Wie we zijn zeggen we niet, daar komt u snel genoeg
achter. Wij
zijn geen woordvoersters van een
holding. Wij
zijn geen monteurs in een
bandenfabriek. Wij
zijn geen directiesecretaressen of
turnleraars. Wij
zijn niets
voorlopig. Wij
zitten
binnen. En
wij leren dat je om sterk te staan jezelf niet prijs mag geven en de
mensen voor een raadsel moet
stellen. Maar
bon. Noem ons gekken. Wij zitten met een stuk of vijftien aan tafel, we
drinken koffie en het gesprek wil geen enkele kant op. Van welsprekendheid
zal geen van ons ooit beticht
worden. Of
we dan liever iets wilden schrijven, werd ons gevraagd. Voor een blad. De
hoekmensen kropen weg, wie zich al kon weren kwam met een tekst voor de
dag.
Het woord glamour is een verbastering van
grammar*. Wie
de mensen wil betoveren, heeft een grammatica nodig of oude, occulte
formules. Maar juist aan die taalbeheersing ontbreekt het ons. Wij kennen
de stilte in het hart van de tornado, wij zijn met de diepste wanhoop
vertrouwd, maar niet met de manier om die over te dragen. Alsof we buiten
de taal zijn gevallen en van onze open wonden alleen het schelste rood
kunnen tonen. Soms zijn we zelfs bang voor woorden. En als we dat niet
zijn, bedienen we ons van de meest vertrouwde middelen, zonder ons verder
om regels of tradities te bekreunen. We gebruiken een taal die zichzelf
begint uit te vinden en die daarom even fris als banaal
klinkt. Maar
wie kan ons die onbeholpenheid kwalijk nemen? Wij lenen de taal van de
kinderen, we gebruiken op een priesterlijke manier de woorden van alledag
en staan daar verder niet bij stil. Schrijvers zijn kieser. Die wegen hun
woorden, alsof ze met iedere zin willen
betoveren. Terwijl
wij in de allereerste plaats gehoord en begrepen willen worden. Wij
hunkeren naar aandacht, aandacht. Maar wie enkel literaire maatstaven
aanlegt zal het gros van wat we produceren met een eenvoudig boogje in de
vuilnisbak doen belanden. Niet in het grote vuilnisvat van de
geschiedenis, maar gewoon in de prullenmanden op de talloze redacties die
de lage landen rijk
zijn. Alleen
het besef dat deze teksten van ons zijn, zal maken dat de literaire lezer
even met ons meegaat om de intensiteit te voelen achter de gemeenplaats.
Wat de intentie betreft is er alvast nauwelijks verschil tussen ons en
een doorsneeauteur. Voor allebei is schrijven in eerste instantie een
kwestie van legitimatie: hier ben ik, dit is mijn stem, zo zie ik de
wereld. Het verschil zit 'm in de aanpak. Waar wij schrijven zoals het ons
uitkomt, zonder poespas ('met een minimale vormdwang'), is een auteur in
wezen voortdurend bezig zichzelf te herlezen. Hij bewerkt, hij verfijnt en
zoekt naar de meest dwingende vorm om zijn ideeën of beelden ingang te
doen vinden. Want literatuur draagt niet zozeer informatie over, zoals een
bekentenis of een wettekst dat doet, maar ze tracht vergeten raadsels op
een nieuwe manier te formuleren, met woorden van
nu. Een
schrijver biedt bovendien een constructie aan die hij weliswaar zelf heeft
gemaakt, maar die door zijn specifieke taalgebruik juist wegleidt van de
persoon die erachter zit. Literatuur is niet op zoek naar de mens achter
de vorm, maar naar een vorm die voor elke lezer afzonderlijk opgaat. Ze
probeert de lezer in zichzelf mee te sleuren, niet in de persoon van de
schrijver. Taal
is wie we zijn en wat we al lezend worden.
Het idee dat psychische vervreemding aan genialiteit zou grenzen is een
fabeltje dat door de Franse surrealisten in het leven werd geroepen en dat
wellicht nog op een zeker religieus denken berust. Men vond onze taal
authentiek en zuiver, omdat ze niet schatplichtig was aan enige opleiding
of kennis. Gehoopt werd dat men zich via onze uitlatingen toegang zou
kunnen verschaffen tot de oerkrochten van de
mens. Sommige
surrealistische geschriften probeerden ons zelfs na te bootsen en een
naïeve, kinderlijke regressie te bereiken. Vandaag wekken ze enkel nog de
vertedering van
literatuurhistorici. 'Omdat
men niet meer in staat is fatsoenlijk werk af te leveren, verklaart men
dat het minder waard is dan gebroddel,' fulmineerde Raymond Queneau in
1938 al tegen een schrijver die verklaard had dat onhandigheid hét
waarmerk van kunst was. In 1973 nam hij het essay in een verzamelbundel
op, wat erop wijst dat zijn misnoegen nog altijd even actueel
was. Want
heilige dwazen kom je niet tegen in onze tehuizen en dronkaards hebben wij
nog nooit een nieuwe geestelijke horizon zien
ontvouwen. Kunst
vraagt om organisatie en helderheid, zoals koken. Wat wij maken is
heerlijke, voedzame soep. We snijden de groente, gooien er een lap spek
bij en brengen alles aan de kook. Wij hebben de honger van iedereen.
Op de schrijvers werd een beroep gedaan om ons een illusie te bezorgen.
De illusie die elke hulpverlener probeert te bieden: het gevoel dat onze
kreet particulier is en op z'n minst nog één oor kan
bekoren. Maar
niet alleen in psychiatrische instellingen barst het van gegadigden die in
de waan verkeren dat hun jongste ei een unicum is, waaraan meer dan lokale
ruchtbaarheid mag worden gegeven. Te vrezen valt dat de ijdelheid en de
naijver die onder kunstenaars heersen nog duizend keer erger zijn dan in
een psychiatrische inrichting. Wij zijn tenminste verliezers onder elkaar,
dat schept een band. En ook wij kunnen manipuleren, vraag dat maar aan de
eerste de beste
verpleegster. Maar
op een briljante idiot savant hoeft niemand hier te
rekenen. En
in kunst bestaat geen democratie, dat hebben wij onderhand wel begrepen.
Zelfs het subliemste, het meest ware of intense is nog niet goed genoeg.
Want dat is literatuur vooral: een gevecht om stijl, waar luciditeit en
vakmanschap aan te pas komen. Besef van compositie, vormbeheersing,
ideeënrijkdom, noem maar
op. Maar
aan de meesten van onze lotgenoten zijn zelfs de meest conventionele
vormen van communicatie niet gegund. We zijn ballingen in ons leven, met
alle pijn die daaraan verbonden is: van verdriet en wrok tot een knagend
gevoel van verongelijktheid. En ook al heeft de intensiteit van onze
gevoelens vaak een theatraal aroma, 'as real misery so often has',
zoals Raymond Chandler schreef, aan een groots theaterstuk zien wij ons
nog niet
beginnen. Alleen
de overgave van het schrijven is ons niet vreemd. Sommigen van ons
beginnen desgewenst ter plekke te dichten, na vooraf trots verkondigd te
hebben dat het over het leven zal gaan. En daar gaat het ook over, wij
schuwen de grote woorden net zo min als de
schrijvers. Die
spreken ons vervolgens op sussende toon toe. In plaats van onze illusies
ter plekke te wurgen, verkiezen ze vriendelijk te zijn en ons her en der
op een slordigheid of een gemeenplaats te wijzen. Het woord
waardeloos krijgen ze niet over hun lippen. Ze tonen wat ze niet
slecht vinden en bedekken de rest met de mantel der liefde. Ze proberen
onze grimassen gewoon te vinden en het lijden uit de groeven van ons
gezicht af te lezen. Het liefst zouden ze misschien willen dat wij ineens
zouden opstaan om in een lyrische, koortsachtige redevoering los te
barsten, waarin alle pijn van de wereld, alle vetzakkerij en onrecht
zouden zijn samengebald tot één grote, witte vuist. Maar de tranquillizers
doen hun stille werk en we stralen vooral droefenis uit, zonder
taal. Want
taal is genezing uiteindelijk. Taal is deelname aan een gemeenschap. En
literatuur vormt daar de meest intense vorm van.
In de eerste helft van de jaren zeventig mocht de psychiatrie zich in
een nieuwe, buitensporige belangstelling verheugen. Het moet een droevige,
verwarrende periode geweest zijn, waar het gulle gebruik van organische en
chemische psychedelica niet weinig toe bijgedragen zal hebben. Zelfmoord
was in aanzien onder schrijvers. Jan Emmens, Dirk de Witte en Jan Arends
stapten eruit, net zoals Paul Celan, Yukio Mishima, John Berryman,
Yusunari Kawabata, Henry de Montherlant en Anne Sexton. Wat later volgden
Jotie 't Hooft en Jan Emiel Daele. Het is in die context dat een grap
gelezen moet worden die in de Bescheurkalender van 1975 stond: 'Over 25
jaar. Een nieuw taboe: mag men openbaar maken dat een schrijver geen
zelfmoord pleegde maar gewoon een natuurlijke dood stierf?' En op de
achterkant: 'Willow weep for me. Aan de schrijver werd al 25 jaar
talent en "een zekere verwantschap met Nescio” toegeschreven. Op een
zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is hij van de
Waalbrug
gestapt.' In
zijn essay dat in hetzelfde jaar in het literaire blad Kreatief
verscheen, haalt de dichter-psychiater R.H. van den Hoofdakker deze grap
van het Simplisties Verbond aan om een vertoog in te leiden waarin hij het
romantische beeld doorprikt dat toen kennelijk nog altijd salonfähig was:
zowel de kunstenaar als ons werd een ongemene mate van isolement en
eenzaamheid toegedicht. Beiden waren perfecte buitenstaanders en juist dit
outsiderschap zou ons toegang verlenen tot hogere waarheden en inzichten.
Zowel de patiënt als de schrijver kreeg een haast bovennatuurlijke status
toegemeten, waarbij we als een soort orakels een link hadden met het
hogere dat tegelijk ons binnenste
was. Bovendien
vormden wij ook een schril protest tegen het vigerende, als autoritair
ervaren Systeem. We waren vernacheld door het Apparaat en werden als
zodanig tot voorvechters verheven, denk aan Jack Nicholson in One flew
over the cuckoo's nest uit
1975. Ook
de toenmalige anti-psychiatrie had tot die romantiek bijgedragen. Laing en
Cooper 'wilden de taal van de patiënt weer de plaats geven die zij
verdient: onder de mensen, maar wat er gebeurde was het omgekeerde: de
taal van de patiënt werd heilig verklaard. [...] .....het is alsof zij en
hun Nachwuchs zo geschrokken zijn voor de peilloze diepten van ellende en
eenzaamheid van hun patiënten, dat zij hen tot idolen verklaarden:
reizigers in een binnenwereld, op zoek naar de oerervaringen van de
mensheid. Wij zijn de blinden, zij zijn de
zieners.'** Maar
of wij van dit soort heiligverklaring gediend zijn, valt te betwijfelen.
Onze gestoorde, vaak narcistische levenshouding is geenszins een keuze en
bovendien veel minder heroïsch dan ze wordt
voorgesteld. Daarnaast
is het maar de vraag of onze contactarmoede een vruchtbare voedingsbodem
kan zijn voor een literatuur die niet in het particuliere wil verzanden en
die ook iets over de mensen en hun tijd wil vertellen. Wie durft zich de
bezitter van een gefortuneerd innerlijk te noemen, dat het in zijn dooie
eentje kan opnemen tegen de weelde van de werkelijkheid? En wie beschikt
over het talent om daar ook vorm aan te geven?
Wat in onze geschriften opvalt is niet het weefsel, maar de
onhandigheid ervan. Die kan in al haar naïviteit vertederen en een
onvoorbereide lezer zelfs even uit het lood slaan, maar echt iemand
opslokken, nee, daarvoor komt de vorm te vaak uit de recyclingwinkel..
Onze teksten boeien om hun impulsieve of obsessionele karakter, maar juist
daardoor staan ze een onbevangen leesplezier in de weg. Wat opvalt zijn de
toevalstreffers. De bedoeling in plaats van de
boog. Alsof
we spinnen zijn van wie het net werd verscheurd en die telkens met de moed
der wanhoop opnieuw beginnen. Jammer alleen dat in de literatuur niets aan
het toeval kan worden overgelaten, alle experimenten van de surrealisten
ten
spijt. Want
schoonheid is zeldzaam en talrijk de spiegels. En literatuur is meer dan
een schreeuw.
Wat wij vragen is begrip. Wij willen weten waarom wij ineens van de
maatschappij zijn afgesneden 'achter het opake glas van een
delirium'*** Wij zouden willen dat u luistert en leest wat er staat.
Wie onze teksten tot iets van een hogere orde bombardeert, zal daar moeite
mee hebben. En wie ons tot zieners uitroept, ontkent ons slachtofferschap.
Maar we verheugen ons, we schrijven 2004 en de tijden
veranderen. Niet
de buitenstaander wordt vandaag in het vaandel gedragen, maar zijn
tegendeel: de jonge, franke ondernemer. Het visioen van een jongmens dat
de zon van het vrije ondernemerschap heeft zien gloren. Hij is niet blind
voor de jongste werkloosheidscijfers, maar hij wrijft zich in de handen en
merkt dat de economie elders weer aantrekt. Daar jeukt
het. Nee,
niet het spontane en het kinderlijke worden vandaag gehuldigd, maar het
snelle, gevatte, zakelijke. Hetzelfde als wat van politici wordt verlangd:
mediatraining, spraakkunst &
glamour. En
geen nood: uit onverwachte hoek is het aloude sociaal-realisme weer in
aantocht. De Vlaamse minister van Economie had graag een docusoap op haar
scherm gezien over ondernemers. Omdat na een serie over dierenleed het
aantal inschrijvingen voor dierenarts gevoelig was gestegen, vond de
minister dat de hele economie zo'n opsteker kon gebruiken. Cultuur mocht
haar rol van voortrekker weer opnemen en positieve helden aandragen in een
schone col, immer bereid om de handen uit de mouwen te steken en een
targetbedrijfje op te starten, als lichtend voorbeeld voor de jeugd van
tegenwoordig. Dat
de minister eerst aan de televisie dacht en niet aan de literatuur, mag de
schrijvers geruststellen. Het bewijst wat een marginale positie de
letteren in het hele amusementsbedrijf nog innemen.
En wat doen
wij? Wij
blijven de beschavingsgraad van een maatschappij afmeten aan de aandacht
die ze besteedt aan de marge. Aan gekken en schrijvers, zeg maar.
* Steven Pinker, The Language Instinct, Penguin, 1995
** R.H. van den Hoofdakker, Een pil voor Doornroosje. Essays
over een wetenschappelijke psychiatrie, Van Gennep, 1975
*** Raymond Queneau, Comprendre la folie, Éditions des
Cendres, 2001
Kamiel Vanhole (°1954) debuteerde in 1990 met de
reisverhalenbundel Een demon in Brussel. Sindsdien schreef hij drie
romans, een novelle (samen met Koen Peeters) en een zestal theaterstukken,
waaronder De hartstreek, dat in 1997 geselecteerd werd voor het
Theaterfestival. Zijn jongste boek, O Heer, waar zijn uw
zijstraten? (Meulenhoff, 2002), is een bitterzoete picareske roman
over een sans-papiers uit Madagascar.