Red me van de horizon, de glorievolle
wolkenranden Ik ben die Morricone-sound kotsbeu, God, red mij uit mijn eigen
handen
Red me van de euforie en red me van 't verval – uh Red me van het
schorremorrie, red me van 't rapalje Red me van de dealers op de hoek van
elke goot Ik ben véél te jong voor dit, en daarenboven op sterven na dood
Red me van mijn psychiater die niets anders doet dan zwijgen Red me van 't
geklater van het water dat blijft stijgen Red me van de conversaties, red me
van het slap gelul Red Bull verhoogt je prestaties, al de rest is flauwekul
Red me van het treinstation, de eindeloze autoritten Hoe verder ik van
huis verzeilde, hoe meer ik met mezelf bleef opgescheept zitten The wild side
blijkt verdraaid saai in een kleine wereld als deze Red mij van het
onvermogen om een societytijdschrift te lezen
Red me van het wakker worden, red me van het liggen woelen Red me van 't
plafond dat zakt en van het smoel van Emiel Goelen Red me van de avond en 't
gevoel van 'Shit, de nacht alweer' Ik ben véél te jong voor dit, en heb
daarenboven niet zo heel veel kracht meer
Red me van de wanhoop, o, en red me van 't verdriet Ik weet wat er te koop
is, maar God ja, wie weet dat niet Red me uit de bioscoop, ik heb genoeg van
Huxleys feelies Zie, dit is mijn lichaam, maar de crux is waar mijn
ziel is
Red me van mijn desillusies, red me van mijn volste recht Red me van die
hese stem die vraagt: 'Heb ik het niet gezegd?' Ik weet dat ik niet klagen
mag, ik heb het zelf gezocht, nietwaar Maar mocht je 't zijn vergeten, ik ben
amper bijna dertig jaar
Red me van de spoken die mijn koude huis bevolken Red me van de kwelgeest
die mij onophoudelijk blijft stalken Red me van dit helse en van pret
verstoken feest Red me van de man die ik - vandaag nog! - ooit zal zijn
geweest Hou dus van me, zie me graag, ik vraag je, blus dit vagevuur En
als je 't voor mij niet zou willen doen, wel Doe het dan voor de literatuur!
Op bezoek
Ze voelt zich te dik maar toch ook erg nietig En ze werpt een blik in de
spiegel en ziet zich En ik zeg dat ze lijkt op Marlene Dietrich En ze
kijkt mij aan en antwoordt verdrietig Dat ik mij een witte stok moet
kopen En ik vraag mij in stilte af hoe het met haar zal aflopen
En ze zegt dat ze me graag ziet maar dat ware liefde niet bestaat En ze
borstelt 'r haren en sluit 'r ogen en huilt dat het gewoon niet meer gaat Ze
wil dringend naar huis en luistert niet terwijl ik op kalme toon op haar
inpraat Maar het baat niet en binnensmonds fluistert ze 'God' en ze weet zich
echt waar geen raad En kan zelfs niets verzinnen om op te hopen En ik
vraag mij vrij angstig af hoe 't allemaal zal aflopen
En ze zegt dat zij altijd bij me zal blijven maar dat ze zichzelf zou willen
verlaten En ik zeg dat ik grenzeloos veel van haar houd en zij antwoordt mij
stil en gelaten: 'Heb je dan echt geen flauw benul wie ik ben, heb je dan
niet in de gaten Dat er voor iemand die mij kent niets anders opzit dan mij
koudweg te haten?' Haar ziel, zegt ze, is zelfs te zwart om haar aan Satan te
verkopen En ik vraag mij met een bang hart af hoe het met ons zal aflopen
En ze gaat opeens op bed liggen wenen en trekt het laken over haar
hoofd En ze noemt zichzelf totaal stapelgek en van al haar zinnen
beroofd En als ik gezegd heb en zeg en nogmaals herhaal dat ik dat niet
geloof Houdt zij weliswaar met snikken op, maar houdt zich voorts ook
Oost-Indisch doof En behoudens de angst hoor ik tevens de wrevel die
gaandeweg in mijn stem is geslopen En ik vraag mij met schaamte en ongeduld
af wanneer het bezoekuur zal zijn afgelopen
Als iedereen het kan
Je vriend met z'n baseballpet zei dat hij almachtig was en ik lachte Hij
sprak: 'U verdient niet te worden gered, dus vanaf nu mag u zich
verwachten Aan schrille miserie en heel wat ellende, en dit zal u nog
berouwen, mijn waarde' Ik haalde mijn schouders op en verloor het vertrouwen
der vrouwen op Aarde, Mijn ouders en mijn zelfrespect, mijn hoofd maar niet
mijn bewustzijn Als iedereen het kan, o God, waarom toch moet ik dan
uitzonderlijk zijn?
En je vriend met die pens stond gisteravond ongewenst bij me binnen Hij
opende zijn mond en bewoog tegelijk zijn zeventien kinnen En sprak van al
zijn pogingen en zijn evenzovele teleurstellingen Hij wilde graag winnen, zo
zeurde hij, maar wist niet hoe daarmee te beginnen Dus ik gaf hem wat tips en
plotseling kreet hij: 'Hé, mij krijg je niet klein!' Als iedereen het kan, o
God, waarom toch moet ik dan uitzonderlijk zijn?
En je vriend die 'Dynamiet' als naam draagt Verroerde zich niet terwijl ik
hem zei dat ik zelf heel erg graag 'Spalkjans', 'Koning', 'Flashback' of
doodgewoon 'Fred' of 'Jim' heten zou Hij zuchtte diep en keek naar een film
en vroeg me daarnet of ik weten wou In hoeverre ik authentiek was, dan wel
slechts bestond uit valse schijn Als iedereen het kan, o God, waarom toch
moet ik dan uitzonderlijk zijn?
En je vriend met zijn kogelvrij vest deed z'n uiterste best om mij uiteen te
zetten Dat ik onvoorzichtig geweest was en in de toekomst beter moest
opletten Hij zei: 'Mensen als wij dragen loden lasten en zijn daarenboven zo
breekbaar als glas' En trok vervolgens zijn kleren uit toen ik dacht dat wat
hij stelde niet waar was Zijn lijf, jawel, glom als een harnas, maar het
bleek godbetert van porselein Als iedereen het kan, o God, waarom toch moet
ik dan uitzonderlijk zijn?
En je vriend die zelfmoord heeft overwogen omdat hij het leven te kort
vindt Verloor zo-even zijn horloge en toont zich nu zo blij als het
kind Dat hij altijd is gebleven, ook al is hij sinds jaren
gepensioneerd En huppelt en danst zonder wandelstok terwijl hij luid zingend
poneert: 'Mijn klok ben ik kwijt, dus veel kans dat de tijd nu voorbijgaat
aan mij – o, wat fijn!' Als iedereen het kan, o God, waarom toch moet ik dan
uitzonderlijk zijn?
En je vriend die altijd stoned is, hij waant zichzelf een superster Bleek
plots mijn buurman die vroeg waar ik woonde, ik gaf hem als antwoord: 'O, niet
zo ver' Hij viel mij in de armen en huilde bittere tranen met tuiten En
snikte: 'Als je beroemd bent geworden als ik en je gaat de deur uit naar
buiten Doemt steevast een vent op die je herkent en daarvan krijg ik toch
altijd zo'n hoofdpijn!' Als iedereen het kan, o God, waarom toch moet ik dan
uitzonderlijk zijn?
En je vriend de tovenaar kwam bij me langs om zijn kunsten aan mij te
vertonen Hij veranderde mijn pistool in een vogel en mijn kogels in vunzige
sperziebonen Hij zei: 'We hebben elkaar nu, een huisdier en bovendien wat te
eten' Ik zei: 'Nu alleen nog twee glazen, nietwaar, en iets om te drinken,
niet te vergeten' Waarna hij me tussen de lippen spuwde, zijn speeksel
smaakte naar witte wijn Als iedereen het kan, o God, waarom toch moet ik dan
uitzonderlijk zijn?
En dan de vriend nog met wie je je bed deelt ten slotte Ik kwam hem tegen
in een bordeel, ze schreeuwden net dat hij oprotten moest Daar ze wisten dat
jij radeloos lag te wachten De hele nacht lang al, verlangend en
smachtend Naar iemand wiens roepnaam luidt: 'Zat konijn'! Als iederéén het
kan, o schat, waarom dan kan ik zonder jou Niet anders dan Christophe Vekeman
zijn?
Christophe Vekeman (°1972) debuteerde in 1999 met Alle
mussen zullen sterven. In 2001 volgde de roman Iedereen kan het, en
in 2002 verscheen de verhalenbundel Wees maar niet bang. Al zijn boeken
verschenen bij De Arbeiderspers. Voorts is hij onder meer columnist voor De
Morgen.