Ieder zijn waanzin
Grensgeschriften

nr.108 - maart 2004

Kamiel Vanhole
ZINWAAN

Proza

Wie we zijn zeggen we niet, daar komt u snel genoeg achter.
           Wij zijn geen woordvoersters van een holding.
           Wij zijn geen monteurs in een bandenfabriek.
           Wij zijn geen directiesecretaressen of turnleraars.
           Wij zijn niets voorlopig.
           Wij zitten binnen.
           En wij leren dat je om sterk te staan jezelf niet prijs mag geven en de mensen voor een raadsel moet stellen.
           Maar bon. Noem ons gekken. Wij zitten met een stuk of vijftien aan tafel, we drinken koffie en het gesprek wil geen enkele kant op. Van welsprekendheid zal geen van ons ooit beticht worden.
           Of we dan liever iets wilden schrijven, werd ons gevraagd. Voor een blad. De hoekmensen kropen weg, wie zich al kon weren kwam met een tekst voor de dag.

Het woord glamour is een verbastering van grammar*.
           Wie de mensen wil betoveren, heeft een grammatica nodig of oude, occulte formules. Maar juist aan die taalbeheersing ontbreekt het ons. Wij kennen de stilte in het hart van de tornado, wij zijn met de diepste wanhoop vertrouwd, maar niet met de manier om die over te dragen. Alsof we buiten de taal zijn gevallen en van onze open wonden alleen het schelste rood kunnen tonen. Soms zijn we zelfs bang voor woorden. En als we dat niet zijn, bedienen we ons van de meest vertrouwde middelen, zonder ons verder om regels of tradities te bekreunen. We gebruiken een taal die zichzelf begint uit te vinden en die daarom even fris als banaal klinkt.
           Maar wie kan ons die onbeholpenheid kwalijk nemen? Wij lenen de taal van de kinderen, we gebruiken op een priesterlijke manier de woorden van alledag en staan daar verder niet bij stil. Schrijvers zijn kieser. Die wegen hun woorden, alsof ze met iedere zin willen betoveren.
           Terwijl wij in de allereerste plaats gehoord en begrepen willen worden. Wij hunkeren naar aandacht, aandacht. Maar wie enkel literaire maatstaven aanlegt zal het gros van wat we produceren met een eenvoudig boogje in de vuilnisbak doen belanden. Niet in het grote vuilnisvat van de geschiedenis, maar gewoon in de prullenmanden op de talloze redacties die de lage landen rijk zijn.
           Alleen het besef dat deze teksten van ons zijn, zal maken dat de literaire lezer even met ons meegaat om de intensiteit te voelen achter de gemeenplaats.

Wat de intentie betreft is er alvast nauwelijks verschil tussen ons en een doorsneeauteur. Voor allebei is schrijven in eerste instantie een kwestie van legitimatie: hier ben ik, dit is mijn stem, zo zie ik de wereld. Het verschil zit 'm in de aanpak. Waar wij schrijven zoals het ons uitkomt, zonder poespas ('met een minimale vormdwang'), is een auteur in wezen voortdurend bezig zichzelf te herlezen. Hij bewerkt, hij verfijnt en zoekt naar de meest dwingende vorm om zijn ideeën of beelden ingang te doen vinden. Want literatuur draagt niet zozeer informatie over, zoals een bekentenis of een wettekst dat doet, maar ze tracht vergeten raadsels op een nieuwe manier te formuleren, met woorden van nu.
           Een schrijver biedt bovendien een constructie aan die hij weliswaar zelf heeft gemaakt, maar die door zijn specifieke taalgebruik juist wegleidt van de persoon die erachter zit. Literatuur is niet op zoek naar de mens achter de vorm, maar naar een vorm die voor elke lezer afzonderlijk opgaat. Ze probeert de lezer in zichzelf mee te sleuren, niet in de persoon van de schrijver.
           Taal is wie we zijn en wat we al lezend worden.

Het idee dat psychische vervreemding aan genialiteit zou grenzen is een fabeltje dat door de Franse surrealisten in het leven werd geroepen en dat wellicht nog op een zeker religieus denken berust. Men vond onze taal authentiek en zuiver, omdat ze niet schatplichtig was aan enige opleiding of kennis. Gehoopt werd dat men zich via onze uitlatingen toegang zou kunnen verschaffen tot de oerkrochten van de mens.
           Sommige surrealistische geschriften probeerden ons zelfs na te bootsen en een naïeve, kinderlijke regressie te bereiken. Vandaag wekken ze enkel nog de vertedering van literatuurhistorici.
           'Omdat men niet meer in staat is fatsoenlijk werk af te leveren, verklaart men dat het minder waard is dan gebroddel,' fulmineerde Raymond Queneau in 1938 al tegen een schrijver die verklaard had dat onhandigheid hét waarmerk van kunst was. In 1973 nam hij het essay in een verzamelbundel op, wat erop wijst dat zijn misnoegen nog altijd even actueel was.
           Want heilige dwazen kom je niet tegen in onze tehuizen en dronkaards hebben wij nog nooit een nieuwe geestelijke horizon zien ontvouwen.
           Kunst vraagt om organisatie en helderheid, zoals koken. Wat wij maken is heerlijke, voedzame soep. We snijden de groente, gooien er een lap spek bij en brengen alles aan de kook. Wij hebben de honger van iedereen.

Op de schrijvers werd een beroep gedaan om ons een illusie te bezorgen. De illusie die elke hulpverlener probeert te bieden: het gevoel dat onze kreet particulier is en op z'n minst nog één oor kan bekoren.
           Maar niet alleen in psychiatrische instellingen barst het van gegadigden die in de waan verkeren dat hun jongste ei een unicum is, waaraan meer dan lokale ruchtbaarheid mag worden gegeven. Te vrezen valt dat de ijdelheid en de naijver die onder kunstenaars heersen nog duizend keer erger zijn dan in een psychiatrische inrichting. Wij zijn tenminste verliezers onder elkaar, dat schept een band. En ook wij kunnen manipuleren, vraag dat maar aan de eerste de beste verpleegster.
           Maar op een briljante idiot savant hoeft niemand hier te rekenen.
           En in kunst bestaat geen democratie, dat hebben wij onderhand wel begrepen. Zelfs het subliemste, het meest ware of intense is nog niet goed genoeg. Want dat is literatuur vooral: een gevecht om stijl, waar luciditeit en vakmanschap aan te pas komen. Besef van compositie, vormbeheersing, ideeënrijkdom, noem maar op.
           Maar aan de meesten van onze lotgenoten zijn zelfs de meest conventionele vormen van communicatie niet gegund. We zijn ballingen in ons leven, met alle pijn die daaraan verbonden is: van verdriet en wrok tot een knagend gevoel van verongelijktheid. En ook al heeft de intensiteit van onze gevoelens vaak een theatraal aroma, 'as real misery so often has', zoals Raymond Chandler schreef, aan een groots theaterstuk zien wij ons nog niet beginnen.
           Alleen de overgave van het schrijven is ons niet vreemd. Sommigen van ons beginnen desgewenst ter plekke te dichten, na vooraf trots verkondigd te hebben dat het over het leven zal gaan. En daar gaat het ook over, wij schuwen de grote woorden net zo min als de schrijvers.
           Die spreken ons vervolgens op sussende toon toe. In plaats van onze illusies ter plekke te wurgen, verkiezen ze vriendelijk te zijn en ons her en der op een slordigheid of een gemeenplaats te wijzen. Het woord waardeloos krijgen ze niet over hun lippen. Ze tonen wat ze niet slecht vinden en bedekken de rest met de mantel der liefde. Ze proberen onze grimassen gewoon te vinden en het lijden uit de groeven van ons gezicht af te lezen. Het liefst zouden ze misschien willen dat wij ineens zouden opstaan om in een lyrische, koortsachtige redevoering los te barsten, waarin alle pijn van de wereld, alle vetzakkerij en onrecht zouden zijn samengebald tot één grote, witte vuist. Maar de tranquillizers doen hun stille werk en we stralen vooral droefenis uit, zonder taal.
           Want taal is genezing uiteindelijk. Taal is deelname aan een gemeenschap. En literatuur vormt daar de meest intense vorm van.

In de eerste helft van de jaren zeventig mocht de psychiatrie zich in een nieuwe, buitensporige belangstelling verheugen. Het moet een droevige, verwarrende periode geweest zijn, waar het gulle gebruik van organische en chemische psychedelica niet weinig toe bijgedragen zal hebben. Zelfmoord was in aanzien onder schrijvers. Jan Emmens, Dirk de Witte en Jan Arends stapten eruit, net zoals Paul Celan, Yukio Mishima, John Berryman, Yusunari Kawabata, Henry de Montherlant en Anne Sexton. Wat later volgden Jotie 't Hooft en Jan Emiel Daele. Het is in die context dat een grap gelezen moet worden die in de Bescheurkalender van 1975 stond: 'Over 25 jaar. Een nieuw taboe: mag men openbaar maken dat een schrijver geen zelfmoord pleegde maar gewoon een natuurlijke dood stierf?' En op de achterkant: 'Willow weep for me. Aan de schrijver werd al 25 jaar talent en "een zekere verwantschap met Nescio” toegeschreven. Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is hij van de Waalbrug gestapt.'
           In zijn essay dat in hetzelfde jaar in het literaire blad Kreatief verscheen, haalt de dichter-psychiater R.H. van den Hoofdakker deze grap van het Simplisties Verbond aan om een vertoog in te leiden waarin hij het romantische beeld doorprikt dat toen kennelijk nog altijd salonfähig was: zowel de kunstenaar als ons werd een ongemene mate van isolement en eenzaamheid toegedicht. Beiden waren perfecte buitenstaanders en juist dit outsiderschap zou ons toegang verlenen tot hogere waarheden en inzichten. Zowel de patiënt als de schrijver kreeg een haast bovennatuurlijke status toegemeten, waarbij we als een soort orakels een link hadden met het hogere dat tegelijk ons binnenste was.
           Bovendien vormden wij ook een schril protest tegen het vigerende, als autoritair ervaren Systeem. We waren vernacheld door het Apparaat en werden als zodanig tot voorvechters verheven, denk aan Jack Nicholson in One flew over the cuckoo's nest uit 1975.
           Ook de toenmalige anti-psychiatrie had tot die romantiek bijgedragen. Laing en Cooper 'wilden de taal van de patiënt weer de plaats geven die zij verdient: onder de mensen, maar wat er gebeurde was het omgekeerde: de taal van de patiënt werd heilig verklaard. [...] .....het is alsof zij en hun Nachwuchs zo geschrokken zijn voor de peilloze diepten van ellende en eenzaamheid van hun patiënten, dat zij hen tot idolen verklaarden: reizigers in een binnenwereld, op zoek naar de oerervaringen van de mensheid. Wij zijn de blinden, zij zijn de zieners.'**
           Maar of wij van dit soort heiligverklaring gediend zijn, valt te betwijfelen. Onze gestoorde, vaak narcistische levenshouding is geenszins een keuze en bovendien veel minder heroïsch dan ze wordt voorgesteld.
           Daarnaast is het maar de vraag of onze contactarmoede een vruchtbare voedingsbodem kan zijn voor een literatuur die niet in het particuliere wil verzanden en die ook iets over de mensen en hun tijd wil vertellen. Wie durft zich de bezitter van een gefortuneerd innerlijk te noemen, dat het in zijn dooie eentje kan opnemen tegen de weelde van de werkelijkheid? En wie beschikt over het talent om daar ook vorm aan te geven?

Wat in onze geschriften opvalt is niet het weefsel, maar de onhandigheid ervan. Die kan in al haar naïviteit vertederen en een onvoorbereide lezer zelfs even uit het lood slaan, maar echt iemand opslokken, nee, daarvoor komt de vorm te vaak uit de recyclingwinkel.. Onze teksten boeien om hun impulsieve of obsessionele karakter, maar juist daardoor staan ze een onbevangen leesplezier in de weg. Wat opvalt zijn de toevalstreffers. De bedoeling in plaats van de boog.
           Alsof we spinnen zijn van wie het net werd verscheurd en die telkens met de moed der wanhoop opnieuw beginnen. Jammer alleen dat in de literatuur niets aan het toeval kan worden overgelaten, alle experimenten van de surrealisten ten spijt.
           Want schoonheid is zeldzaam en talrijk de spiegels. En literatuur is meer dan een schreeuw.

Wat wij vragen is begrip. Wij willen weten waarom wij ineens van de maatschappij zijn afgesneden 'achter het opake glas van een delirium'*** Wij zouden willen dat u luistert en leest wat er staat. Wie onze teksten tot iets van een hogere orde bombardeert, zal daar moeite mee hebben. En wie ons tot zieners uitroept, ontkent ons slachtofferschap.

Maar we verheugen ons, we schrijven 2004 en de tijden veranderen.
           Niet de buitenstaander wordt vandaag in het vaandel gedragen, maar zijn tegendeel: de jonge, franke ondernemer. Het visioen van een jongmens dat de zon van het vrije ondernemerschap heeft zien gloren. Hij is niet blind voor de jongste werkloosheidscijfers, maar hij wrijft zich in de handen en merkt dat de economie elders weer aantrekt. Daar jeukt het.
           Nee, niet het spontane en het kinderlijke worden vandaag gehuldigd, maar het snelle, gevatte, zakelijke. Hetzelfde als wat van politici wordt verlangd: mediatraining, spraakkunst & glamour.
           En geen nood: uit onverwachte hoek is het aloude sociaal-realisme weer in aantocht. De Vlaamse minister van Economie had graag een docusoap op haar scherm gezien over ondernemers. Omdat na een serie over dierenleed het aantal inschrijvingen voor dierenarts gevoelig was gestegen, vond de minister dat de hele economie zo'n opsteker kon gebruiken. Cultuur mocht haar rol van voortrekker weer opnemen en positieve helden aandragen in een schone col, immer bereid om de handen uit de mouwen te steken en een targetbedrijfje op te starten, als lichtend voorbeeld voor de jeugd van tegenwoordig.
           Dat de minister eerst aan de televisie dacht en niet aan de literatuur, mag de schrijvers geruststellen. Het bewijst wat een marginale positie de letteren in het hele amusementsbedrijf nog innemen.

En wat doen wij?
           Wij blijven de beschavingsgraad van een maatschappij afmeten aan de aandacht die ze besteedt aan de marge. Aan gekken en schrijvers, zeg maar.

 

* Steven Pinker, The Language Instinct, Penguin, 1995

** R.H. van den Hoofdakker, Een pil voor Doornroosje. Essays over een wetenschappelijke psychiatrie, Van Gennep, 1975

*** Raymond Queneau, Comprendre la folie, Éditions des Cendres, 2001

Kamiel Vanhole (°1954) debuteerde in 1990 met de reisverhalenbundel Een demon in Brussel. Sindsdien schreef hij drie romans, een novelle (samen met Koen Peeters) en een zestal theaterstukken, waaronder De hartstreek, dat in 1997 geselecteerd werd voor het Theaterfestival. Zijn jongste boek, O Heer, waar zijn uw zijstraten? (Meulenhoff, 2002), is een bitterzoete picareske roman over een sans-papiers uit Madagascar.

terug