Ieder zijn waanzin
Grensgeschriften

nr.108 - maart 2004

Christophe Vekeman
Poëzie

Red me

Hallo, hoe gaat het met je?
Red je 't een klein beetje?
Jeetje, weet je 't zeker?
Eet je af en toe nog wat?
Werkelijk? Echt waar?
Met mij alles goed, ja
Prima, maar…

Red me van de duisternis en red me van de nacht
'k Geloof dat God niet thuis is, maar wat had ik dan gedacht
Red me van mijn idealen en van mijn gebeden
Ik kan de prijs betalen, 'k wacht alleen nog op de juiste reden

Red me van de regen, o, en red me van de mist
Ik dacht dat ik ertegen kon, maar heb me dus vergist
Red me van de horizon, de glorievolle wolkenranden
Ik ben die Morricone-sound kotsbeu, God, red mij uit mijn eigen handen

Red me van de euforie en red me van 't verval – uh
Red me van het schorremorrie, red me van 't rapalje
Red me van de dealers op de hoek van elke goot
Ik ben véél te jong voor dit, en daarenboven op sterven na dood

Red me van mijn psychiater die niets anders doet dan zwijgen
Red me van 't geklater van het water dat blijft stijgen
Red me van de conversaties, red me van het slap gelul
Red Bull verhoogt je prestaties, al de rest is flauwekul

Red me van het treinstation, de eindeloze autoritten
Hoe verder ik van huis verzeilde, hoe meer ik met mezelf bleef opgescheept zitten
The wild side blijkt verdraaid saai in een kleine wereld als deze
Red mij van het onvermogen om een societytijdschrift te lezen

Red me van het wakker worden, red me van het liggen woelen
Red me van 't plafond dat zakt en van het smoel van Emiel Goelen
Red me van de avond en 't gevoel van 'Shit, de nacht alweer'
Ik ben véél te jong voor dit, en heb daarenboven niet zo heel veel kracht meer

Red me van de wanhoop, o, en red me van 't verdriet
Ik weet wat er te koop is, maar God ja, wie weet dat niet
Red me uit de bioscoop, ik heb genoeg van Huxleys feelies
Zie, dit is mijn lichaam, maar de crux is waar mijn ziel is

Red me van mijn desillusies, red me van mijn volste recht
Red me van die hese stem die vraagt: 'Heb ik het niet gezegd?'
Ik weet dat ik niet klagen mag, ik heb het zelf gezocht, nietwaar
Maar mocht je 't zijn vergeten, ik ben amper bijna dertig jaar

Red me van de spoken die mijn koude huis bevolken
Red me van de kwelgeest die mij onophoudelijk blijft stalken
Red me van dit helse en van pret verstoken feest
Red me van de man die ik - vandaag nog! - ooit zal zijn geweest
Hou dus van me, zie me graag, ik vraag je, blus dit vagevuur
En als je 't voor mij niet zou willen doen, wel
Doe het dan voor de literatuur!


Op bezoek

Ze voelt zich te dik maar toch ook erg nietig
En ze werpt een blik in de spiegel en ziet zich
En ik zeg dat ze lijkt op Marlene Dietrich
En ze kijkt mij aan en antwoordt verdrietig
Dat ik mij een witte stok moet kopen
En ik vraag mij in stilte af hoe het met haar zal aflopen

En ze zegt dat ze me graag ziet maar dat ware liefde niet bestaat
En ze borstelt 'r haren en sluit 'r ogen en huilt dat het gewoon niet meer gaat
Ze wil dringend naar huis en luistert niet terwijl ik op kalme toon op haar inpraat
Maar het baat niet en binnensmonds fluistert ze 'God' en ze weet zich echt waar geen raad
En kan zelfs niets verzinnen om op te hopen
En ik vraag mij vrij angstig af hoe 't allemaal zal aflopen

En ze zegt dat zij altijd bij me zal blijven maar dat ze zichzelf zou willen verlaten
En ik zeg dat ik grenzeloos veel van haar houd en zij antwoordt mij stil en gelaten:
'Heb je dan echt geen flauw benul wie ik ben, heb je dan niet in de gaten
Dat er voor iemand die mij kent niets anders opzit dan mij koudweg te haten?'
Haar ziel, zegt ze, is zelfs te zwart om haar aan Satan te verkopen
En ik vraag mij met een bang hart af hoe het met ons zal aflopen

En ze gaat opeens op bed liggen wenen en trekt het laken over haar hoofd
En ze noemt zichzelf totaal stapelgek en van al haar zinnen beroofd
En als ik gezegd heb en zeg en nogmaals herhaal dat ik dat niet geloof
Houdt zij weliswaar met snikken op, maar houdt zich voorts ook Oost-Indisch doof
En behoudens de angst hoor ik tevens de wrevel die gaandeweg in mijn stem is geslopen
En ik vraag mij met schaamte en ongeduld af wanneer het bezoekuur zal zijn afgelopen


Als iedereen het kan

Je vriend met z'n baseballpet zei dat hij almachtig was en ik lachte
Hij sprak: 'U verdient niet te worden gered, dus vanaf nu mag u zich verwachten
Aan schrille miserie en heel wat ellende, en dit zal u nog berouwen, mijn waarde'
Ik haalde mijn schouders op en verloor het vertrouwen der vrouwen op Aarde,
Mijn ouders en mijn zelfrespect, mijn hoofd maar niet mijn bewustzijn
Als iedereen het kan, o God, waarom toch moet ik dan uitzonderlijk zijn?

En je vriend met die pens stond gisteravond ongewenst bij me binnen
Hij opende zijn mond en bewoog tegelijk zijn zeventien kinnen
En sprak van al zijn pogingen en zijn evenzovele teleurstellingen
Hij wilde graag winnen, zo zeurde hij, maar wist niet hoe daarmee te beginnen
Dus ik gaf hem wat tips en plotseling kreet hij: 'Hé, mij krijg je niet klein!'
Als iedereen het kan, o God, waarom toch moet ik dan uitzonderlijk zijn?

En je vriend die 'Dynamiet' als naam draagt
Verroerde zich niet terwijl ik hem zei dat ik zelf heel erg graag
'Spalkjans', 'Koning', 'Flashback' of doodgewoon 'Fred' of 'Jim' heten zou
Hij zuchtte diep en keek naar een film en vroeg me daarnet of ik weten wou
In hoeverre ik authentiek was, dan wel slechts bestond uit valse schijn
Als iedereen het kan, o God, waarom toch moet ik dan uitzonderlijk zijn?

En je vriend met zijn kogelvrij vest deed z'n uiterste best om mij uiteen te zetten
Dat ik onvoorzichtig geweest was en in de toekomst beter moest opletten
Hij zei: 'Mensen als wij dragen loden lasten en zijn daarenboven zo breekbaar als glas'
En trok vervolgens zijn kleren uit toen ik dacht dat wat hij stelde niet waar was
Zijn lijf, jawel, glom als een harnas, maar het bleek godbetert van porselein
Als iedereen het kan, o God, waarom toch moet ik dan uitzonderlijk zijn?

En je vriend die zelfmoord heeft overwogen omdat hij het leven te kort vindt
Verloor zo-even zijn horloge en toont zich nu zo blij als het kind
Dat hij altijd is gebleven, ook al is hij sinds jaren gepensioneerd
En huppelt en danst zonder wandelstok terwijl hij luid zingend poneert:
'Mijn klok ben ik kwijt, dus veel kans dat de tijd nu voorbijgaat aan mij – o, wat fijn!'
Als iedereen het kan, o God, waarom toch moet ik dan uitzonderlijk zijn?

En je vriend die altijd stoned is, hij waant zichzelf een superster
Bleek plots mijn buurman die vroeg waar ik woonde, ik gaf hem als antwoord: 'O, niet zo ver'
Hij viel mij in de armen en huilde bittere tranen met tuiten
En snikte: 'Als je beroemd bent geworden als ik en je gaat de deur uit naar buiten
Doemt steevast een vent op die je herkent en daarvan krijg ik toch altijd zo'n hoofdpijn!'
Als iedereen het kan, o God, waarom toch moet ik dan uitzonderlijk zijn?

En je vriend de tovenaar kwam bij me langs om zijn kunsten aan mij te vertonen
Hij veranderde mijn pistool in een vogel en mijn kogels in vunzige sperziebonen
Hij zei: 'We hebben elkaar nu, een huisdier en bovendien wat te eten'
Ik zei: 'Nu alleen nog twee glazen, nietwaar, en iets om te drinken, niet te vergeten'
Waarna hij me tussen de lippen spuwde, zijn speeksel smaakte naar witte wijn
Als iedereen het kan, o God, waarom toch moet ik dan uitzonderlijk zijn?

En dan de vriend nog met wie je je bed deelt ten slotte
Ik kwam hem tegen in een bordeel, ze schreeuwden net dat hij oprotten moest
Daar ze wisten dat jij radeloos lag te wachten
De hele nacht lang al, verlangend en smachtend
Naar iemand wiens roepnaam luidt: 'Zat konijn'!
Als iederéén het kan, o schat, waarom dan kan ik zonder jou
Niet anders dan Christophe Vekeman zijn?

Christophe Vekeman (°1972) debuteerde in 1999 met Alle mussen zullen sterven. In 2001 volgde de roman Iedereen kan het, en in 2002 verscheen de verhalenbundel Wees maar niet bang. Al zijn boeken verschenen bij De Arbeiderspers. Voorts is hij onder meer columnist voor De Morgen.

terug